// artikel

Buitenlandse literatuur

Een Vlaming over Swinburne, alias ‘Swine-burner’

De Eerste en de Tweede Boerenoorlog, die de Engelsen en de Boeren in 1898 en 1902 in Zuid-Afrika uitvochten (de eerste keer wonnen de Boeren, de tweede keer de Engelsen), leidden tot felle reacties van de thuisblijvers, niet alleen in Engeland maar in geheel West-Europa. De Nederlanders bijvoorbeeld, voelden zich nog verbonden met hun afstammelingen en vonden dat de Boeren als eerste bewoners van Transvaal, een gebied met ongekend veel goud in de grond, het recht hadden dit gebied te behouden. Bij de Engelsen wakkerde de oorlog tegen de Boeren patriottische gevoelens aan, en ook die gevoelens werden op schrift gesteld.

Één van de Engelse dichters die zijn patriottische sentimenten in verzen uitte, om daarmee zijn landgenoten in Transvaal een hart onder de riem te steken, was Algernon Charles Swinburne (1837-1909). Hij schreef hatelijke strijdsonnetten, waarin hij de Engelse oorlogsvoerders oproept niets en niemand te sparen om zo snel mogelijk een overwinning te kunnen bewerkstelligen.

Dit schoot bij verschillende van Swinburnes overzeese collega’s in het verkeerde keelgat. De Nederlandse dichter Edward B. Koster bijvoorbeeld, over wie ik voor deze website eerder schreef, voelde zich geroepen Swinburne in dichtvorm van repliek te dienen. Hij deed dat met het sonnet ‘Aan Algernon Charles Swinburne’, dat hij publiceerde in De Amsterdammer van 25 februari 1900. Hierin uit hij zijn teleurstelling over het feit dat Swinburne, wiens bundel Songs before Songrise Kosters grote bewondering had gewekt, nu zo’n hatelijke toon aanslaat in zijn poëzie.

Wat ik onlangs ontdekte in de schatkist van de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL), is dat niet alleen Koster zich uit moreel opzicht geroepen voelde zich tegen Swinburnes patriottische oorlogspoëzie te verzetten, maar ook een Vlaamse dichter, die net als Koster de kant van de Boeren koos. In Dietsche Warande & Belfort, een in 1900 opgericht Vlaams tijdschrift, vond ik nog een sonnet aan (of beter: tegen) Swinburne, geschreven door Heirman, pseudoniem voor Hendrik Persyn (1857-1933).

Persyn was een notaris en amateur-folklorist uit het Vlaamse Wingene, die deel uitmaakte van de redactie van DW&B. Door Hugo Verriest werd hij al in 1901 omschreven als een dichterlijk, bedrijvig, en ongebonden persoon. Hij was een Vlaamsgezinde met een christelijk hart, die niet alleen studentikoze verzen schreef, maar zich ook bekommerde om het wel en wee in de wereld. Volgens Verriest had hij vóór 1901 ook al een ‘hooger lied’ geschreven waarin hij de Boeren verheerlijkte. De Zuid-Afrikaanse zaak ging hem kennelijk aan het hart. Met zijn sonnet aan Swinburne uit 1902 deed hij een tweede dichterlijke poging de Boeren te verdedigen en de Engelsen op hun immorele gedrag te wijzen.

Gegeven de voetnoot bij het sonnet schreef Heirman zijn gedicht naar aanleiding van een specifiek sonnet dat Swinburne ter gelegenheid van de Tweede Boerenoorlog had geschreven. Het is op 9 november 1901 gepubliceerd in de Saturday Review en luidt als volgt:

On The Death Of Colonel Benson
Northumberland, so proud and sad to-day,
Weep and rejoice, our mother, whom no son
More glorious than this dead and deathless one
Brought ever fame whereon no time shall prey.
Nor heed we more than he what liars dare say
Of mercy’s holiest duties left undone
Toward whelps and dams of murderous foes, whom none
Save we had spared or feared to starve and slay.

Alone as Milton and as Wordsworth found
And hailed their England, when from all around
Howled all the recreant hate of envious knaves,
Sublime she stands: while, stifled in the sound,
Each lie that falls from German boors and slaves
Falls but as filth dropt in the wandering waves.

