// artikel

Buitenlandse literatuur

Huysmans & Alberdingk Thijm

Ik las eens ergens bij Prick (of iemand vertelde het mij, of beide) dat J.K. Huysmans en Catharine Alberdingk Thijm (de zus  van Lodewijk van Deyssel) met elkaar gecorrespondeerd hebben. Gisteren vond ik hiervan de bevestiging in Baldicks Huysmans-biografie (details volgen nog). Betekent dat dan dat Prick de brieven van Huysmans heeft liggen? Zou zo maar kunnen.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

4 reacties op “Huysmans & Alberdingk Thijm”

  1. Volgens mij heeft Prick zeker geen brieven van Huysmans liggen, want dan had hij ze beslist gepubliceerd.
    Wél heeft hij overigens drie brieven van Stéphane Mallarmé aan Frans Erens gepubliceerd (uitgave Amsterdam, De Lange Afstand, 1991; oplage van 60: 10 gebonden en 50 gebrocheerde exemplaren).

    Door Evert Paul veltkamp | 24 augustus 2006, 14:19
  2. Ja, denk ik eigenlijk ook. Hoopte het eigenlijk meer.

    Door bink | 24 augustus 2006, 15:40
  3. Baldick geeft inderdaad een paar anecdotes over Catharina (details zijn hier nooit gevolgd?). De aardigste is wellicht dat Catharina vlak voor kerst een brief aan JKH verstuurde, poste restante de Heilige Maagd, per adres kathedraal van Chartres, die inderdaad ter plekke de schrijver ter hand kon worden gesteld.

    In de Alberdingk Thijm collectie in het Katholiek Documentatiecentrum van de Radboud Universiteit bevindt zich een klein aantal brieven van JKH’s peetoom Constant Huijsmans aan de stiefvader van Thijm’s echtgenote, beeldhouwer Louis Royer (brieven circa 1845, als ik het mij wel herinner). Oom Constant was doende met het van onder een dikke kalklaag te voorschijn toveren van een gotisch grafmonument in de Grote Kerk te Breda (op een steenworp afstand van de KMA, waar hij van 1838 tot 1865 tekenleraar was, toen hij via tussenkomst van Thorbecke in Tilburg aan de nieuwe Rijks HBS werd aangesteld, alwaar tussen zijn eerste groep leerlingen zo’n anderhalf jaar lang de jonge Vincent van Gogh zat, die later dan weer zou zeggen dat hij “meer over de perspectief had willen leren” – waarbij ik dan weer wil verwijzen naar oom Constant’s gelijknamige, tweedelige, nogal langdradige bijdrage aan De Gids van 1868) – Royer was verbonden aan de kunstacademie te Amsterdam en bemoeide zich op landelijk niveau met monumenten.

    In hetzelfde KDC bevindt zich ook het archiefje van Cornélie Kruise, die zou moeten zijn gepromoveerd op JKH: ik herinner mij het typoscript te hebben ingekeken, met meteen aan het begin een bijzonder fantasierijk stukje familiegeschiedenis. In dit archiefje bevindt zich ook ten minste éen kaart van Robert Baldick. Kruise was Baldick’s informant inzake de brieven aan Arij Prins, maar dan wel van de slechtste soort, namelijk door te stellen dat de meer dan 200 brieven geen nieuw licht zouden werpen op het leven van JKH. Nou ja, geen licht dat een nette katholieke dame zou willen zien schijnen, maar dat zei ze er niet bij.

    Overigens heet oom Constant in de briefwisseling tussen Potgieter en Busken Huet, beiden zojuist uit de Gids-redactie gewerkt, “de verveelende neef van Veth” en “onze vriend van het regtlijnig teekenen”. Hij was levenslang bevriend met de latere professor P.J. Veth (zoals Multatuli zei: “Wie niet verbaasd staat van de kennis van prof. Veth, heeft geen verstand van kennis”) die het veel minder lang zou volhouden aan de KMA. Ook bioloog Burgersdijk verlaat de KMA, voor de HBS te Deventer, alwaar hij zich spoedig ontpopte tot Shakespearevertaler – oom Constant’s commentaar op Cymbeline is kostelijk, zelf mocht hij liever Molière citeren.

