// artikel

Nederlandse literatuur

‘Hoe spijtig! Het moest een grandioos stadsepos worden…’ Over De Lemen Torens van Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne (2)

Ontstaans- en publicatiegeschiedenis
Zoals in het vorige artikel al duidelijk werd, geeft Teirlinck in zijn inleidende stukken tot De Lemen Torens een ietwat verward en onvolledig verslag van de ontstaans- en publicatiegeschiedenis van de roman. Daarom hier een reconstructie.

Teirlinck en Van de Woestijne beginnen twintig maart 1916 te schrijven aan De Lemen Torens; in overeenstemming met de atmosfeer waarin hun literaire werk baadt, ontmoeten de auteurs elkaar laat op de avond, liefst in een bar. De roman eindigt met Van de Woestijnes vijfde fictieve brief. Het werk dat opgezet was als een kroniek van de vooroorlogse tijd en de daaropvolgende bezetting werd niet afgemaakt. Dit is bizar, gezien de eerdere verklaring van beide auteurs een Image3omvangrijk werk in twee delen te willen schrijven, één over de vooroorlogse periode en één over het leven tijdens de bezetting (XXXIX). [1] De roman over de vooroorlogse periode diende als voorzet voor datgene wat de auteurs echt wilden evoceren, namelijk de ondergang van het geliefde fin de siècle, van de uiteenspattende ‘oude wereld’. Teirlinck omschrijft deze opzet als:

‘het [was] “de toestand onder de bezetting […]” die ons had aangegrepen. Wij [Teirlinck en Van de Woestijne] waren kinderen van de vrede, verwende kinderen, en moesten nu ervaren hoe de oorlog een mensheid tot op de bodem omspoelen kan. Dat zouden wij tonen, dat zouden wij uitschreeuwen, een nog nooit geslaakte kreet van het beschaamde zaad en het gedoemde bloed, een kreet van de dood en het leven. En ons eerste boek zou een expositie zijn, een omstandigheid van tijd en plaats, een soort aanhef, waar alle elementen van het bouwstuk zouden op hun plaats worden gezet.’ (XXXIX).

De metafoor van de roman als gebouw is interessant, want zij leert ons iets over de titelkeuze en uiteindelijke toekomst van de roman; zo schrijft Van de Woestijne in een van zijn carnet de notes ‘Bij Teirlinck geweest voor onzen roman. Ik vind den titel De Leemen Torens. Want wij bouwen den toren: hij is van aarde, en brokkelt langs onderen af naarmate wij hem langs boven optrekken.’ (XXVII). De profetische kwaliteit van deze laatste zin wordt pas later echt duidelijk. In de roman zelf lezen we aan het einde van Van de Woestijnes eerste brief, getekend te Gent, 3 augustus 1913, dat de titel ‘De lemen Torens’ hem lief is, ‘of [hij] hem zelf had uitgevonden’ (125). Dit is een fraai stukje metafictie: Teirlinck en Van de Woestijne zijn in het verhaal niet de eigenlijke schrijvers van deze ‘De lemen Torens’ maar laten een ietwat verlopen romancier optreden, de ‘magere romanschrijver’ Verschaere (56). Verschaere zal evenals Teirlinck en Van de Woestijne jarenlang werken aan zijn ‘enorme roman, […] dat stadsepos’ (56), om, na te aarzelen ‘tussen zelfmoord en Trappist-worden’ (!) uiteindelijk krankzinnig te worden (125, 728). Zo verwordt Verschaeres onvoltooide roman van een literaire knipoog naar een onbewuste, maar frappante toekomstvoorspelling voor de eigenlijke roman van Teirlinck en Van de Woestijne.

