// artikel

Algemeen

Van en over Leo Smeder (1907) van Henri van Wermeskerken.

U bent, gaan we voor het gemak vanuit, flink aan het ‘zomerlezen’ en onderaan de stapel heeft u, gaan we ook voor het zelfstrelende gemak vanuit, Rondom Couperus deel vier liggen: Wagenvoorts Dromers. Prachtige roman, al zeggen we het deze keer zelf . Ook best een dikke dus u bent wellicht nog even bezig. Mocht u na de voltooing van uw lectuur echter direct naar de lokale kringloop snellen gooit u dan ook Leo Smeder van Henri van WermeskerkenHenri van Wermeskerken in uw tweedehands mandje. Deze in 1907 verschenen roman kom je daar doorgaans wel tegen. Ook ik pikte hem van de week op en had vervolgens een aantal best genoegelijke leesuurtjes in het lokale park. Het is geen meesterwerk, maar een vergeten ooit populair typisch 1900romannetje waarin de invloed van Couperus overduidelijk is. Dat blijkt meteen uit het citaat uit Wereldvrede dat de schrijver aan zijn roman geeft en vervolgens de stijl, die erg doet denken aan de Couperus van Een illuzie en Extaze. Overigens is het een ‘antwoordroman’ op de oerburgerlijke, en niet lezenswaardige, roman Een Hollands binnenhuisje van zijn moeder Johanna van WoudeJohanna van Woude uit 1888.
Als goede recalcitrante zoon gooit Van Wermeskerken Kleine zielen-achtige familiale heftigheid erin in de vorm van dronkenschap en geweld tegen vrouwen. Couperiaans, en dan in het bijzonder weer De kleine zielen, is ook de openingscene die we als voorproefje laten volgen.

**

Zwart sloot zich herfstnacht om de witte villa Vredensteijn, haar ommantelend met een dicht kleed van duisternis.
Zware regenwolken gleden neer uit de hemelen en vielen in millioenen druppelen op het dak
ratelend… ruischend en kletterend, om weg te rammelen door de afvoerbuis naar den regenbak, waar het woest bulderde van weerklank. Klagend gierde de wind om het huis, soms met een slag gestuit tegen een kleinen uitbouw… in zijn woede rammelend aan jaloezieën en ramen, of driftig de heesters door elkander slingerend, om de afgerukte takken met de regendroppelen tegen de ruiten te geeselen…,en dan nijdig heen te vluchten, loeiend als een gewonde stier, verder…immer verder.
Nog zwarter dan nacht spookten de zware sparboomen om de villa en sloegen hunne stugge armen wanhopig heen en weer.
De stormwind kwam van verre, van de zee, en het was of hij meevoerde kermende angstkreten van schepelingen en korte knetterslagen van brekende masten; en de regen schoot neer uit jagende wolken, die laag hingen, als droegen ze in haar schoot zwaar wereldleed. De druppelen verhaalden er van, in hun tokkellied op de ruiten…
Nu en dan klonk klagend en langgerekt het huilen van een hond.
In zijn blank bedje, de dekens ver over de ooren getrokken om toch niet te hooren het woeste noodweer buiten, lag Boy, als een bal ineengerold, angstig te luisteren naar den stormwind, die als een oceaan om het kamertje bruiste, en den regen, die staag-door op de ruiten trieselde. Als de hond huilde, kromp zijn lichaampje ineen als met een schok.
„Leo… Leo!” riep zacht zijn kleine stem als bang voor zich zelve… „Leo!”
In het bed tegenover het zijne, kwam geen
beweging …
„Leo … slaap je? … ik ben bang!”
„Ben je bang?”
„Ja, hoor je den wind niet. .. het stormt, Leo, en ’t regent… Zie je niet die zwarte schaduwen voor de ramen … Ze bewegen zich!”
„’t Zijn onze dennen, Boy!”
„ Ja maar… ik ben toch bang; mag ik bij je komen, laat me in je armpjes slapen, … o … hoor den wind eens … Zijn ’t de dennen?” …
„Kom maar, hoor…”
Even keek het kleine ventje angstig naar het donkere stuk kamer, dat hij loopen moest. .. wierp toen, in plotseling moedvatten, de dekens van zich en sprong snel over naar het andere ledikant, zijn nachthemdje stijf om de teere leedjes gedrukt. . . nestelde zich in Leo’s armen.
„Mag ik zoo liggen, dicht tegen je aan, Leo .. . wat ben je lekker warm … mag ik in je armpjes liggen?”
De wind loeide weer om den uitbouw… . feller sloeg de regen tegen de ruiten, de hond huilde klagelijk bang . ..
„Lig je nu goed, liefste … nu kan je gerust slapen gaan, hoor. … nu ben je niet bang meer, wèl?”
„Zal je me altijd beschermen … in je armen, Leo? Kan ik me oogen stijf dichtknijpen?”
Leo sloeg vaster de armen om zijn broertje.
„Wat een wind, hè . .. ik ben nou niet bang meer .. .”
„Hoeft ook niet. . . nu slapen, hoor!”
„Er brandt nog licht in de gang . .. zou vadertje nog niet thuis zijn . . . hoe laat is het ?”
„Vroeg nog, twaalf uur, Pa zal zoo wel komen!”
De oude buikige gangklok liet juist drie lange diep-n^-klinkende slagen hooren. … een angstig stilzwijgen volgde die metaaltonen …
Verschrikt lagen ze beiden even stil.. .
In den schuinhangenden spiegel weerkaatste door de openstaande deur een deel van de gang, een vierkant stuk licht, en Leo kon juist de oude klok er in vinden.
Stijf, antiek, statig, stond zij daar, den buik vooruit-gestoken, den zwaren slinger langzaam berekenend heen en weer bewegend ; en bij eiken zwaai van de zware koperschijf klonk een deftige tik. Ja, ze had een zeer stijven en deftigen tik, die klok, en Leo zag naar den slinger, die steeds maar gelijken gang hield met het tikken . . . Hij zag den vergulden werelddrager tusschen twee engelen met bazuinen boven den kroon…. en op de wijzerplaat een half verscholen maan, die dom lachend over den koperen rand gluurde.
Vanaf zijn kleinste kindsheid kende hij die klok . .. met maan en werelddrager … en zij had hem altijd grooten eerbied ingeboezemd, ja angst bijna….
Zoo statig, deftig, stijf en onverbiddelijk was ze, als een oude aristocratische dame, vond hij, die je heel beleefd behandelen moest, en die je altijd zou gelooven …
Nu wees de klok half drie…

FacebooktwitterFacebooktwitter

Reacties

(Nog) geen reacties op “Van en over Leo Smeder (1907) van Henri van Wermeskerken.”

Reageer

Foto van de dag