// artikel

Algemeen

‘De eerste keer dat zij zich met wellust had ingespoten’: Het heldere gif van Frits Lapidoth (1889)

Vanuit Bordeaux, waar hij sinds 2018 woont, stuurde Sander Bink, voormalig
main man van deze site, ons een stapel documenten met de mededeling dat we er mee kunnen doen wat we willen. Het grootste deel blijkt te bestaan uit herspelde, geannoteerde en ingeleide Nederlandse literaire teksten van rond 1900, beoogd voor bloemlezingen en heruitgaven, waar echter ondanks jarenlang leuren, geen uitgever voor te vinden was.
We openen met  onderstaand verhaal van Frits Lapidoth, uit een bloemlezing ‘vergeten’ Nederlandse symbolistische, decadentistische, feministische en anderzins modernistische verhalen.
De inleiding kenmerkt zich helaas door de welbekende on demand-‘decadenterige’ (=puberale) toon waarin hij zichzelf vast heeft geschreven en de tekst is nog niet helemaal bijgeschaafd. Vanwege het literair-historische belang en vanwege het, in onze ogen niet te onderschatten, belang van de figuur Bink voor de studie van het ‘ven de sjekle’ (de weinigen die hem in het echt kenden weten dat hij het woord zelf niet correct uit kon spreken) hebben wij besloten het hier toch in deze vorm uit te geven. – Red.

**

Er is maar één werkelijk decadente stad en dat is natuurlijk Parijs. Naast talloze decadenten die zich al dan niet onder invloed van absint in de Seine wierpen overleden ook Oscar Wilde en Jim Morrison er, hield Peladan er in de jaren 1890 zijn symbolistensalons, Mallarmé zijn literaire dinsdagavonden waar de decadente fin fleur (Rachilde, Jean Lorrain, Villiers de l’Isle Adam, Huysmans) zijn thee druk, de Mona Lisa in het Louvre: tegenwoordig een toeristentrekpleister maar rond 1900 was het werk van Da Vinci de kern van een bepaald homoseksuele platonische cult en ga zo maar door.

Ook de Nederlandse schrijver en criticus Frits Lapidoth (1861-1932) verbleef in de jaren rond 1890 in Parijs en was daar een belangrijke spil in de Nederlands-Parijse culturele verbindingen. Hij is zoals dat heet ‘vergeten’ hoewel Jeroen Brouwers hem enigszins voor het voetlicht heeft gehaald in zijn biografische boekje over de dichteres Hélène Swarth en Haar huwelijk met Frits Lapidoth 1894-1910. Brouwers doet echter nogal schamper over Lapidoths literaire werken. Ook dat ontgaat ons. Zeker, een Henry James is Lapidoth bepaald niet, maar welke Nederlander publiceerde in 1893 een door Huysmans en Peladan beïnvloedde roman (Goëtia, 1893), een roman over ‘het vrije huwelijk’ waarin bij ons weten voor het eerste keer het woord ‘hippie’ wordt gebezigd in een jaren-60betekenis (Vrij?, 1897), een curieus obscuur neomystiek bundeltje (Van gene zijde, 1897), een bundel over de dan aller-modernste Franse tekenaars (Fransche teekenaars, 1894) en diverse in contemporain Parijs gesitueerd verhalen? Precies. Geen enkele. Het hier opgenomen verhaal Het heldere gif, geschreven in Parijs december 1889,  verscheen als Het klare gif  in de bundel Moderne problemen (1890). Die bundel is echter zo onvindbaar dat wij het overnamen uit de tijdschriftpublicatie in het tijdschrift Nederland van begin 1890. Het is een verhaal à la Catulle Mendes. Mendes, de favoriete lectuur van Léonie van Oudijck uit De stille kracht en een van de meest duistere decadente prozaschrijvers van de jaren 1890 wiens werk overloopt van incest, sadistisch geweld en meer gezelligs gegoten in een uitstekend leesbare soepele literaire stijl.

Lapidoths verhaal is bij ons weten het enige Nederlandse verhaal uit de periode waarin je ‘recreatief drugsgebruik’ aantreft: Eline Vere nuttigde in de tijd ook haar portie morfine, maar kon er niet echt van genieten. Lapidoth, overigens een goede kennis van Couperus, kleedt het echter aan met allerlei decadents, inclusief de lesbische liefde. Oh la la!

 

Frits Lapidoth Het heldere gif

 

I.

Zij hadden die vrijdagmorgen samen op de Champs-Élysées gewandeld, het herfstgroen bewonderend dat als lange neerhangende struisvogelveren heen en weer wuifde boven de heldere grasvelden die naast het brede voetpad lagen als grote platen groene edelsteen.