De eventuele verwarring die deze mengeling van feit en fictie teweegbrengt, wordt geëxpliciteerd als Teirlinck in zijn ‘Ter inleiding’ verhaalt over het herlezen van oude notities van tijdens het schrijven van de roman, zo’n veertig jaar geleden:

En bij mijn eigen notities ontdek ik een kurieuze: Wanneer V… het opgeeft een roman te schrijven, zegt hij tranerig: hoe spijtig! Het moest een grandioos stadsepos worden…enz. En hij vertelt het onderwerp in grote trekken dat wij behandelen. Dan zegt Karel: ‘We nemen de titel over!’ De Leemen Torens! En Karel heeft toch in zijn memento genoteerd dat hij de titel heeft gevonden? Maar er is geen twijfel: de titel is van hem, en ik herinner het me heel goed. Alleen het geval met die V… kan ik me niet herinneren. (XXXVI-II).

Teirlinck haalt de realiteit en de verhaalwerkelijkheid door elkaar. Van de Woestijne heeft wel degelijk de titel De Lemen Torens verzonnen, en niet gestolen van de mysterieuze V…, waarachter waarschijnlijk het romanpersonage Verschaere schuilgaat; de notitie is een aantekening voor een eventuele gebeurtenis in het verhaal waarbij de auteurs-als-personages besluiten samen een roman te schrijven. Van dubbelzinnigheden gesproken.

Nadat de roman grotendeels in De Gids verscheen, tijdens de jaren 1917-1918, werd het project in oorlogstijd door Teirlinck stilgelegd en in vredestijd niet meer hernomen. Teirlinck geeft een pessimistische toekomstvisie ten gevolge van de oorlog als reden (XXXIX). Maar ook andere zaken zouden meespelen. Vanaf de herfst van 1917 zorgen externe factoren ervoor dat het schrijfproces geleidelijk aan werd stopgezet. Het verhuizen van het gezin Van de Woestijne naar Pamel, Teirlincks verantwoordelijkheid voor zijn zwagers bedrijf, de ziekte van Van de Woestijnes vrouw en Teirlincks afwachtende, lichtjes geïrriteerde houding ten opzichte van Van de Woestijnes verzoek tot voltooiing en publicatie hebben het verdere schrijfproces eerst bemoeilijkt en dan doen stopzetten in februari 1918 (LI-IV).

De publicatie in De Gids omhelst een interessante geschiedenis. Redacteur Johan de Meester en redactiesecretaris H. T. Colenbrander gingen onmiddellijk in op Teirlincks voorstel tot publicatie (XLIX-L); dat de redactie van De Gids vrijwel direct instemde De Lemen Torens op te nemen, verklaart Teirlinck vanuit het feit dat het tijdschrift eerder zijn andere Brusselse stadsroman Het Ivoren Aapje als feuilleton zou hebben uitbracht. Hier vergist de oude Teirlinck zich echter. De bijgevoegde stukken dateren dan ook uit 1960, en hij schrijft verontschuldigend ‘Ik weet het niet meer’ (LXXIII). Teirlinck publiceerde Het ivoren aapje, met de ondertitel Poppenspel en niet het uiteindelijke Roman van Brussels leven, gedeeltelijk in de dertiende en veertiende jaargang (1907-1908) van het tijdschrift De XXe Eeuw, aldus het voorbericht van de Roman en Paul Pelckmans (in Wauters (ed.) 1997: 178-192); het is waarschijnlijk een onschuldige vergissing.

In elk geval was het over de grens krijgen van de maandelijkse afleveringen van De Lemen Torens voor De Gids een probleem in oorlogstijd. Uitgeverij P.N. van Kampen & Zoon, waaraan het tijdschrift destijds verbonden was, was gevestigd te Amsterdam. De kwestie werd opgelost door de bezetters zelf. Met de hulp van Rudolf Alexander Schröder (of Schroeder), Duits dichter, vertaler van Vlaamse schrijvers en als censor verbonden aan de Politische Abteilung, werden maandelijks de afleveringen Amsterdam binnengesmokkeld (XLIX-L); dit alles is echter nog min of meer onbetreden terrein (zie hierover en gerelateerde zaken Theunynck 2007; Tiedau 2003; Hooper 1990; Eeckhout 1940; Roland 1999). Er bestaat waarschijnlijk nog ergens de briefwisseling tussen beide partijen (hoop ik!), maar waar deze zich bevindt weet ik niet. Als iemand hier meer over weet, dan mag men mij daar altijd op wijzen. Ik weet wel dat van Schröders hand onder andere in 1917 een Duitse vertaling van Teirlincks Johan Doxa. Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker (1917) bij de uitgeverij Insel Verlag in Leipzig verscheen, getiteld Johann Doxa, Szenen aus dem Leben eines brabanter Gotikers, von Herman Teirlinck. Übertragung von Rudolf Alexander Schröder, en van Teirlinck zou in 1961 een essay verschijnen getiteld ‘Rudolf Alexander Schröders uitvaart’ (opgenomen in Verzameld werk van Herman Teirlinck. Vol. IX (1973).

