// artikel

Algemeen

Lieve, lieve Claartje: Een brief van De Nerée aan zijn Couperiaanse Muze

Lieve, lieve lezer. Onze liefde voor u is eindeloos, ja sterker dan de dood. Waarom? Omdat u de referentie naar zeker beroemd en waanzinnig mooie conte cruel in voorgaande zin er direct uitpikt, puur ter uwe esthetisch genoegen. Details betreffende de kunsten en de letteren uit het fin de siècle, u lust er wel absinthpap van. Nu, u kunt deze hier krijgen en deze week hebben we ook weer iets heel aardigs in de decadente aanbieding. Wederom uit de werkkamer van uw Carel de Nerée-biograaf vrezen wij. Of beter gezegd uit het familie-archief De Nerée waaruit wij, tot onze eindeloze dank en erkentenis (bij deze wederom!), vrijwel onbeperkt mogen putten. Een waanzinnige schatkamer beheerd door de vriendelijkste mensen.

Nu weet u natuurlijk dat De Nerée rond 1900 een, nooit geconsumeerde, affaire had met Clara Rijnbende. Nooit geconsumeerd als in, naar ons lijkt, werkelijk uitvoerig fysiek en sociaal contact, laat staan dat het gehoopte huwelijk door kon gaan. Komt allemaal in het Grote Niet Meer Zo Geheime De Nerée Boek. De Nerée, als de Ware en Grote Kunstenaar die hij is, of waar wij hem voor houden, zette deze liefde echter wel om tot Grote Kunst. Voor de Extaze-reeks, wellicht zijn bekendste werk, gebruikte hij Couperus’ novelle als bron maar mengde de verbeelding van Cecile van Even met de beeltenis van zijn beminde Claartje. Zie de twee afgebeelde meesterwerken Extaze: Finale (Gemeentemuseum Den Haag)  en Extaze: Inleiding (Museum Arnhem), beide uit 1900-’01.  Of beter gezegd: hij zette de beeltenis die hij van haar had mogelijk volstrekt subjectief in. Wij, dat ben ik en opper-De Nerée-iaan Dick Veeze, zoeken bij elkaar al decennia tevergeefs naar een foto.

Wat hij van haar echter dacht valt goed te reconstrueren uit de tientallen brieven die hij haar schreef van 1900 tot 1902. Nu passen die niet allemaal in het Boek, en de door ons beoogde integrale uitgave gaat vanwege datzelfde Boek ook nog even op zich laten wachten. Maar zoals u al eerder kon lezen zijn sommige van die brieven zo smartelijk mooi dat we ze u, het ruw doch geletterd gemeen, niet willen en mogen onthouden. Ter uwer vacantie-lectuur, mocht u dit sowieso lezen en niet in de Karpaten in een grauwe eenzame bungalow zitten, volgt er hier een. Het is dus work in progress en een enkel woord is ons (en in de eerste plaats Dick Veeze wiens transcripties ik meer dan dankbaar gebruik. Wederom 1000x dank ook) nog niet duidelijk.  Waarschijnlijk uit november 1900, en geschreven op Buitenlandse Zaken waar Carel werkte doch zich stierlijk verveelde en dus maar een beetje Couperus zat te lezen en ondertussen ook nog eens de prachtigste tekeningen op het papier van zijn werkgever maakte. Et voilà:

 

Ministerie van Buitenlandse Zaken

Zaterdagmorgen

Lieve, lieve Claartje,

Ik heb je briefje ontvangen, gisteravond lag het op mijn tafel; ik herkende onmiddellijk je handschrift, zo delicaat fijn; in antwoord daarop zend ik je dit en de brieven die je woensdagavond en donderdagavond schreef. Zijn nogal onduidelijk geschreven, in eens uitgeschreven onder de volle koolzwarte warmte van mijn gevoelens.

Nu ik je sinds donderdag niet meer gezien heb, werd het weer, langzaam maar gestadig, ijsleeg in me en de dingen worden vreemder, eenzamer om me… En ook… Ik weet niet wat ik in je laatste lieve briefje lezen moet; een onderdrukte treurigheid – ik weet het niet; Claartje als je het gevoel hebt, kwaad gedaan te hebben; als je dus dit weinige, dit even samenzijn, beschouwt als een kwade daad, als een voor jou, persoonlijk voor jou slechte daad; ja Claartje, dan moet je het maar niet meer doen. Ik ben wat dit betreft kwaad noch goed; ik leef, en zoals het leven zich ‘gestaltet’, zoals onder plooi van de zich om mij vergarende omstandigheden leven opbruist en opvloeit, een zee van rood, warm leven – roodwarme liefde, zo neem ik het dankbaar aan, zo neem ik het dankbaar aan – niet denkend aan dit of dat, aan de mensen bijvoorbeeld; zo neem ik het en leef er in, denkend: dit is een wonder, dit ken ik niet, dit is een wonder.

Je schrijft ook: ‘Waarom moet ik dit alleen doorstaan?’ Heb je dan verdriet Claartje, over wat er gebeurd is, bezwaart datgene wat er gebeurd is, dermate? Maar Claartje, lieve, lieve Claartje, ik ben heel kalm en denk heel kalm na over de dingen in de langzaam stijgende zekere vaalgrijze droefenis van de rijzende dag. Maar lieve, lieve Claartje, weet je dan wel zeker dat je van mij houdt? Dat het niet is voor jou iets anders, iets conventionelers, iets toevalligers; niet dat volkomen zekere, dat rustige, noodzakelijke, dat de grote liefde is…

‘O mon dieu, ayez pitié de ce pouvoir de l’homme.’

