// artikel

Architectuur en ontwerp

Nederlands vernieuwingsaardewerk 1876-1940

Omslag van 'Het Keramiek Boek'In de Nederlandse bijdrage aan de Art Nouveau is de aardewerkindustrie een belangrijke voortrekker. Dit vernieuwingsaardewerk uit de periode 1876-1940 is wereldberoemd en het volledig overzicht van deze productie is nog tot 5 november 2006 in het Gemeentemuseum Den Haag te zien. Titus M. Eliëns schreef ter gelegenheid hiervan Het Keramiek Boek, een rijk geïllustreerd overzicht van alle ontwerpers en producenten van keramiek uit deze bloeiperiode.

De Porceleyne Fles
De Delftse fabriek De Porceleyne Fles is vernieuwend op het gebied van techniek. Het introduceert in 1891 het Berbas-aardewerk: eenvoudige handgedraaide vazen met Franse en Japanse en een opvallende metaalglans. In 1897 wordt het roodbruine Jacoba-aardewerk met ingekraste, abstracte decors gepresenteerd als Nederlands antwoord op de Franse keramiek. Het Nieuw Delfts brengt De Porceleyne Fles vanaf 1910 grote roem. Dit islamitisch geïnspireerde aardewerk in groen, blauw en rood en versierd met plant- en diermotieven wordt bijzonder goed ontvangen. Slechts 5% van de totale productie bestaat uit dit aardewerk, de overige productie blijft traditioneel, zoals het Delfts Blauw.

Rozenburg
Architect T.A.C. Colenbrander (1841-1930) werkt bij de Haagse Plateelbakkerij Rozenburg aan keramiek met grillige vormen en abstracte decors en bepaalt daarmee de grote bekendheid van de fabriek. De invloed van Japan is ook in zijn werk goed zichtbaar in decoratie en thematiek. Decennia voordat het Nieuw Delfts wordt geïntroduceerd, produceert Rozenburg al op het Nabije Oosten geïnspireerde keramiek. Met het aantreden van Jurriaan Kok (1861-1919) in 1894 legt Rozenburg zich weer toe op machinaal gefabriceerd maar handmatig gedecoreerd kunstaardewerk met natuurmotieven. Deze manier van versieren wordt vanaf 1900 gebruikt op het eierschaalporselein waarmee de fabriek internationale faam verwerfd. Het Juliana-aardewerk is het laatste nieuwe product voordat de fabriek in 1917 sluit. Dit keramiek is op het grote publiek gericht en heeft koeien, molens en klederdracht in een diepblauwe omlijsting als motief.

Versierende en constructieve richting
Rond 1895 ontstaat de versierende richting – de Nederlandse bijdrage aan de Art Nouveau – die zich onderscheidt door naturalistische of abstracte decoraties ontleend aan de natuur. Diverse fabriekjes brengen dit keramiek op de markt waarbij men teruggrijpt op het keramiek van Rozenburg en de naturalistische decors van het eierschaalporselein. De constructieve richting laat zich in haar ontwerpen leiden door de functie van het voorwerp: vorm en decoratie worden bepaald door en ondergeschikt gemaakt aan het gebruik. Het doel van de kunstenaar is het vanuit een socialistische visie maken van voor iedereen bereikbare esthetisch verantwoorde producten. Complete eetserviezen worden geproduceerd naar ontwerpen van o.a. H.P. Berlage (1856-1934), waarbij de vormen van handvatten en tuiten logisch aansluiten bij de hoofdvorm. De kwaliteit van het keramiek is echter laag en de productiekosten te hoog. Met de introductie van machines na de Eerste Wereldoorlog ontstaat het idee dat schoonheid ook alleen uit vorm kan bestaan, terwijl met de verbetering van de glazuurtechnieken in de jaren 20 decoratie de boventoon gaat voeren. Met name in de constructieve richting speelt de zelfstandige kunstpottenbakker een belangrijke rol.

(Bron: Titus M. Eliëns, Het Keramiek Boek. Nederlands vernieuwingsaardewerk 1876-1940, Waanders, Zwolle, 2006, € 14,95)

FacebooktwitterFacebooktwitter

Reacties

(Nog) geen reacties op “Nederlands vernieuwingsaardewerk 1876-1940”

Reageer

Foto van de dag