Hij had zijn vrouwtje eraan herinnerd dat zij nu al langer dan achttien maanden getrouwd waren en toen behoefte gevoeld haar te omhelzen, desnoods te midden van die duizenden onverschilligen die hen omringden. Maar een inniger druk met de armen en een warmer gloed uit hun ogen hadden voorlopig de taal van de lippen moeten vervangen.
Zwijgend waren ze daarna voortgestapt, beiden dezelfde wens koesterend die geen van hen durfde te uiten.
Vlak achter de fraaie Arc de Triomphe, op het hoogste punt van Champs-Élysées geplaatst als een symbool van het ideaal dat poëtische figuren voor zich zien aan de horizon van hun leven, ging de zon schuil onder het bruin van het Bois de Boulogne en het wazige donkergrijs van de heuvelen van Saint-Cloud en Suresnes. Het grote monument stak scherp af tegen de purperen achtergrond en door zijn wijde boog vloeide het zware licht als gesmolten metaal door de opening van een smeltoven.
Seyssel had zich volstrekt gelukkig gevoeld. Hij was zich bewust van het krachtige verband tussen die prachtige westelijke hemel en zijn fijnbesnaarde kunstenaarsziel. De schilder durfde te erkennen dat in zijn beste ogenblikken iets van de oneindig rijke vormen- en kleurentaal van de natuur door hem kon worden vertolkt. Dat er van haar overweldigende grootsheid iets doordrong tot in het binnenste van zijn wezen. Het kleine vrouwtje wier glinsterende ogen als geluk voorspellende zonnetjes tot hem opzagen, zou eenmaal oprecht trots kunnen zijn op de man, die zij begreep. En Armand was sneller gaan lopen, zwaaiend met zijn wandelstok, alsof hij het stenen symbool van zijn ideaal, dat verderop stond te jubelen in het purper, zo snel mogelijk wilde bereiken.
Maar op de brede rijweg die wat te smal was voor de snelle stroom van rijtuigen die haastig voortgleden naar het Bois, was een prachtig particulier rijtuig blijven stilstaan. Een koetsier in donkere kleding had hen een kaartje aangereikt, waarna het jonge paar de man was gevolgd naar zijn meesteres: de gravin De Vescovato…
Nu snelde zijn Emilie, comfortabel gezeten in de kussens van het rijtuig, met de geweldige stroom mee naar het Bois, terwijl haar man, opeens treurig geworden, zijn wandeling voortzette. Het was alsof de somberheid van het herfstlandschap, zich nu ook haastig wikkelend in de donkergrijze sluier van de schemering, opeens was doorgedrongen tot in zijn ziel, waar het een ogenblik daarvoor nog zo licht was geweest, bijna zo licht als aan de westelijke hemel.
Niet dat hij haar het genoegen van een rit door het Bois misgunde of het onaardig van haar vond hem zo alleen te laten nog voor zij de gedeelde droom van huiselijk geluk en kunstenaarsroem hadden uitgedroomd.
Maar Seyssel had hoewel Nederlands van geboorte het Parijse leven van de groten en van de parvenu’s van dichtbij genoeg gezien. Hij was daarnaast kunstenaar genoeg, en dus natuurmens, om niet een enorme afkeer te hebben van die honderden mannen en vrouwen, die dat leven leven, zonder dat iemand zeker weet met welk recht en met welke middelen. Tot die lichtzinnige bende, waarover onbescheiden journalisten in de kolommen van de zogenaamde mondaine bladen soms zo heftig schreven spreken, behoorde mevrouw De Vescovato, Bulgaars van geboorte en getrouwd met een vroeger schatrijke Corsicaan, van wie zij lang gescheiden had geleefd.
Men wist dat zij ontzaglijke bedragen had verloren op de renbanen van Longchamps en aan de speeltafel in Monaco. De journalisten beweerde dat zij totaal geruïneerd was geweest, dat zij – onder een andere naam – had gezongen in Sint Petersburg, Berlijn, Wenen en meer nog gefigureerd dan gezongen had in de operettes waarin zij was opgetreden. Zij had zich al snel weer in Parijs gevestigd, waar de gravin Cléopatre de Vescovato sindsdien een prachtig appartement in de Rue Morillo bewoonde. Zij had een eigen rijtuig en renpaarden en, wat erger was, een grote invloed op zekere dagbladpers. Men beweerde ook dat zij in betrekking stond tot een geheim genootschap, misschien pan-Slavistisch, misschien nihilistisch.
Seyssel had haar kort na zijn huwelijk leren kennen door een zekere Grappin: eigenaar, directeur en hoofdredacteur van L’écho des salons, een blaadje in de trant van Highlife, zeer gevreesd om zijn verrassende indiscrétions du Diable, een rubriek voor meer of minder lasterlijke roddel. Deze Grappin schreef onder het pseudoniem Hallo! Veelgelezen reportages in diverse dag- en weekbladen. In die functie had hij Seyssel, tekenaar aan de Grande revue illustrée meer dan eens belangrijke diensten bewezen. In ruil daarvoor gaf deze dan van tijd tot tijd een tekening van een of andere grote jachtpartij of van een bal dat door de beschermheren en -dames van de journalist was aangeboden.
Emilie, de dochter van de arme beeldhouwer Marsanne, die wel medailles, maar amper zijn brood kon verdienen omdat hij niet genoeg homme du monde was, en te grillig om door een handig journalist te kunnen worden ‘gelanceerd’, had er altijd naar verlangd het tout Paris eens van dichtbij te zien. Zodra de achttienjarige ‘mevrouw’ geworden was, had zij haar man, die nu en dan feestjes moest bezoeken, gevraagd en gesmeekt om hem ten minste één keer te mogen vergezellen.
Armand had toegegeven. Zonder nog te weten wat men van de ‘grote dame’ vertelde waren zij op een jachtpartij bij De Vescovato geweest. Emilie leek bij die gelegenheid het hart van de befaamde Cléopatre gestolen te hebben. Zij was van haar kant jong genoeg om trots te wezen op zo’n relatie en sindsdien gingen er aanhoudend briefjes en boodschappen van de Rue Murillo naar hun eenvoudige woning in de Rue Saint-George en visa versa.
Emilie moest met haar vriendin om de veertien dagen naar de opera, ging minstens eenmaal per week naar het Bois, werd overladen met geschenken. Men had al een paar keer haar initialen kunnen lezen in krantenartikeltjes waarin, als genodigde bij een of andere première, ook la plantureuse beauté madame la comtesse C. de V…. werd genoemd