Ik weet zo weinig eigenlijk wat een jong meisje is; ook in dit geval beschouw ik dit zo eenvoudig, zo doodeenvoudig. Wat is kwaad: wat jezelf en die je het liefst is, droefenis geeft. Wat is goed: wat je zelf en die je het liefste is genot geeft en leven… En wanneer je in deze in meent kwaad gedaan te hebben, niet alleen tegenover de mensen – want die verdwijnen in het samenzijn toch op de achtergrond – maar ook tegen jezelf… dan…

Ik heb dit lieve briefje weggesloten, ik al het met [tweede helft zin onleesbaar, sb]?

Je had het liever niet moeten schrijven, de hele avond heeft het donker over mij gehangen en een grote melancholie was er mee binnengekomen. Van Booven was daar, een man die veel te lijden heeft, ondoorgrondelijke pessimistisch, en wij waren beide stil en lang verlaten.

Ik heb dit briefje weggesloten, maar ik zal even antwoorden. Het kan me niet schelen, te laat op mijn bureau te komen, ik ben in dit opzicht volkomen vrij, ik kwam tegen drie uur nog vroeg genoeg – en wat betreft het afkomen van mijn werk. Och, Claartje deze dingen zijn zo weinig gewichtig, zo weinig gewichtig.

Ik lees er ook uit, ik lees er zulke treurig-vreemde dingen, dingen die zijn als een regendag, dat je een en ander zult vertellen aan Nettie [?, sb], en aan Annetje [?, sb]. Ik ken ze geen van beiden eigenlijk dus ik kan niets beoordelen – ik weet wel dat wanneer ooit iets in jou onmiddellijke kring uitlekt – en dat is mogelijk, dat is altijd mogelijk – dat dan alles gedaan zal zijn; ik bedoel dat je ouders en je zuster en de anderen, de velen zich helemaal niet denken kunnen, in de omstandigheden waarin ik verkeer, dat ze die omstandigheden anders uit zullen leggen; anders uit zullen leggen en dat gevolg daarvan zal zijn…

En daarom de hele zomer en de hele vorige winter, had ik je gezegd, je lief te hebben, zoals ik dat nu gezegd heb in volkomen ernst, met de grote bloedrode gloedgolf van mijn algeheel sensatievermogen, ik wist het… Het zou zo gaan als het me misschien gaat, als het nu misschien gaan zal – de mensen beschouwen mij als jong, als een jongen van twintig jaar, die nog wel eens verliefd mag zijn, maar jou als een meisje dat dat niet meer zijn mag, tenzij onmiddellijke resultaten verkregen kunnen worden. Ik heb het helemaal aan jou overgelaten, ik laat het nog aan jou over, nog geheel en al, geheel en al lieve Claartje, maar het zal een zware, grijze dag voor mij zijn als de altijd toch mogelijke gevolgen komen kunnen… en dat dus dit [woord?, sb] [gecasseerd?, sb] zal worden, door jou en je ouders en vrienden, tot dat ik in staat zal zijn [drie woorden?, sb]

In dit bureau hangt altijd een treurig-ernstige stemming, het vele opgestapelde werk, ik [vind?, sb] dit briefje wat donker, wat in ondertoon… De gedachtegangen hebben het mij aangedaan; ik las gisteravond steeds maar door, maar door, Maeterlinck, en dit bleef hangen, bleef hangen.

O mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de ce pouvoir de l’homme…
Als het gebeuren mocht… O mon dieu, mon Dieu ayez pitié de ce pouvoir de l’homme…

Claartje, Claartje,

Je ogen zijn zo blauw
als klaar water, ik wou
dat ik eens even u kon zijn

Maar ik kan niet, ik blijf van mijn
En ‘k weet niet wat ’t was, wat
ik u zeggen wou, ’t was toch wat.

God, Claartje, ik wou dat ik eens even u kon zijn – en je zeggen van mij te houden, van mij te houden; lieve, lieve Claartje, je zei in je eerste brief, die ik hier bij mij heb; hier bij mij heb: ‘Wees lief voor mij’, maar Claartje wees ook lief voor mij; voor mij. Wees niet droef als je dit leest, [ik?, sb] ’t was maar wat, ’t was maar wat.

En ik weet niet wat ’t was, wat
ik u zeggen wou, ’t was toch wat.

Duizendmaal zoen ik je, Karel.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

3 reacties op “Lieve, lieve Claartje: Een brief van De Nerée aan zijn Couperiaanse Muze”

  1. Prachtige brief, ook door de intertekstuele referenties en citaten.

    Door Willem Vaes | 7 augustus 2017, 12:28
  2. Ik ben in tegenstelling tot de vaste bezoekers van Rond1900 niet zo thuis is dit soort fin de siecle liefdesbrieven, maar op mij komt het allemaal nogal manipulatief over. Zoals De Nerée zich wentelt in het slachtofferschap en de rol van de onschuldige, eenvoudige minnaar speelt. Hij legt alle verantwoordelijkheid en druk bij zijn geliefde. Lijkt me ook geen slimme aanpak. Ik snap wel dat zij hem uiteindelijk de bons heeft gegeven!

    Door Sipke van de Peppel | 8 augustus 2017, 15:29
  3. Ja, uiteraard is het manipulatief, dude. Hij wil dolgraag aan haar zitten en/of trouwen om haar immense kapitaal, niet om wie ze was. Daar moet dan wel wat retorisch, semi-literair geweld voor worden ingezet!

    Door Sander | 8 augustus 2017, 17:44

Reageer

Foto van de dag