// artikel

Buitenlandse literatuur

Ongeluk in de liefde: geluk in de poëzie? Over W.B. Yeats en Maud Gonne

Momenteel huisvest de Utrechtse universiteitsbibliotheek een tentoonstelling over William Butler Yeats (1865-1939), die zaterdag 12 mei afgesloten wordt met een symposium. De tentoonstelling belicht zijn Ierse nationalisme, esoterische denkbeelden en latere poëzie, maar ook de belangrijkste gebeurtenis van zijn leven: zijn liefdesrelatie – of beter: het gebrek daaraan – met de Ierse nationaliste Maud Gonne (1866-1953).

Hoewel Yeats met zijn onbeantwoorde liefde in goed dichtersgezelschap is, zullen weinigen zo standvastig geweest zijn. Op zijn vierentwintigste ontmoet hij Gonne, en rond 1900 onderneemt hij niet minder dan vier huwelijksaanzoeken. Na alle vier afgewezen te hebben, trouwt Gonne in 1903 een ander. Als dit huwelijk op de klippen loopt – Yeats is inmiddels begin vijftig – staat hij meteen klaar om haar nógmaals ten huwelijk te vragen. Saillant detail is dat de dichter, andermaal afgewezen door Gonne, een jaar later ook haar 23-jarige dochter maar eens ten huwelijk vraagt. Het antwoord laat zich raden.

Romantische mythen
Sigmund Freud had hier vast een hardnekkige vorm van romantisch masochisme gezien. Maar Yeats was een dichter, geen psycholoog, en in zijn werk smeedde hij zijn gevoelens om tot heldere, krachtige poëzie. Uit zijn eerste bundels, Crossways (1889), The rose (1893) en The wind among the reeds (1899), spreekt de intense platonische verliefdheid van zijn jonge jaren, en zijn wens om in navolging van Petrarca, Dante en Shelley ‘the old high way of love’ te gaan.

Zo tovert de dichter Gonne in The rose of the world (1893) om tot een mythisch figuur, die de noodlottige schoonheid van Helena van Troje en Deirdre doet herleven:

Who dreamed that beauty passes like a dream?
For these red lips, with all their mournful pride,
Mournful that no new wonder may betide,
Troy passed away in one high funeral gleam,
And Usna’s children died.

Niet schoonheid, wil de dichter maar zeggen, is vergankelijk als een droom, maar ‘we and the labouring world are passing by’. Zijn idealen mogen nog in overeenstemming zijn met de negentiende-eeuwse ‘Cult of Beauty’ – tevens titel van een lopende tentoonstelling over het Estheticisme – maar zijn sobere, statige poëzie wijst al vooruit naar andere tijden. En in de sombere klanken van ‘all their mournful pride’, en vooral het schitterende ‘one high funeral gleam’, openbaart zich al zijn meesterschap van de poëzie van het Engels.

Een nieuwe weg
Gonnes vierde afwijzing en uiteindelijke huwelijk met een ander markeert een breekpunt in Yeats’ dichterschap. Na 1903 wordt de bitterheid scherper. De titels van de ‘liefdesgedichten’ in In the seven woods (1904) zeggen eigenlijk al genoeg: Never give all the heart, O do not love too long, The folly of being comforted. Tegelijk wordt de taal leniger en de Romantische dictie steeds meer weg geschaafd. In Responsibilities (1914) schrijft Yeats hoe zijn vroege poëzie, als een mantel die hij weefde van mythen en oude verhalen, door dwazen gestolen en beschimpt werd. Waarop hij besluit: ‘Song, let them take it, / For there’s more enterprise / In walking naked’.

Intussen worden de Engelse letteren opgeschud door nieuwe dichters – eerst T.E. Hulme en later T.S. Eliot en Ezra Pound – die niets van de negentiende eeuw moeten hebben. Yeats raakt bevriend met Pound en maakt zich verder los van zijn voorgangers. Hij vindt een eigen stijl – zowel intens persoonlijk als beladen met esoterische symboliek – die in 1923 een Nobelprijs oplevert en later de mysterieuze meesterwerken The tower (1928) en The winding stairs (1933). Toch verdwijnt Gonne nooit geheel van het toneel. Het allerlaatste gedicht dat Yeats schrijft, in reactie op Thomas Manns pleidooi voor politiek bewogen schrijvers, eindigt met de woorden:

And maybe what they say is true
Of war and war’s alarms,
But O that I were young again
And held her in my arms!

Wat als…
Rest de vraag wat er gebeurd was als Maud in 1899 of 1901, of zelfs nog in 1916, een huwelijksaanzoek van Yeats geaccepteerd had. Zou de bundeling van hun politieke en poëtische krachten beiden tot grotere hoogten gestuwd hebben? In Words, uit The green helmet and other poems (1910), stelt de dichter zelf de vraag, om meteen een heel ander antwoord te suggereren:

That had she done so who can say
What would have shaken from the sieve?
I might have thrown poor words away
And been content to live.

Zo Yeats gelijk had, dan mogen we Gonne wel bedanken voor haar onwankelbare antwoord op zijn beden. Had zij toen anders gekozen, dan was het Engels nu wellicht een blijvende schoonheid armer geweest – een schoonheid die, zolang de kracht en betovering van poëtische taal erkend worden, nooit zal vervliegen als een droom.

De verzamelde gedichten van W.B. Yeats zijn hier te vinden.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

(Nog) geen reacties op “Ongeluk in de liefde: geluk in de poëzie? Over W.B. Yeats en Maud Gonne”

Reageer

Foto van de dag