De mondaine kroniekschrijvers hadden zich vaak afgevraagd waarom de befaamde Cléopatre zich toch altijd liet vergezellen door het kleine, volstrekt niet mooie vrouwtje van Armand Seyssel. Emilie was met haar levendige grijze ogen en zwarte prachtige haar, dat aan het kroeshaar van een mooie poedel deed denken, niet genoeg misdeeld om te dienen tot tegenwicht van de kolossale gravin, wier trots gezicht zo regelmatig was alsof het uit een pronksteen gesneden ware. Eerder liep die laatste het risico dat men haar vriendinnetje, met haar meisjesachtig voorkomen, zou aanzien voor een van haar minder bemiddelde bloedverwanten.
Wat kon zij voorhebben met ‘de kleine’?
De door en door sceptische Parijzenaar geeft, vooral wanneer het een Cléopatre de Vescovato betreft, op een van dergelijke vraag zelden een duidelijk antwoord. Men had zich tot Seyssel gericht, niet zonder hem beminnelijk mee te delen dat er veel duisters was in het verleden van de gravin.
Sindsdien probeerde Seyssel zich te verzetten tegen de drukke omgang van zijn vrouw met de briljante parvenu. Maar Emilie schiep veel te veel genoegen in het wonderbaarlijke leven dat zij leidde, half burgerlijk en half dat van de femme du monde, om haar man niet duidelijk te kunnen bewijzen dat mevrouw de Vescovato een toonbeeld van deugd en gratie was en beide dames zeer veel van elkaar hielden; wat ze ook werkelijk geloofde.
Armand had zich voorgenomen scherp toe te zien. De moed ontbrak hem om zijn jonge echtgenote met geweld terug te houden van de gevaarlijke helling waarop ze zo argeloos speelde. Hij verdiende genoeg om haar garderobe te kunnen betalen en hoopte dat Emilie even snel verzadigd zou zijn van de mondaine vermaken als hij dit was.
Intussen kon hij de beide dames niet samen zien zonder een vage angst over zich te voelen komen. Nu Emilie daarheen rolde, zacht wiegelend naast de geweldige gravin, die hem nooit anders dan met een genadig handdrukje en een kil woord pleegde te begroeten, waande Armand haar ten prooi aan de geïncarneerde verleiding van de Parijse wereld. Die wereld die in haar uiteenlopende gedaantes haar prooi in sluimerende deining meevoert door de mooiste stad van de wereld om hem tenslotte, als hij kwijnt van verlamd genot, tot haar slachtoffer te maken, hem de laatste druppels bloed, de laatste overblijfselen van zijn waardigheid, al liefkozend te ontnemen.
Opnieuw leek de Arc de Triopmhe hem een eindpunt: de grenspaal van de weg naar het goede! Daarachter was het donker geworden, een grauwe schemering lag over het bos. Zijn levendige verbeelding deed hem de donkere lanen bekijken waardoor bijna stapvoets de fraaie rijtuigen gingen met hun grote, gele ogen vol valse schijn. Daar krioelde voor zijn verbeelding doorheen: de levensmoeë afstammelingen van de aanzienlijke Franse geslachten; de brutale beursmannetjes in statige kleren; het onbeschaamde grietje; de gewetenloze intriganten; de parvenu’s, vandaag gevierd, morgen wellicht in de gevangenis opgesloten… En allen zaten zij daar trots en kil in prachtige ruituigen maar hun familieleden of stamboom staken onooglijk af bij die van hun paarden!
En tussen al die mensen, bescheiden maar ook machteloos als een bloem, ging zijn jonge, onbedorven vrouwtje, die slechts de pracht zag en niet het afval dat zo fraai glinstert.
‘Is dat niet net een heksensabbat?’, vroeg hij zich af, ‘een rustig gehouden, zeer nette heksensabbat, dat ritje door het bos, laat in de avond nadat de werkelijk deftige mensen de Champs-Élysées al lang weer zijn voorbijgereden? Zijn dat geen heksen, die oude opgemaakte vrouwen wier grootste ambitie is binnen te lopen? Zijn die vunzige dagbladschrijvers geen duivels, die zulke vrouwen ‘lanceren’ en spelen met de goede naam van het edelste van Frankrijk? Zijn die kapitalisten geen duivels, met hun staatsiekleed dat niet van bloedend purper maar is geweven uit het zwart van de rouw van hun slachtoffers?’ Oh, hij had haar als een gek achterna willen rennen!
Van de brede stroom daarginds die zoveel hoogs en edels bevatten, ook al voert zij ook veel afval mee, zag Seyssel in zijn wanhoop niets dan het schuim, het schuim verderop, achter de Arc de Triomphe in de duisternis! Waarom bleef Emilie daar nog terwijl honderden naar huis gingen?

 