In september 1917, in de periode dat de stadsroman nog in De Gids werd gepubliceerd, ontvangt Teirlinck een brief van Van de Woestijne, waarin die laatste zijn bezorgdheid uitspreekt over Teirlincks onafgewerkte stuk voor de oktoberuitgave van De Gids. Ook Gidsredacteur Johan de Meester stuurt Teirlinck een brief, waarin hij hem dringend verzoekt het stuk te voltooien (LIII). Hoewel Teirlinck uiteindelijk de stukken tot en met de uitgave van maart 1918 zou schrijven, stopt hij in februari 1918 met het schrijven aan De Lemen Torens. Ondanks Van de Woestijnes aandringen zou Teirlinck het slot nooit schrijven en in de aprileditie van De Gids, 1918, lezen we de volgende noot van de redactie: ‘Door omstandigheden buiten de schuld der redactie kan een gedeelte dat hierop had zullen volgen en het slot van het Eerste Boek der Leemen Torens zou hebben uitgemaakt, haar niet bereiken. De publicatie wordt hiermede gestaakt’ (in jaargang 82 van De Gids (1918): 433). De uitgave in De Gids eindigt met de vijfde en laatste brief van Teirlinck en oorspronkelijk zou deze brief ook het slot van het eerste boek hebben bevat.

Deze zogezegde échec littéraire stond de publicatie van het werk niet in de weg. Integendeel, al tijdens haar verschijnen De Gids stuurt Van de Woestijne Teirlinck een brief, gedateerd 27 september 1917, waarin die eerste spreekt van een eventuele uitgave van het werk op de Nederlandse markt. Dit zou zo snel mogelijk na het volledige verschijnen ervan in De Gids moeten gebeuren. Bij welke uitgeverij dit zou gebeuren wordt niet verduidelijkt (LIII). Er gebeurt echter iets onverwachts: Leo Simons vraagt Teirlinck een werk voor zijn Wereldbibliotheekreeks Nieuwe Romans en suggereert een verkorte versie van het voltooide boek van De Lemen Torens (LV). Teirlinck heeft zijn twijfels, maar Van de Woestijne gaat in op het voorstel en stelt zijn eisen op in een brief, gedateerd 7 februari 1918. Voorwaarden zijn onder andere een onverkorte uitgave en een eventuele opdeling van het boek in twee delen (LVI-VII). De hulp van Emmanuel de Bom wordt ingeroepen om het werk te redigeren, en deze zou ook de praktische kant van de zaken op zich nemen (LVIII). In juni 1918 geeft Simons aan het werk enkel in verkorte vorm en onder een andere titel te willen uitgeven (LXVI). Van de Woestijne besluit om enkele gedeelten van het eerste, voltooide boek naar het tweede, nog ongeschreven boek over te hevelen om zo Simons’ eisen tegemoet te komen. Uiteindelijk zou van al deze afspraken en aanzetten niets komen. Het onderhandelen bleef voortduren en de wapenstilstand maakte een einde aan een uitgave van het eerste boek en het schrijven van een tweede (LXXII-III).

