// artikel

Nederlandse literatuur

Geerten Meijsing — De grachtengordel (1992)

Geerten Meijsing is een schrijver van wie je zou kunnen verwachten dat hij vaker op deze elektronische pagina’s genoemd wordt. Een moderne literatuurhistoricus ben ik bepaald niet, maar ik kan wel een groepje moderne Nederlandse schrijvers aanwijzen die een soort van ‘neo-fin de siècle’ als gemene deler hebben: een voorkeur voor het esthetische, en een lichte neiging naar het decadente. Dat zijn, naast Meijsing, Willem Melchior, Aristide von Bienefeldt, Adriaan Litzroth en Wim Meulenkamp. De laatste — mijns inziens de fraaiste, want taligste en literairste van het stel — haalt iets meer boter uit de vroege, frenetieke negentiende eeuw van Petrus Borel en Philothée O’Neddy. Helemaal subjectief ben ik niet, want wie een verhaal schrijft over Carel de Nerée kan uiteraard in mijn ogen niet meer stuk.

Van Meijsing had ik eerlijk gezegd nooit echt iets aandachtig gelezen. Wel heb ik wat gebladerleesd in allerlei Joyce & Co.-uitgaven en een aantal door hem/hen vertaalde werken. Zijn/hun roemruchte Erwin staat te boek als de eerste échte ‘decadente’ Nederlandse roman (trouwe lezers van dit blog kunnen dit relativeren), maar hoe graag ik deze ook wil lezen, het is me tot nu toe niet gelukt. De reden is eigenlijk heel alledaags: voor zover ik weet bestaan er alleen ingenaaide uitgaven, die behoorlijk snel knakken en lelijk worden. Het allergrootste probleem is echter het lettertype: het is gezet in wat geloof ik een vierpunts is. Het ziet er heel erudiet uit, zoveel tekst op een pagina, maar lekker lezen doet het niet. Desondanks zal ik het dit weekend nóg een keer proberen. Nogmaals, willen doe ik het graag. Alleen al in de context van de hoogstwetenschappelijke studie naar de receptie van het decadente discours in de Nederlandse letteren.

De Grachtengordel nu, heeft hier op het eerste gezicht niet zoveel mee te maken. Desondanks kan ik het boek sterk aanbevelen. Het is mijns inziens dé (sleutel)roman over ‘het (Nederlandse) literaire bedrijf’ en het schrijverschap van de tweede helft van de twintigste eeuw. Meestal zijn zulke romans vervelend maar Meijsing komt ermee weg, en hij wordt nergens zeurderig of aanstellerig. Om door middel van vergelijking de aandacht voor hem te rechtvaardigen: De Grachtengordel is een mix van Vincent Haman en Metamorfoze, met een aardige scheut Durtal uit Là-Bas van Joris-Karl Huysmans.

Gelijk Willem Paap in Vincent Haman slaagt Meijsing erin een sleutelroman te schrijven waarbij je niet per se wil of hoeft te weten wie achter welk personage schuilgaat. Dat is niet zo belangrijk, het is in de eerste plaats literatuur. Wat ook meespeelt: het is zonder rancune geschreven, en ook in die zin met Vincent Haman te vergelijken. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het flauwe werk van iemand als Ixo (Modder, circa 1890). Tevens door de structuur – één personage per hoofdstuk – deed het me aan Haman denken.
De toon van Meijsings roman herinnerde mij weer aan de schoon-weemoedige toon van alltime favorite Metamorfoze van Couperus. En de gelaten mijmeringen van hoofdpersoon Erik Provenier roepen associaties op met het personage Durtal uit Huysmans’ Là-Bas, dat door Meijsing in 1990 werd vertaald. Ook de wijze waarop Provenier de grootstad doorkruist is mijns inziens Huysmans-achtig.

Nu, een messcherpe analyse is dit bepaald niet geworden, maar ik hoop mij de komende tijd uitvoeriger in Meijsing/Joyce & Co. te verdiepen en aldus tot diepere inzichten te komen. Een schrijver die een leven geobsedeerd is door Baron Corvo en zelfs aan een roman aan hem wijdt, verdient bij voorbaat al de Prijs der Nederlandse Letteren. En een perkamenten Oeuvres Complètes de J.K. Huysmans (1929-1934) op Japans papier.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

2 reacties op “Geerten Meijsing — De grachtengordel (1992)”

  1. Meijsing is niet bepaald geporteerd voor Couperus, dus die weemoedige toon zal hij niet bewust van hem hebben overgenomen.

    Door Peter Hoffman | 25 januari 2010, 9:15
  2. Erwin (zeker deel 1) is een aardige test om te zien of je je klassiekers werkelijk kent – allusies alom, echo’s te over.

    Het is wel priegelig gedrukt, maar 4 punts is het heus niet. Het geëtaleerde cijferfetishisme strekte tot op het aantal woorden dat een passage mocht tellen, en het zou me niets verwonderen als zelfs de uitvulling van iedere regel in ideale proporties is gedacht. Dat de tekst wesniettegenstaande menig genietbare passage bevat mag een klein wonder heten.

    Ik meen dat men het zetwerk heeft laten doen in de DDR, waar zetwerk in hoogdruk nog betaalbaar was. Er was indertijd ook een klein aantal gebonden exemplaren, en de recente omnibus-herdruk was zelfs alleen gebonden te krijgen.

    Door A.H. Simons | 25 januari 2010, 11:55

Reageer

Foto van de dag