***

Armand stond nu op de rotonde rond de Arc de Triomphe. Door de brede avenue du Bois de Boulogne doemde de rijtuigen op uit de diepte, aan het eind afgesloten door de duisternis van bet bos. Zij gingen nu niet meer zo statig als op de heenweg. De koetsiers probeerden elkaar in te halen; de lantaarns van de voorbij stuivende ruituigen wierpen een tergend licht in de open rijtuigen waarin de eigenaren zaten te huiveren, het voetenkleed zover mogelijk over de borst trekkend.
De ongeordende stoet stoof Armand voorbij als een spoortrein waaraan geen einde scheen te komen en verder op de weg waren er nog twee of drie die in ongelijke vaart de glooiing opreden.
Daar, in het midden van de laan, gingen zij! Haar paarden sloegen driftig de glimmende hoeven in de slappe grond van de avenue om een rijtuig naast hen in te halen waarin een welbekende actrice zat die nu haar stem versleten was haar lichaamsvormen voor zich liet spreken en dat prima vond.
Mevrouw De Vescovato zat rechtop in haar rijtuig om de koetsier aan te manen:
‘Harder, koetsier, harder!’
Zij en de actrice in het andere rijtuig zagen elkaar strak aan. Cléopatre’s ogen schitterden. ‘Harder, koetsier, harder!’
Emilie klemde zich vast aan de neergeslagen kap van het rijtuig, blijkbaar onthutst. Vlak tegenover Armand had de actrice haar mededingster ingehaald. Cléopatre boog zich even naar haar vriendin en Armand meende te horen dat ze tot zijn vrouw zei:
‘Slet!’
Hij schaamde zich voor zijn jonge echtgenote.
Driftig keerde hij zich om, liep haastig het bovenste stuk van de avenue des Champs-Élysées door en koos toen de snelste weg naar huis.
In de Rue de la Boëtie keek men hem na. De lange sombere straat was grijs van mist. Het schrille rode en blauwe licht dat uit de ramen van de apotheken viel en het grauwe tentdak van nevel bij elkaar hield drong nauwelijks door tot de tegenoverliggende huizenrij. De voetgangers bibberden: geen van hen had die plotselinge overgang van een mooie dag in een kille herfstavond verwacht. Des te meer trok Seyssel, die met loshangende overjas en de hoed achter op het hoofd midden op de grote keien liep, de aandacht, zwaaiend met zijn wandelstok, alsof hij tegen alleen voor hem zichtbare spoken vocht en onverstaanbare woorden mompelend, steeds harder en harder doorlopend.
‘Het moet uit zijn met die twee, het moet’, had hij besloten.
Maar zou hij dat jonge vrouwtje, dat vanaf de eerste huwelijksdag hem door middel van een lach of traan domineerde, aan hem kunnen doen gehoorzamen? Had hij, de volbloed Hollander die zich maar lomp en grof vond naast zijn bevallige Française, schijnbaar een kind, maar feitelijk een tiran was, niet zijn eigen gezag dood gevleid, gekust en gebedeld?
Oh, voor hun huwelijk had ze zich nederig en aanhankelijk opgesteld.
Zij had bewonderend naar hem opgezien en als dronken naar hem geluisterd wanneer hij met de koppige Marsanne sprak over zijn kunst en de uit bittere ervaring voorkomende scepsis van de oude beeldhouwer bestreed met al de naïviteit van een overmoedige beginneling. Eenmaal zijn vrouw geworden, had ze hem weten te begrijpen, waarderen en bemoedigen als het uit zo kwam. Met een zijden weefsel van uitgekiend gevlij had ze zijn geest gevangen. Haar invloed was heilzaam gebleken, maar kon hij ook enige invloed op haar uitoefenen? Zoals alle kunstenaars was hij een groot kind: uiterst gemakkelijk te leiden, tot leiden zelf ongeschikt! Hun huishoudentje was ingericht naar haar wens. Vrienden die haar behaagden, werden bij hen thuis ontvangen, vrienden die zij onaangenaam vond werden, weinig beleefd, slechts in het atelier toegelaten.
Armand had zich nooit over iets beklaagd, integendeel. Het had het altijd prima gevonden te voelen dat er iemand boven hem stond om te beslissen in zaken die de kunstenaar volmaakt onverschillig lieten. Het was alsof hij daardoor des te meer geestkracht overhield om te werken en hij nu die kostbare schat kon wegsluiten in zijn atelier om hem weer te vinden wanneer hij er behoefte aan had voor zijn moeilijke arbeid.
Nu, voor het eerst na achttien maanden van enkel huislijk geluk, was het hem duidelijk geworden dat een getrouwde kunstenaar geen kind mag zijn buiten het atelier, dat hij plichten heeft te vervullen en rechten te handhaven die met zijn vak niet het minste verband hebben. Dat jonge vrouwtje had hij immers geëxploiteerd in plaats van begeleid!
Wat zij zelf voor liefde had aangezien was zwakheid en egoïsme geweest. Emilie, zijn muze en zijn speelgoed, stond onder zijn bescherming.
Wat had hij gedaan om de twintigjarige, ondertussen zo geëmancipeerd als een Franse vrouw maar zijn kan – gisteren nog behandeld als kind door een vader die vergat dat zij tot meisje opgegroeid was, terwijl hij werkte en werkte – wat had hij gedaan om haar te behoeden voor de duizenden gevaren, die haar waarschijnlijk bedreigden?
Niets immers! Zou zij niet een vlinder kunnen zijn, gretig toe fladderend op de dodelijke schittering van de Parijse ‘grote wereld’? Wist hij wat er omging in het vriendelijke hoofdje, dat zijn geheimste gedachten kon raden? Nee. Hij had altijd maar door getekend en geschilderd, meer nog in dan vóór zijn huwelijk, alsof zijn vrouw echtgenoot en moeder tegelijk voor hem kon zijn.
Het was alsof al de verwijten hem achtervolgden, hem, de zorgeloze echtgenoot!
Maar, en dit voelde Armand nu ook levendiger en dieper dan ooit, hij had Emilie lief en uit die liefde zou hij kracht putten voor de strijd, die moest worden aangegaan. Weer rees de gestalte van Cléopatre de Vescovato, groot en statig als haar naam, voor hem op als de vleesgeworden wereldse verleiding die nog geen demi-monde heet, maar door niemand met de eigenlijke ‘grote wereld’ wordt verward. Hij vroeg zich ernstiger dan voorheen af wat de gravin met zijn vrouw van plan kon zijn. Hij wist het niet en juist omdat hij op deze vraag geen antwoord kon vinden, viel de angst op hem als een massa, even grenzeloos als vaag.
In de Rue Saint-George begon Seyssel langzamer te lopen. Het besluit zou ten uitvoer gebracht moeten worden, maar waarvan kon hij Cléopatre beschuldigen; wat had hij Emilie te verwijten?
Wij mannen kunnen onze liefde zo slecht benutten, zelfs niet in het belang van de vrouw. Emilie zou in een dergelijk geval haar man om de hals zijn gevallen om hem snikkend in te fluisteren: ‘Verbreek het, uit liefde voor mij.’ Armand dacht aan dit middel maar verwierp het meteen omdat hij wel wist hoe onwelbespraakt hij zijn zou. Toen besloot hij maar liever geen plan te beramen en van de omstandigheden te laten afhangen wat hij zou zeggen. Schoorvoetend ging hij eindelijk de trap op, verlegen alsof had een verontschuldiging had te bedenken en niet een gewichtige vraag te stellen.
De conciërge liep hem na:
‘Er is een telegram voor u gekomen, mijnheer Seyssel.’
Armand herkende de hand van zijn vrouw op het blauwe omslag die hij hem gaf. Hij scheurde er haastig de geperforeerde rand af en las:
‘Armand lief, blijf eten bij Cléo. Kom mij tegen half elf halen met een gesloten rijtuig en mijn winterjas die de meid je wel zal geven.
Een kus van je Emilie.’
De tranen sprongen Seyssel in de ogen. Het was de eerste keer dat zij wegbleef zonder hem vooraf vergunning te hebben gevraagd. ‘Grote God, wat is die Cléo toch van plan met Emilie?’
Hij haastte zich naar hun appartement, riep de meid toe dat hij noch zijn vrouw thuis zouden eten en ging daarna troost zoeken bij de oude Marsanne.
***