Het is pas in de zomer van 1927 in een brief aan Teirlinck dat Van de Woestijne de roman opnieuw ter sprake brengt (XL). Maurice Roelants moedigt Van de Woestijne aan het werk uit te laten geven bij de Rotterdamse uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, onder de toenmalige leiding van Doeke Zijlstra (zie Theunynck 2005). Deze zou het in boekvorm laten uitkomen in het voor- of najaar van 1928. In zijn ‘Getuigenis’ geeft Teirlinck aan Van de Woestijnes niet zuiver literaire redenen twijfelachtig te hebben gevonden; zo is er sprake van Van de Woestijnes ‘vacantiegeld’ (XLII-III) Ook stelt hij zich vragen over de onafgewerkte staat van het eerste boek (XLV). Hoewel Teirlinck in zijn ‘Getuigenis’ en ‘Herinneringen en documenten’ Van de Woestijnes pogingen tot publicatie van het, in zijn ogen, onafgewerkte eerste boek bekritiseert, zijn de laatste twee pagina’s van de ‘Getuigenis’ een ode aan de hechte vriendschap die er tussen beide auteurs bestond. Toch schrijft Teirlinck dat voor beide schrijvers de financiële nood als gevolg van de oorlog één van de hoofdredenen was voor het schrijven van De Lemen Torens. Van de Woestijne anticipeert op deze bezwaren door het voorstel de roman in te korten tot één boek, het vooroorlogse, om zo toch te kunnen publiceren. Hij stelt de ondertitel Vooroorlogsche Kroniek van Twee Steden voor. Om tot publicatie over te kunnen gaan zou de laatste brief moeten worden voltooid. Van de Woestijne neemt het werk op zich en schrijft de tiende en laatste brief, het deel dat Teirlinck verzuimde te schrijven en tevens het slot van het eerste boek (XLI-IV).

Na een schrijfproces van 12 jaar is de roman eindelijk min of meer voltooid en kan worden overgegaan tot publicatie.

_____________________
Afbeeldingen:
[1] Voorblad eerste integrale druk De Lemen Torens in twee delen uit 1928, uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar.
[2] Rudolf Alexander Schröder.
[3] ‘Maar… die Torens zijn nu eenmaal een lang roman; wat nu, in het eerste deel, te veel schijnt, zal in het tweede noodig blijken.’ Brief van Karel van de Woestijne aan Emmanuel de Bom, 7 december 1917. Voor een volledige omschrijving en transcriptie, zie http://www.vnsbrieven.org/VNS/DALF.db.VNS.KVDWEDB.372?tab=search&howmany=25.

Noot:
[1] De pagina’s in Romeinse cijfers en die zonder auteursvermelding verwijzen naar Verzameld werk van Herman Teirlinck. Vol. V (1965).