    Er is voor de huysmansien niet meer dan éen brief uit de 40 jaar omspannende, incompleet overgeleverde serie brieven van oom Constant aan Veth (het grootste hiaat wordt merkwaardig genoeg gemarkeerd door vooraf een brief waarin hij Veth feliciteert met zijn aanstaande huwelijk, en achteraf een condoléancebrief bij het overlijden van zijn eerste vrouw) – éen brief dus waarin neef Georges (JKH) ondubbelzinnig ter sprake komt als “een allerliefst jongmensch”. Dit in het Parijs van eind 1871, dat zijn wonden likt van het Pruissische beleg en de Commune. Oom Constant geeft kort de wederwaardigheden van zijn neef in militaire dienst, waarin we in het heel kort de routebeschrijving vinden van de tocht die JKH zelf in Sac au dos. zou beschrijven. Er is ook een wat latere brief waarin gewag wordt gemaakt van twee heren van een Parijs ministerie die een korte vakantie in Tilburg zouden komen maken, wat waarschijnlijk neef Georges is met wellicht een van zijn bentgenoten.

    Aan het begin van dezelfde brief lezen we echter nog dat oom’s vakantie is bedorven doordat de financiën van een van zijn zussen in het ongerede zijn geraakt, en dat hij haar uit de brand moet helpen met een financiële bijdrage tot aan zijn dood – wat weer kan verklaren waarom er na oom’s overlijden in 1886 niets meer over bleek zijn geld of van zijn bekende collectie kunstprenten. JKH dacht genept te zijn door zijn Nederlandse familie – waarbij de straalkatholieke notaris/krantenman Leesberg een belangrijke rol heeft gespeeld (die Prick in een heel ander verband, namelijk in de heruitgave van Thijm Jr’s De wereld van mijn vader nog wel, maar in de Van Deyssel-biografie niet meer met een sprekende anecdote wegzet). In de uitgave van de brieven aan Arij Prins wordt Leesberg gespeld als “Loesberg” (wellicht uit verwarring met de voornaamloze schrijver) maar op de fotokopieën van het Letterkundig Museum is toch echt een dubbele -ee- te lezen. Leesberg heeft zich nog als dichter geroerd, bijvoorbeeld met Herdersdichten: mijn exemplaar van de 2e druk (‘s-Hertogenbosch 186x) heeft opdikkende kruizen op de platten, maar in plaats van hellenistische bucolica vinden we larmoyante drama’s uit de Goede Week en dergelijke.

    Aan het eind van nog steeds dezelfde brief (when it rains, it pours) staat op een ongure avond opeens ene Poyard aan de deur in Tilburg, op weg naar Den Haag. Hij wordt geïntroduceerd als de huisleraar van de jonge prins Napoleon (de zoon van de naar Engeland gevluchte keizer Napoleon III – wiens vader Lodewijk Napoleon overigens Tilburg nog stadsrechten had gegeven). Wij kennen deze Poyard intussen ook als de man wiens vertaling van Pindarus in meerdere opzichten Louis Couperus in staat heeft gesteld zijn fameuze De Ode te schrijven. In de uiterst leesbare, meer dan voorbeeldige biografie van Baldick komen we Poyard niet tegen, echter Baldick laat af en toe details weg. Zo opent de biografie met een anecdote de speelt tijdens de zwangerschap waaruit JKH zou worden geboren. Tijdens een gezellig avondje stellen huisvrienden een schertscontract op waarin een weddenschap wordt afgesloten op het geslacht van het kind, met als inzet een baba au rhum. De bron voor deze anecdote meldt keurig de getuigen die het contract tekenden, waaronder Poyard …

    … waarbij ik het voorlopig maar even wil laten.

    Door Adriaan SImons | 3 juli 2008, 19:18
  4. Beste heer Simons,

    Dank voor deze geweldige, fascinerende, reactie!! Ik ga deze rustig herlezen en een en ander nazoeken en kom hier hopelijk spoedig op terug! Ik zelve behalve dit log te bereiken op sjbink@hotmail.com
    vrgr
    Sander

    Door Sander Bink | 5 juli 2008, 14:17

Reageer

Foto van de dag