De beeldhouwer bewoonde een bouwvallig paviljoen in een zijstraat van de Rue Lepic, helemaal bovenop Montmartre en gebouwd toen de heuvel nog begroeid was en nog even buiten de stad lag. Het moet destijds het bescheiden buitenverblijf geweest zijn van een welgestelde kruidenier die daar in de zomer enkele dagen kwam doorbrengen met het verzorgen van dwergachtige sierplanten in het kleine tuintje, waarvan de dunne laag aarde rustte op een niet ontgonnen veldje.
De benedenverdieping was bijna geheel tot werkplaats ingericht. Van buiten zou men haar voor een stal hebben aangezien vanwege de brede deuren waardoor men de grote ‘machines’- de gipsmodellen van de kunstenaar – gemakkelijk in kolossale brokstukken naar buiten kon brengen om ze daar op een wagen te laden. Wie Marsanne spreken moest ging daar binnen zonder zich te laten aandienen want er was geen bel en een van de deuren stond de hele dag, winter en zomer, op een kier. De bezoekers die boven moesten zijn of in de avond kwamen moesten een klein tuinpoortje doorgaan en de trappen van een bordes beklimmen, waar zij een bel vonden. Dan ging men door de keuken direct naar de eetkamer.
Toen Seyssel daar binnenkwam zat zijn schoonvader te tekenen. Een gerichte olielamp liet het grootste gedeelte van de eetkamer in lichte schemering, waar de flikkering van de borden langs de wand en van het zilver in het buffet doorheen brak als maanlicht door dunne wolken. Het volle licht viel onder de groene bordpapieren kap door op bet grijze hoofd van de kunstenaar. Een mooie, antieke kop waar de eigenaar trots op was volgens Emilie, en die hij waardig wist te dragen op zijn brede hals tussen een paar stevige schouders. Marsanne had heel wat kunstenaarsvrienden een grote dienst bewezen door voor hen als Hercules te poseren, beter dan het duurste model dat zou hebben kunnen doen.
De oude beeldhouwer hield van zijn schoonzoon omdat hij een waarachtig, overtuigd kunstenaar in hem zag, meer in de mode dan hijzelf maar daarom die mode niet volgend, maar deze eerder enigszins bepalend. Daarom had hij hem dan ook zijn enig kind gegeven, het evenbeeld van zijn vroeg gestorven vrouw: een voormalig model dat hij op vijftigjarige leeftijd tot grote ergernis van zijn gesettelde vrienden, had getrouwd.
Seyssel en hij spraken nooit over iets anders dan over kunst. De toestemming tot het huwelijk met Marsanne’s dochter had de tekenaar met twee woorden gevraagd en zij was hem eveneens schijnbaar terloops gegeven. Over hun huwelijksleven was later met geen woord gerept. Armand moest dus wel meteen zeggen waarover hij zijn schoonvader wenste te spreken om geen gevaar te lopen, uit vrees de oude man in de rede te vallen, onverrichter zake huiswaarts te moeten keren.
Zodra hij gezegd had wat hem beangstigde, richtte Marsanne zich recht overeind in zijn leunstoel, keek zijn schoonzon geschrokken aan, woelde met zijn vingers door de volle grijze baard en zuchtte diep.
‘Dat is een ellendig situatie, Armand.’
‘Helaas wel, papa!’
‘Je vraagt me dus om raad, niet waar mijn jongen?’ Armand knikte. Hij werd wanhopig.
‘Ik heb veel vrouwen lief gehad in mijn leven, heel veel zelfs. Maar doorgrond, mijn jongen, weet je, wat je noemt doorgronden, begrijp je? Geen één. Emilie’s moeder het minst van allen. Ze was een engel, een engel van goedheid en ze zorgde voor me en voor het huishouden en voor alles. Maar wat er, zoals je dat noemt in haar ziel omging, de hemel beware me, maar dat heb ik nooit geweten.’
En met een zucht van verlichting als van iemand die eindelijk een verontschuldiging vindt waarnaar hij lang heeft gezocht, vervolgde Marsanne:
‘Het is onmogelijk dat wij kunstenaars zo iets weten kunnen. Onze ziel, weet je, onze ziel blijft in het atelier, zowel voor als na het trouwen. Wij maken, wij scheppen, en juist daarom kunnen we niet analyseren. We zijn geen lui voor de praktijk van het leven. Hoe beter kunstenaar, hoe slechter psycholoog. Onze wereld ligt hier – en Marsanne, die zich hoe langer hoe meer opwond, sloeg zich op de brede borst – ‘onze wereld ligt hier en niet daarbuiten.’
Hij zag met glinsterende ogen voor zich uit over de lamp heen in de schemering, alsof zijn blik daar de beelden zag ontstaan, die hij nog dacht te scheppen, vóór het eind van zijn leven: een grote groep van meesterstukken. Pas na een poos herinnerde hij zich de werkelijkheid en amicaal en ruw beet deze wonderlijke schoonvader Armand toe:
‘Een kunstenaar moet verdomme niet trouwen!’
Beide kunstenaars bleven elkaar een tijd lang aankijken. Marsanne blijkbaar tevreden over zijn openhartigheid, Seyssel naar woorden zoekend om zijn schoonvader tegen te spreken zonder de goede man te kwetsen.
‘Ik heb er geen spijt van uw dochter getrouwd te hebben,’ zei hij tenslotte, ‘maar ik zou wel van u willen horen wat De Vescovato, die onmogelijk oprechte sympathie voor haar voelen kan, waarschijnlijk van haar wil. Als ik dat raden kon en het haar zeggen, zou ik veel hebben gewonnen.’
‘Inderdaad,’ zuchtte Marsanne,’wie weet? Zij hebben soms wonderlijke grillen, die vrouwen. Maar Emilie is een braaf kind, heus, mijn jongen, een braaf kind.’
Toen verdiepte hij zich in het bestuderen beschouwing van de tekening waaraan bij bezig was en scheen Seyssel te vergeten. Waarom probeerde deze hem ook uit de sferen van de kunst naar beneden te trekken? Armand keek verstrooid naar het papier. Nauwelijks had de oude beeldhouwer dit opgemerkt of hij riep in zijn naïef egoïsme:
‘Een prachtwerk, hè? Dat been! En als je het in de werkelijkheid zag zou je er dag en nacht aan denken. Zo zuiver van vorm bestaat er geen tweede menselijk onderstel. Maar ze kost me dan ook grof geld, die Sossy!’
Armand voelde wel dat hij van zijn schoonvader geen advies hoefde had te verwachten. Beide heren spraken nog een poos over hun vak en daarna liet Seyssel de beeldhouwer alleen.
Hij overdacht de woorden van de oude man die er zo innig van overtuigd was dat zij, wier leven één grote zoektocht is naar het schoonheidsideaal, machteloos zijn tegenover de vijandelijke invloeden van de grote wereld buiten het atelier. Moest de moderne kunstenaar zich dan beperken tot een bestaan zoals dat van de oude Italiaanse meesters, wier genie werd gekweekt in de kuise stilte van een kloostercel?
Zij hadden grootse werken voortgebracht, maar de weerspiegeling van het volle leven lag er toch niet in. Armand vond dat de hoge roeping van de kunstenaar is: het banale mooi te makem; als profeet van het mooie te getuigen van dat wat allen kunnen voelen en zien. Zo’n ziener mocht geen kluizenaar zijn. Maar wie de wereld ingaat, moet gewapend zijn. Hij wist nu dat men het dierbaarste wat men bezit, kan moeten verloochenen en nam zich voor, uit liefde, zijn hartstocht te onderdrukken. Streng als een heerser zou hij zich tonen nu het misdadig zou zijn nog langer zwak als een minnaar te zijn.
II.