Bronnenlijst en verder lezen:
– Campert, Jan R. Th. ‘Karel van de Woestijne’. Nederland. 81 (1929): 1024-1032. Print.
– De Clercq, Martine. ‘De ‘hoge’ en ‘lage’ stad bij Herman Teirlinck: een mozaïek van Brussel’. Vlaanderen. 55 (2006): 134-138. Print.
– Eeckhout, Joris. Litteraire profielen. Vol. IX. Antwerpen: Standaard-Boekhandel, 1940. 129-145. Print.
– Hofstede, Rokus. ‘”Ik moet het weifelend wezen dat ik ben, stutten door welsprekendheid”: Herman Teirlinck’. (2001). hofhaan.nl. Web. 19 Oct. 2015.<http://www.hofhaan.nl/2001/rokus-hofstede/ik-moet-het-weifelend-wezen-dat-ik-ben-stutten-door-welsprekendheid/>
– Hooper, Kent W. ‘Rudolf Alexander Schröder: nationalist poetry and Flemish literature’. Rumold, Rainer & Werckmeister, O.K. (eds.). The ideological crisis of expressionism: the literary and artistic German War colony in Belgium, 1914-1918. Studies in German literature, linguistics, and culture. Vol. LI. Columbia: Camden House, 1990. 75-95. Print.
– De Leeuw, Paul. ‘De Leemen Torens van Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne: een sleutelroman?’. Spiegel der Letteren. 32 (1990): 261-282. Print.
– Pelckmans, Paul. ‘Herman Teirlinck tussen inzicht en illusie’. Wauters, Karel (ed.). Verhalen voor Vlaanderen. Aspecten van het Vlaamse fictionele proza tot aan de Tweede Wereldoorlog. Vijftien lezingen. Kapellen: Pelckmans, 1997. 178-192. dbnl.org. Web. 5 Nov. 2015.<http://www.dbnl.org/tekst/waut003verh01_01/waut003verh01_01_0010.php>
– —. ‘”Is het dan een wet dat we bouwen zullen?” Temperament en politiek in De lemen torens van Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne’. Buelens, Geert et al. (eds.). De Trust der Vaderlandsliefde. Over literatuur en Vlaamse beweging 1890-1940. AMVC-publicaties 7. Antwerpen: AMVC-Letterenhuis, 2005. 6-24. Print.
– Picard, Leo. ‘De leemen torens als historisch document’. Nieuw Vlaams Tijdschrift. 12 (1958): 309-318. Print.
– Van Raemdonck, Bert. Van Nu en Straks. De Brieven. Elektronische editie van de briefwisseling rond Van Nu en Straks. (2011). vnsbrieven.org. Web. 26 Oct. 2015.
<http://www.vnsbrieven.org>
– De Ridder, André. Onze Schrijvers. Geschetst in hun Leven en Werken. Tweede Bundel (Vlaamsche schrijvers). Baarn: Hollandia, 1909. dbnl.org. Web. 10 Jul. 2015.
<http://www.dbnl.org/tekst/ridd002onze02_01/>
– Roland, Hubert. Die deutsche literarische “Kriegskolonie” in Belgien, 1914-1918: ein Beitrag zur Geschichte der deutsch-belgischen Literaturbeziehungen 1900-1920. Bern: Lang, 1999. 307-331. Print.
– Theunynck, Peter. ‘”Het ene plezier is het andere waard”. Over Karel van de Woestijne en zijn zwager Maurice Roelants’. Vlaanderen. 54 (2005): 11-15. Print.
– —. ‘De geit en de kool: Karel van de Woestijne in de eerste wereldoorlog’. Groenewegen, Hans et al. (eds.). Al ben ik duister, ‘k zet me glanzend uit: over Karel van de Woestijne. Groningen: Historische Uitgeverij, 2007. 107-137. Print.
– Teirlinck, Herman & Van de Woestijne, Karel. ‘De Leemen Torens. Kronijk van twee steden. Door Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne. Eerste boek. IX. Herman Teirlinck   aan Karel van de Woestijne’. De Gids 82 (1918): 416-433. dbnl.org. Web. 10 Jul. 2015. <http://www.dbnl.org/tekst/_gid001191801_01/_gid001191801_01_0028.php>
– —. De Leemen Torens. Vol. I & II. Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1928. Print.
– Teirlinck, Herman & Pée, Willem et al. (eds.). Verzameld werk van Herman Teirlinck. Vol. V. Brussel: Manteau, 1965. Print.
– —. Verzameld werk van Herman Teirlinck. Vol IX. Brussel: Manteau, 1973. Print.
– Tiedau, Ulrich. ‘De Duitse cultuurpolitiek in België tijdens de Eerste Wereldoorlog’. Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis. 8 (2003): 21-45. cegesoma.be. Web. 24 Oct. 2015.
<http://www.cegesoma.be/docs/media/chtp_beg/chtp_11/chtp11_002_Dossier_Tiedau.pdf>
– Vandevoorde, Hans. De spiegel van Achilleus. Karel van de Woestijne en de allegorie. Nijmegen: Vantilt, 2006. Print.
– Weisgerber, Jean.  Aspecten van de Vlaamse roman, 1927-1960. Amsterdam: Athenaeum/Polak & Van Gennep, 1964. dbnl.org. Web. 10 Jul. 2015.
<http://www.dbnl.org/tekst/weis001aspe01_01/weis001aspe01_01_0010.php>

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

(Nog) geen reacties op “‘Hoe spijtig! Het moest een grandioos stadsepos worden…’ Over De Lemen Torens van Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne (2)”

Reageer

Foto van de dag