// artikel

Maatschappij & wetenschap

De dissertatie (1892) van Frans Coenen en de schrijnende actualiteit

Veelzijdig scribent
De naturalistische, Nederlandse fin de siècle auteur Frans Coenen (1866-1936) heeft zich op tal van literaire fronten onderscheiden: zo was hij meer dan gemiddeld actief als essayist, die zich nadrukkelijk vol ironie heeft geprofileerd. Zijn intens gevoelige belletrie sluit aan bij het proza van de Tachtigers. Als recensent voor theater was Frans Coenen verbonden aan de Oprechte Haarlemse Courant, en bijna veertig jaar — van 1895 tot 1933 — heeft hij de functie van conservator van het Museum Willet-Holthuysen te Amsterdam vervuld.
Hoewel Frans Coenen tegen het einde van zijn schrijverscarrière reeds een redelijk omvangrijk oeuvre had bijeen geschreven, moest hij nog aan een nieuw boek beginnen als gevolg van een belastingschuld. Dat werd Onpersoonlijke herinneringen. Het boek is postuum verschenen, en werd direct als meesterwerk erkend. Het verhaal behelst een drama dat zich in bovengenoemd museum in de negentiende eeuw heeft afgespeeld.

Associaties
Soms is er een literaire of andere positieve aanleiding om een schrijver nog weer eens aan te halen. In het geval van een verwijzing op deze plek naar Frans Coenen is de aanleiding een zeer schrijnende, in ijltempo groeiende, maatschappelijk uiterst pijnlijke constellatie, die we niet kunnen afdoen met het begrip probleem, aangezien een probleem nu eenmaal een oplosbare moeilijkheid is. Daarbij gaat het niet om Coenens belletrie, maar om diens dissertatie, waarmee hij zijn rechtenstudie in 1892 heeft afgesloten: De Fransche wet tot bescherming van verwaarloosde en mishandelde kinderen.
De titel van dat onpersoonlijke proefschrift zorgt voor associaties met de steeds groter wordende, grenzen overschrijdende olievlek van het seksueel misbruik — van jongeren binnen kerken en andere instituten — dat nu explosief aan het licht komt.
Daarbij kunnen, van ons blikveld uit bezien, meer associaties met het prozawerk van Frans Coenen worden gelegd, zij het uitsluitend met de titels. Als gevolg van, onder meer, Verveling hebben pastoors, priesters, koorleiders en anderen zich vergrepen aan een ‘groepering’ jonge, menselijke wezens die voor hen dikwijls niet meer zijn geweest dan Vluchtige verschijningen, al hebben dezen, als slachtoffers in de tragedies, niet alleen thans, maar reeds indertijd, toen dat alles plaatsgreep, Bleke levens moeten leiden. Het opgroeien tot ‘normale’ Burgermenschen is voor hen veelal een onmogelijke opgave gebleken. Voor hen zal juist de Zondagsrust niet zelden een periode van kwellende herinneringen zijn geweest, en nu blijkt uit tal van Schetsen van de kant van de mishandelden en misbruikten dat zij geruime tijd In duisternis hebben doorgebracht. Studies naar de aard van de personen aan de kant van de macht, die dezen hebben misbruikt, hebben aangetoond dat het juist bij hen, meestal stuk voor stuk, op enigerlei wijze om Een zwakke gaat.

FacebooktwitterFacebooktwitter

Reacties

(Nog) geen reacties op “De dissertatie (1892) van Frans Coenen en de schrijnende actualiteit”

Reageer

Foto van de dag