 

Het leven van Cléopatre de Vescovato was in veel opzichten gelijk geweest aan dat van de meeste avonturiersters die met hun nieuwe adellijke naam een schandelijk verleden moeten bedekken. Totdat zij oud en arm zelf de sluiers wegrukken en het publiek in haar sappige memoires een blik gunt in de achterkamertjes waaruit zij hoe langer hoe rijker en hoe langer hoe meer gevreesd en bejubeld tevoorschijn
Op haar elfde jaar verkocht zij in Bulgaars kostuum bloemen in een soort van Eden Theater in Wenen. Op haar veertiende leerde zij een schatrijke Corsicaan kennen die het kind meenam naar zijn buitenplaats en daar liet onderwijzen. Cléopatre werd moeder en dreigde de grote bankier met een smaadproces. Hij trouwde met haar en vluchtte letterlijk naar Parijs waar het kind stierf. Daar leidde het echtpaar, ieder op eigen gelegenheid, een losbandig leven totdat De Vescovato, bijna geheel geruïneerd, geld moest aannemen van zijn vrouw. Cléopatre, zelf al een tijd zonder geld, besloot een klus aan te nemen als operettezangeres die een derderangs impresario haar aanbood. Zij trad op in Cairo, Berlijn, Wenen, Sint Petersburg en verbaasde haar publiek door de weergaloze kostuums die grotendeels uit vleeskleurig tricot bestonden en die zij in de mode bracht. De impresario werd rijk maar een schandaal verwekkende rechtszaak met zijn medewerkster deed hem een groot gedeelte van zijn winst weer verliezen.
Letterlijk beladen met edelstenen kwam Cléopatre van haar ‘kunstreizen’ terug; rijk en mooier dan ooit. De Vescovato moest haar in de wereld brengen. Daartoe beperkte zich zijn recht als echtgenoot. Hij werd voor zijn laaghartigheid betaald.
Maar de gravin voelde zich ongelukkig, onvoldaan. Zij gokte om prikkels te krijgen maar het geluk begunstigde haar constant en de prikkel van het spel verstompte. Uit deze periode dateren haar veelbesproken vriendschappen met allerlei bekende en beruchte toneelspeelsters en andere werkloze demi-mondaines.
Een van die ‘vriendinnen’ leerde haar zich met morfine in te spuiten. Cléopatre werd morfinomane. Aanvankelijk genoot zij vreemde dromen en verschrikkelijke hallucinaties maar haar sterk gestel verzette zich tegen de invloed van het gif, dat zij al snel niet meer verdragen kon. Zij probeerde het daarna met cocaïne, met opium, met hasj; maar tevergeefs. De vriendin stierf aan haar passie; Cléopatre nam de waarschuwing ter harte en waagde zich niet aan nieuwe experimenten.
Ondertussen had zij op haar beurt leerlingen ingewijd. Uit de hartstocht voor de morfine ontwikkelde zich bij haar een andere, nog schuldiger hartstocht: die om als priesteres op te trede van een nieuwe satanische overtuiging. Het werd haar een wellust jonge vrouwen bij zich te lokken, die in de geheimen van de bedwelmkunst in te wijden en de verschrikkelijke gevolgen van het kwaad dat zij zaaide aan te zien. Met evenveel satanisch vermaak en tijgerachtig geduld als zij haar man had geruïneerd, puur uit lust om hem te gronde te richten, verwoestte zij nu de gezondheid van haar slachtoffers en het levensgeluk van hun naaste verwanten. Op allerlei manieren vermeerderde Cléopatre haar aantal prooien. Diegenen om geld verlagen zaten kocht zij om, diegenen met onnoemlijke passies hadden verleidde zij en jonge mannen werden door haar verleid als de zeelieden uit de oudheid door de Sirenen.
Want de voormalige paria had een oude rekening te vereffenen met de moderne maatschappij en haar voornaamste leden. Dat maakte ze althans zichzelf wijs, omdat ze wel eens over een soortgelijke wraak had gelezen. In haar optiek was zij een zweep in de hand van de Gerechtigheid en haar instinct om gruwelen te bedrijven sierde zich met een grote naam. Zij deed net als de pétroleuses van de Commune van Parijs die bij hun arrestatie, deden alsof ze slechts uitvoersters waren van een rechtmatige wraak: de wraak van de verdrukten!
Maar de adellijke hyena had helemaal geen vervolging te vrezen. Zij kon het werk van de duisternis straffeloos verrichten. Onze maatschappij wreekt niet elke moord en staat juist tegenover haar gevaarlijkste vijanden ongewapend
Hoe langer de rij werd van haar slachtoffers, hoe meer zij zelf zich beperkte in het gebruik van bedwelmende middelen. Want haar droombeelden werden hoe langer hoe verschrikkelijker. In de slapeloze nachten die zij moest doorworstelen verschenen voor haar de schimmen van de jonge mannen en vrouwen, die zich met moeite naar hun graf sleepten, God biddend om verlossing uit hun eindeloos lijden. En daaronder waren er niet die zij had liefgehad, want zij kón niet beminnen maar die zij vroeger had begeerd en nog begeerde. Het was haar wel overkomen dat zij het eenmaal gezaaide kwaad in zijn ontwikkeling had willen tegen gaan. Maar zelfs een duivelin als zij kan niet op tegen de toenemende hartstocht en die tergende machteloosheid is de enige straf voor wie hebben verleerd naar de stem van het geweten te luisteren.
Cléopatre zag nu de enige man voor wie zij ooit iets anders dan diepe minachting had gevoeld, verkwijnen, verdierlijken, levend vergaan!
En Raskolnikov, de verwoede nihilist, voor wiens duistere macht heel Rusland had gesidderd, pleegde in haar dromen de schimmenrij aan te voeren. Hij wierp zich dan op haar bed en, de ontvleesde arm om haar hals slaande, smeekte hij haar om nieuw bloed, om warmte, haar, de vleesgeworden gezondheid, wier levenssappen edel waren als de gouden Tokayer uit haar tweede vader land. Dan wilde zij hem verwarmen aan haar brede borst maar zij verwondde zich aan zijn beenderen en zij rilde van de kilheid van zijn ledematen: het was een lijk dat ze omhelsde…

Die droom kwam steeds terug elke keer als zij onder de invloed van de morfine was, die alleen rooskleurige visioenen geeft aan verse adepten van haar satanische vernietigingsleer. Geen ethanol kon die verschrikkingen verjagen, geen hasj voerde haar in een tijdelijk nirwana…
Als zij eindelijk opstond uit haar bed waaraan Morfine haar gekluisterd had gehouden als aan een pijnbank, zwoer Cléopatre nieuwe slachtoffers te zullen maken, zodat nieuwe vreemden mochten lijden, wat die ééne geliefde leed en zij zich dronken zou kijken aan hun wegkwijnen. Dan pleegde zij een onderzoekende blik te slaan op haar mooie vormen, waarin de helse macht school die zij in dienst van haar godin van de Vernietiging stelde. En het levensgrote portret van Raskol, dat boven haar grote spiegel hing leek dan te leven. Te leven door een begeerte die in de man, één het model, al sinds lang was gestorven.
In die ogenblikken zwoer zij hem te zullen wreken alsof hij niet háár slachtoffer was geweest. Want elk gevoel was voor haar een prikkel tot misdrijf, zelfs het gevoel dat zij liefde durfde te noemen.