Persyn geeft in zijn voetnoot een vertaling van dit gedicht. Vooral het tweede kwatrijn (vertaald als: En stoor U niet om de woorden van leugendichters / die U komen spreken van den heiligen plicht van ’t medelijden jegens de zogen en de jongen van verraderlijke vijanden / die wij niet gespaard en hebben, geen één! maar die wij hebben doen bloeden en van honger vergaan!… ) wekte zijn grote ergernis. Dat is te merken aan Persyns gedicht:

To Mr Swinburne

Ge zit genoeglijk bij uw ‘burning fire’
en heft met lichten duim de schale thé,
ge rookt er rustig een habana meê,
al droomend van een wereldwijd ‘empire’.

Uw droomen baren de edelste gedachten,
die varen nu naar ’t ver ‘South Afrika’,
waar, zonder mededoogen noch gena,
uw ‘royal rifles’ jonge volkeren slachten.

’t Behoort U dan de wereld te beroeren,
gij hebt de gave Gods, ge zijt Poëet,
en ‘k luistre naar uw woord omtrent die Boeren:

‘Bodelt man ende paard, slaat Jongen en de Moeren!
Laat ze al de messen meugen, lief of leed!’

’t Is weerd, o dichter, dat ge Swinburn’ heet.

‘Swine-Burner’ noemt Persyn de Engelse dichter in de voetnoot bij de titel. Want Swinburne is in zijn ogen iemand die verbrandt, verwoest, en naar de smaak van Persyn zelf zou mogen branden. Maar Swinburne zit in zijn fauteuil in alle rust zijn ‘afternoon tea’ te genieten, zijn sigaar te roken en te dromen van een glorieuze toekomst voor het almaar groeiende Britse koninkrijk. En in plaats van dat hij als dichter opstaat om de wantoestanden in Zuid-Afrika aan de kaak te stellen, spoort hij zijn volk in zijn gedichten juist tot moorden aan. Zoiets kon niet worden getolereerd, en evenmin worden begrepen. Voor Persyn was het de aanleiding Swinburne in DW&B voor de allereerste keer te noemen, en meteen in negatieve zin. Het blad was over het algemeen weinig Angelsaksisch georiënteerd, maar dergelijke schokkend dichtwerk dat aan de overzijde van de Noordzee werd geproduceerd, viel kennelijk toch op en moest met krachtige poëzie worden tegengesproken.
_______________
Literatuur:
– Jan Persyn, De wording van het tijdschrift Dietsche Warande en Belfort en zijn ontwikkeling onder de redactie van Em. Vliebergh en Jul. Persyn (1900-1924). Gent 1963.
– Hugo Verriest, Twintig Vlaamsche koppen. Tweede deel. Rousselare 1901.
Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1902, p. 166.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

6 reacties op “Een Vlaming over Swinburne, alias ‘Swine-burner’”

  1. Het is natuurlijk pure speculatie, maar het zou kunnen dat op de achtergrond van de (morele) afkeer van Koster cs de herinnering aan/kennis van Swinburne’s vroege,’immorele’, poezie meespeelt. Zie daarover bijv. Praz.

    Door sander | 13 oktober 2011, 11:42
  2. Ik denk dat dat hier niet het geval is. Koster heeft namelijk drie artikelen over Swinburne geschreven in De Gids en daarin is hij heel lovend over diens vroege poëzie. Over de immoraliteit van ‘Poems and Ballads’ lijkt hij in het geheel niet te vallen. En in het sonnet ‘Aan Swinburne’ zet hij ook de vroege bundel ‘Songs before Sunrise’ af tegen Swinburnes latere oorlogspoëzie en betreurt hij het dat diens oeuvre deze (maatschappelijke, haatdragende) wending heeft genomen…

    Door Anne | 13 oktober 2011, 13:58
  3. Dan lijkt het me ook niet, neen. Wist niet van het bestaand van die opstellen, welke jaren verschenen die?

    Door sander | 13 oktober 2011, 14:04
  4. Het zijn drie opstellen met de titel ‘Hedendaagsche Engelsche dichters’ in De Gids van 1908. Eentje daarvan gaat in z’n geheel over Swinburne.

    Door Anne | 13 oktober 2011, 14:18
  5. Hier wat ‘nieuwe’ Swinburniana:

    http://rond1900.nl/?p=17650

    Door sander | 1 april 2012, 13:48
  6. Het was onder Swinburne’s Engelse critici een goede traditie om ’s dichters naam te verbasteren; zo werd hij eerder al gedoopt tot ‘Swift-burn’, ‘Swine-born’ en ‘Sin-burn’. ‘Swine-burner’ was ik eerder nog niet tegengekomen.

    Door Kasper | 8 mei 2012, 16:44

Reageer

Foto van de dag