// artikel

Nederlandse literatuur

Een geval van proto-Nescio uit 1902?

Afgelopen 21 mei is de wereld niet vergaan. Dat viel weer mee. De avond van 20 mei las ik een verhaal – meer een schets eigenlijk – over het vergaan van de wereld. Het heet ‘Laatste avond’ en komt uit de bundel Kleine Prozastukken van Rudolf Atele, in 1911 verschenen bij de legendarische uitgever Meindert Boogaerdt. ‘Atele’ is een pseudoniem van P.H. Ritter jr. Hij schreef ‘in een welluidend, fraai verzorgd Nederlands, maar zonder overladen stijl’. ‘Laatste avond’ is een prachtig verhaal. Sterker nog: als u het mij vraagt lijkt het heel erg op Nescio, inclusief de weemoed, de verhaalde doch niet gedane handelingen en zelfs het ‘zag-ie’. Ritter schreef het verhaal in het najaar van 1902. Bijzonder.

LAATSTE AVOND

Ergens bovenuit de ‘ toren kwam het fijne klokkengeluid en het ging de’ tuin over, die tusschen de muren en hooge huizen was met stille paden en pralige roode bloemen.
Ze zaten in de warande, die aan de tuin lag. Ma stil in haar zwart kleed, dat ruischte als ze even bewoog, en vader zat heel vreemd te kijken, wat was zijn gezicht wit en wat was ’t een moeie man eigenlijk. En Karel zocht aldoor maar vader z’n jas, waar ’t zoo goed zoo zacht van was, en hij wou zoo dicht bij vader zijn, maar z’n lieve vader zat stil en hulpeloos in z’n zachte koude kleêren. Ze praatten opeens over de komeet die was voorspeld, en Karel vroeg of ’t nu heusch waar was. Dan lachte vader wat, maar grootma zei: “ja, we zijn op het einde der dagen.” En Karel ging na’ haar toe, ’n oud vrouwtje, ze lag op ’n lange’ matte’ stoel, in de schaduw van de warande. De anderen zag-ie om ’t rooie tafelkleed, in ’t licht van de lamp, en hij dacht dat grootma zei: “jongetje ’t regent nou zoo zachies in de’ tuin, – dat zijn nou de laatste dagen,” maar ze zei ’t niet.

Toen ging ‘ie naar boven in ’t huis, en in het gaan zag hij de straat die nog daglicht was door al de kamers heen. In de groote speelkamer, daar zat z’n broer voor ’t matglas raam te lezen, in de’ grijze’ schemer – hij zag ‘m zitten, gebukt. “Wat moeten we doen, de wereld vergaat!” “Kom jongen, wees toch niet gek, laten we liever gaan spelen, boven, op de gang.”
En ze gingen spelen in de lange gang, met steenen gebouwtjes, en deeën allebei stil hun werk.
Maar toen Ma zacht naar boven kwam in ’t al donkere huis, toen dacht Karel dat het nu middenin de-nacht was en dat ’t leven van de-dag doorging in de-nacht, dat er nu beneden werd gewekt en gegeten en dat er rijtuigen en menschen waren op straat. – En ’t was zoo gek, toen ze mee moesten met Ma, door ’t kouwe huis en na’ Ma’s slaapkamer – daar stonden ze stil voor de linnenkast met slaperig-wakkere oogen na’ de suikertjes te kijken, die grootma had neêrgelegd op het schoone goed, als belooning voor als ze zoet naar bed zouen gaan.

(Kleine prozastukken, p. 89-91)

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

3 reacties op “Een geval van proto-Nescio uit 1902?”

  1. Nescionazaat/kenner Marius Zeven schreef mij:

    ” (…)de gelijkenis is inderdaad treffend.

    Grappig detail is dat De Uitvreter, de eerste novelle van Nescio ook in 1911 in De Gids is geplaatst.
    Januari 1911 om precies te zijn.
    Mogelijk dat P.H. Ritter jr. daarin aanleiding heeft gezien zijn verhaal uit 1902 toch nog in den openbaarheid te brengen.
    Maar we weten het niet en dat is ook wel weer mooi.”

    Door Sander | 24 mei 2011, 17:08
  2. Volgens Anton van Duinkerken bootste Ritter in dit boekje trouwens Van Deyssel na. In 1948 schreef hij een inleidend essay bij Ritters ‘Vertoog en ontboezeming’, waarin hij onder andere inging op de Kleine prozastukken. Hij vond dat Ritter toen schreef als een ‘epigoon van Tachtig’.

    Door Merijn de Boer | 25 mei 2011, 10:54
  3. Er zit inderdaad in de andere verhalen/schetsen veel van deyssel (en gorter). Heb nog niet alles gelezen overigens, dus wie weet wat we nog vinden

    Door sander | 25 mei 2011, 12:49

Reageer

Foto van de dag