 

***

 

Emilie was aanvankelijk een makkelijke prooi. Cléopatre had haar gelokt met haar rijkdom en haar schijnbeschaving. Maar al snel was zij zich met hart en ziel op het bederf van dit jonge vrouwtje gaan toeleggen. In het begin omdat zij meende iets te voelen voor Seyssel, die haar met opvallende koelheid bejegende en niet naar haar keek zoals zij gewend was door mannen te worden bekeken. Verder omdat Emilie, in haar eenvoud, vertelde dat zij gelukkig was in haar huishoudentje. Dit geluk moest vernietigd worden. Tenslotte omdat de nieuwe adepte halsstarrig en achterdochtig bleek. Het had veel moeite gekost haar een eerste naald te doen nemen en Emilie was na eindelijk van de verboden vrucht te hebben geproefd zeer ziek geweest. Pas veel later had ze zich gedwee laten inspuiten, blijkbaar vooral om Cléopatre genoegen te doen, die veinsde zich samen met haar te bedwelmen en dan deed alsof ze wakend droomde, wat echte morfinomanen nooit doen!
Zij nam het vrouwtje in haar armen en deze, half ziek, half in verrukking, ijlde dan met haar vriendin mee en deed haar best om daar genot in te vinden.
Die middag hadden zij samen het middageten gebruikt voor het eerst zonder Seyssel verlof te vragen. Cléopatre, die ’s nachts weer gefolterd was, besloot haar verdelgingswerk een heel eind verder te brengen. Zij was daarom guller dan ooit met haar vleierijen en liefkozingen. Men at vroeg zodat ze lang rustig samen konden zijn. Ze hadden een Hongaarse wijn gedronken die Emilie nooit eerder geproefd had en die haar plotseling naar het hoofd steeg. Een geweldige malaise maakte zich van haar meester.
Cléopatre stelde voor om na het eten wat te gaan rusten in haar boudoir en Emilie stemde daarmee in. Het was een heiligdom, dat boudoir!
De muren van bet kleine vertrek waren behangen met lichtrozerood satijn waardoor, met lichter draden nog, witte rozen geweven waren: witte rozen, die leken te baden in purper avondlicht.
Voor de brandende gashaard, stond een laag Japans vuurscherm van strakgespannen zijde in een dof-verguld bronzen raam. De stof was donzig-rood als de borst van een flamingo. Zware fluwelen gordijnen verborgen het raam en de beide deuren waarvan er een toegang verleende tot de badkamer en de ander tot een slaapkamer.
Het was bet heiligdom van een moderne Venustempel; want in het midden van de zoldering, waartegen hetzelfde weefsel dat de wanden bedekte gespannen was in duizend smalle, stervormige plooien, hing een kleine bronzen lamp in de vorm van een toorts dragende Amor. Het licht brandde in een rozerode ballon, zo bescheiden dat men niet wist of het licht door het boudoir stroomde of dat het zachte schijnsel van muren en zoldering daar ineen vloeide tot een brandpunt van toverlicht,
Het vloerkleed leek een tapijt van rozenbladen waarin de meubelen, zo licht en zo slank, de ranke voeten baden. Zij hadden iets antieks, die schelpvormige leunstoeltjes, die brede divans met hun zwaar vergulde, strenggelijnde versieringen, die lage kastjes waarop, als offers op altaren, honderden snuisterijen stonden, in meesterlijk berekende schijnbare wanorde.
Oosterse wellust, klassieke schoonheid, Westerse comfort: Cléopatre de Vescovato had deze drie elementen weten te verenigen tot een bedwelmend geheel.
Hier troonde zij als priesteres.
En de white rose-geur, vluchtig als de lentewind maar doordringend als een liefdevolle blik, trok voor altijd in al deze kostelijke weefsels, al deze zeldzame meubelen en snuisterijen, zoals de wierookwalmen eeuwig blijven, zelfs in verlaten tempels.
Zodra zij daar binnenkwam, voelde Emilie dat zij zich willoos zou moeten overgeven aan haar vriendin.
Deze ontkleedde haar zo handig en liefkozen als een liefhebbend echtgenoot het nauwelijks zou kunnen doen. Zij wierp over haar dunne doorzichtige kleding een warme kamerjas en droeg het vrouwtje toen naar een van de divans, die zij voor het vuurscherm rolde. Pas daarna belde zij om de kamenier.
Toen een wijd overkleed van ragfijne zijde, met het dunne foulard haar intiemere kledingstukken, slechts een rozig wolkje vormde om haar mooi leden, vleide Cléopatre zich naast haar prooi neer. Zoals een welluidend beekgemurmel de bloemen aan de oever tot luisteren schijnt te dwingen, noopte Cléopatre’s stem, die zij zacht en muzikaal wist te maken, als trilde er een eindeloze liefde in, Emilie tot lijdzaam luisteren. Het was of de woorden van geruststelling en troost warm waren en rooskleurig en geurend als de voorwerpen uit deze betoverende omgeving. Zij drongen in het gemoed en verlamde daar elke geestkracht, het Geweten zweeg als schaamde het zich over de onaangename ruwheid zijner stem.
Cléopatre beklaagde zich tenslotte over de leegheid van haar bestaan, zonder liefde, zonder huiselijk geluk, zonder rust. Geen buitengewoon begaafde, geen fijn georganiseerde vrouw kon genoeg hebben aan de kille werkelijkheid. De liefde van de mannen was zowel grof in zijn uitingen als in hun lust. Vrouwengenegenheid duurde de duur van de vlinders; de jaloezie joeg haar spoedig op de vlucht. En zelfs de heerlijke omgeving waarin zij leefde, verdween voor haar, omdat er elke dag iets van weg zonk in de macht der gewoonte, die haar weldra zou beletten er van te genieten.
Slechts de zoete dromen bedriegen niet. ‘Wat aan de vroomheid van de Oosterse filosofen dienstbaar was, maakte het leven dragelijk aan de fijnbeschaafde onvromen uit het Westen. Wie de bedwelming van de godsdienst ontberen moet, omdat hij ze als te grof verwerpt, blijft de éénig onbedrieglijke, verfijnde bedwelming van de  morfine. Het Eden is voor wie er durven ingaan…’
Emilie beefde. Zij voelde dat haar gemoed werd vergiftigd vóór haar lichaam het heldere gif zou moeten opnemen. Maar ze was weerloos.
Cléopatre nam een rijk geëmailleerd etui van een gueridon. In het rozerood fluwelen kussen, lagen een klein Pravaz-spuitje en een flacon, beide van Saksisch porselein, waarop engeltjes geschilderd waren die stoeiden in een door de maan beschenen rozentuin.
‘Zie hier de sleutel van ons Paradijs!’ fluisterde zij  met geveinsde harstocht. Toen vulde zij het spuitje met de gegradueerde zuiger en stak er een fijn, hol naaldje in, waarna haar blanke hand verdween onder een brede wolk van ruisende zijde en kant. Toen zocht zij, ditmaal zonder iets te vragen, onder het wijde kleed van Emilie een geschikte plek. Zij kuste het vlees, dat sidderend scheen terug te wijken. Maar de holle naald hing, net als een angel, in de blanke huid; de naald dreef er het heldere gif doorheen en er vormde zich een dikke, witte blaas, die Cléopatre haastig met haar zakdoekje bedekte. Enkele seconden later was de wond verdwenen. Een hoeveelheid morfine, dubbel zo groot als die zij tevoren had durven nemen, joeg door Emilie’s lichaam, dat zich bevend achterover wierp op de divan. Het jonge vrouwtje sloot haar ogen. Cléopatre wiste haastig het vocht weg, dat ze zichzelf, voorzichtigheidshalve, niet in — maar over het lichaam bad gespoten, waarop zij, rillend en zuchtend, neerzeeg…

