// artikel

Nederlandse literatuur

‘Een sukklend dekadentje’ — Mokum en de oververfijning

In het nog immer lopend onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlandse decadentisme begint de hoofdstedelijke variant langzamerhand meer contour te krijgen. Den Haag is zoals u weet het epicentrum, met zijn Beardsley-cult, Couperus, symbolistische schilders als Toorop of Sarluis, en diverse verlopen adellijke luitjes. In Mokum was men te nuchter voor dat verwijfde gedoe, zou je denken. Máár… Amsterdam heeft natuurlijk wel Jacob Israël de Haan: de schrijver van de meest scabreuze en die hard-decadente teksten uit de ganse Europese literatuur. Dat de Stichting Jacob Israël de Haan nu weer in leven is geroepen om het Nederlands volk aan te zetten om Pathologieën of ‘De verkrachting van Jezus’ te lezen is natuurlijk goed nieuws en geeft de studeerkamerdecadent hoop.  Overigens: de slotzin van ‘De verkrachting van Jezus’ — ‘De Duivel boog zijn mond op mijn mond … Hij kuste mij, en hij noemde mij: ‘lieveling’  — zou zo voor een historisch-decadente variant van de Tzum-prijs genomineerd kunnen worden.

Deze studeerkamerdecadent nu kwam recent tot zijn niet geringe bibliofiele vreugde in het bezit van enige complete jaargangen van het Amsterdamse Levensrecht – Maandschrift ter Gedachtenverspreiding: rarisimo! Een soort anarchistisch/socialistisch periodiek waarin veel aandacht wordt geschonken aan de schone kunsten en in het bijzonder de Europese cultuur en literatuur van rond 1900. Zo bevat het prenten van Steinlen, Félicien Rops (‘Satan zaait onkruid’), en een artikel over het Parijse werk van Sluyters. Daarnaast zijn er opvallende vertalingen van Peter Altenberg, Villiers de L’Isle Adam (‘Hertog van Portland’), Bjönesterne Björson en Nietzsche, en een bewerking van ‘Ode aan mijn ziel’ van Lord Alfred Douglas door Edward Koster. En als neus van de decadente zalm vind je er — vandaar mijn bibliofiele vreugde — de eerste publicaties van enkele van De Haans meest nerveuze teksten: naast ‘De verkrachting van Jezus’, ‘Nerveuze verzen’ (‘Ik zocht het leven, en ik vond den Dood,/Den goeden dood’), een mij onbekende illustratie bij zijn gedicht ‘De lijster’ (zie afbeelding), en ook nog eens belangrijke, want positieve besprekingen van de tweede druk van Pijpelijntjes, alsmede een uitvoerige en genuanceerde recensie van Pathologieën door Ed. Coenraads. Johan Schmidt besluit zijn Pijpelijntjes-bespreking stellig: ‘Jacob de Haan mijn respect/Pijpelijntjes is ongewoon belangrijk werk./Daarom kunnen weinigen het waarderen.’

Tegelijkertijd, en dat illustreert denk ik de ambivalente Amsterdamse houding tegenover het decadente, verschijnt medio 1908 een trio ‘Hekeldichtjes’ over het ‘dekadentje’. Zo werd dat blijkbaar in Mokum gezien; al eerder kwam deze term voorbij, in dezelfde jaren ook,  in verband met oer-Amsterdammer Nescio. Of de auteur, ‘C.H.’, van dit hekeldicht ‘het model voor een wonderlijke kerel’ op het oog had, of misschien wel de Mokumse decadent en medescribent Jacob Israël De Haan, wiens Pathologieën dan verschijnt, daar geeft de tekst helaas geen aanwijzingen voor. Het is in ieder geval een niet ongeestig gedicht over een type dat in die jaren ook in Amsterdam opdook:

I.

DEKADENTJE

Ik ken een aardig ventje,
een sukklend dekadentje,
een dichtertje in spe;
het heeft na heel lang zoeken
in vele dikke boeken,
gevonden . . . . raad eens wat?
dat het een zieltje had!

Dat zieltje is nu zijn leven
het object van zijn streven,
daar buiten gaat hem niets:
hij kweekt als fijne krentjes
zijn zieke sentimentjes,
wijl hij ze troost en streelt,
of ze – in een vaerske – kweelt.

Hij vindt zich-zelf verrukk’lijk
en zegt dit ook nadrukk’lijk
in ieder zielsgedicht;
aan ‘smart’ zit ie te knabbelen,
aan ‘liefdes-vreugd’ te sabbelen,
veel dagen achtereen,
vooral bij manescheen.

Ik hoop maar voor mijn vrindje,
dat sukkelende kindje,
dat het weldra geneest,
want anders kan ’t gebeuren
dat ’t leven langs zijn deuren
voorbijging zonder dat
het hem gespijzigd had.

Dan zou zijn ziel verdroogen,
de traantjes in zijn oogen,
ja zelfs zijn koud-bleek bloed!
En ach… zijn lieve versjes…
ze zouden als asperges
verrotten in den grond,
want… niemand die ze vond!

II

INSPIRATIE.

Mijn vrindje wou een versje maken
na ’t diner,
en rookte om in stemming te raken
een sigaar of twee.

Hij zag der wolkjes krink’lend blauwen
peinzend na,
de handen op ’t buikje gevouwen,
– een ouwe pa!-

Toen ving het zoete dicht-verbeelden
spelend aan:
‘O lokken blond, die mij eens streelden,
toen de maan…’

Maar het grommel-rommeld’ in ’t bollend buikje
van ’t gedigereer…
dat sloeg de dichtvlam onder ’t pruikje
plots ter neer.

Nog eenmaal ving hij aan te dichten:
‘O lokken blond…’
daar kwam zoo-waar een boertje zwichten
in zijn mond.

Het trage bloed, belaân met stoffen,
kroop omhoog,
vertroebelde ’t brein en ging verdoffen
‘t poëtisch oog.

Een rekk’rig trekken ging door-loomen
‘s dichters lijf,
verdoezelde ’t restantje droomen
aan ‘t blonde wijf…

Het bewustzijn-vuurtje smeulde, stikte
en verliep…
de oogjes loken, ’t hoofdje nikte —
… mijn vrindje sliep.

III.

HET KLASSIEKE

Mijn vrindje houdt veel van ’t klassieke
der Grieksche en Romeinsche cultuur –
maar hij-zelf zit vaak als een zieke
in een hoekje gedoken bij ’t vuur.

Hij haat deze grauwe dagen,
heel deze houding-looze tijd —
maar verbeuzelt zijn tijd met te klagen
en voelt geen roeping voor strijd.

Hij mint zoo het sierlijk bewegen
in het lange Grieksche gewaad-
maar hem kom je dagelijks tegen
in confectie, stapt slentrend langs straat

Hij gewaagt van Romeinsche rethoren
die spraken wel acht uren lang,
maar van de huidige agitatoren-
daar weet-ie niet heel veel van.

Hij roemt het leven der Grieken,
hun liefde voor schoonheid en kracht –
maar om zelf eens te gymnastieken –
daar heeft ie nooit aan gedacht.

Hij droomt zich weg in die dagen
en is bang voor de werkelijkheid –
en als de werkelijkheid hem komt plagen
dan is hij zijn levenskracht kwijt.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

(Nog) geen reacties op “‘Een sukklend dekadentje’ — Mokum en de oververfijning”

Reageer

Foto van de dag