 

***

Emilie sliep een zware slaap: zij had uitgedroomd en de vreemde aandoeningen waren eindelijk geweken, nadat zij haar lichaam hadden uitgeput, zodat het neerlag als een zwaar, vormloos pak, onder het wijde kleed van Cléopatre.
Deze liep driftig de kamer op en neer.

Ja, Raskol had gelijk: zij was nihiliste geboren, zij bezat het genie van de  vernietiging en kende de wellust — in de gevolgen het tegenovergestelde, als aandoening een broer  van die van de  kunstenaars — de wellust van de  verdelging, voor zovelen onder de echte Slaven, betoverend als die van het scheppen.

Wat was het geweten, wat was de vrees, wat was de zogenaamd ingeboren zucht tot zelfbehoud, tegenover de Verleiding? Niets, niets, niets! De overmacht van het goede op het schadelijke, maar aangename, is nihil! Die vrouw, die daar neer lag als een dronkaard, had een man, die zij voorgaf te beminnen; waande zich zedelijk, fatsoenlijk, ingetogen…

Maar zij had de echtgenoot vergeten èn de moraal èn het fatsoen èn de schuchterheid, om zich dronken te laten maken door haar, de sluwe verleidster! Deze zou de stalen angel nogmaals hebben willen drukken in de huid van de slapende en dan nog eens en nog eens. Kon ze het niet? Die zwakkelinge, daar, placht te bazelen over haar geluk, over de liefde van die holenbeer van een Seyssel… Dat geluk kon zij vernietigen, in één avond! — maar niet die liefde. Nee, die overmoedige vrouw moest vernederd worden, verlaagd, verdierlijkt, verstoten door haar man. Geboren tot kwaad doen, zou Cléopatre, de bloemenverkoopster, door het leven gaan als een afgezant van satan. Was er machtiger heer te dienen?
Raskol, die de hand had gehad in alle moordaanslagen op zijn vorst, de onbekende leidsman van de  sombere scharen, die door niemand werd verdacht en op wiens bevel honderden de dood waren ingegaan, zonder  één klacht en zonder één bekentenis, mocht al sterven aan zijn hartstocht, de geordende maatschappij zou er niet beter om varen. Want het verwoestingswerk werd voortgezet. Wat geen eedgenootschap vermocht, kon de morfine, toegediend door een mooie vrouw.
Cléopatre duizelde van onmenselijke vreugde. Haar eerste ernstige proefneming was gelukt. Zij zou verder gaan, verder en hoger!
Toen nam zij uit een juweelkistje een vreemd gevormde, gouden penning, waarop, behalve Raskols initialen, mystieke tekens stonden; deed het kettinkje waaraan hij bevestigd was om haar nek zodat het kille metaal in de diepe groeve gleed onder haar keurslijf en sloot de ogen, duizelig van trots.
Was zij niet ingewijd in de hoge mysteriën van zijn bentgenootschap, en de ‘vrije echtgenote’ de vermoedelijke opvolgster van een machtig afdelingshoofd? Verschrikkelijker dan de nitroglycerine, is het heldere gif, dat niet ontploft, maar langzaam en in alle stilte doodt. De aureool van het martelaarschap mochten anderen najagen: zij verdelgde om te verdelgen en niet om zelf vernietigd te worden. Wat haar van de ‘broeders en zusters’ onderscheidde, was dat zij het beginsel veinsde aan te nemen ten einde propaganda te kunnen maken met de daad, terwijl geen propaganda maakten om bet beginsel. Alsof er één beginsel de moeite waard ware om te worden verspreid, hoe dan ook!
‘Neen, neen, en nog eens néén!’  riep zij, ‘machtig in de mens en in de maatschappij is slechts het instinkt… . en de duivel.’
Wolvin was zij gebleven, de Slavische, al huisde zij ook in een bonbonnière.
Toen Seyssel zijn vrouw kwam halen, liet men hem in het boudoir, waar hij de beide dames aantrof, die zich pas losrukten uit een omhelzing, toen het  zware gordijn achter de binnenkomende was dichtgevallen.
‘Zij is niet lekker, het lieve kleintje, zij is niet lekker, meneer Seyssel.’
Armand snelde nader. Emilie was doodsbleek en haar flets geworden ogen waren, als met steenkool, dik onderstreept.
‘Onze lieveling is dodelijk vermoeid. U zou goed doen haar wat te ontzien’, – vervolgde Cléopatre, ‘zij is niet heel sterk. Daarom neem ik haar ook zo vaak mee in de vrije lucht en probeer ik haar wat op te kweken in huis. — De ware liefde, mijnheer Seyssel, openbaart zich vooral in bezorgdheid en zorgzaamheid.’
rmand, die gekomen was met het voornemen om de Vescovato te laten weten dat ze zijn vrouw voorlopig niet meer bij haar zou zien, was ontwapend. Er lag, in de woorden van die ongenaakbare dame, een verwijt dat hij zich bewust was te verdienen. Dus had hij haar ziek gemaakt, zijn lief vrouwtje?
Toen hij met haar alleen was in het rijtuig, schoof Armand voorzichtig zijn arm onder haar hals. Emilie sluimerde, doodmoe.
‘Vergeef me, mijn engel, vergeef me!’- fluisterde hij.
En het schijnsel van de gaslantaarns, dat in hun rijtuig viel, deed zijn tranen flonkeren. Waren zij niet van edeler water dan de versteende liefdestranen: de veile diamanten?

 

III.

Het helder gif werkte.
Voor de ongelukkige morfinomane was het een minnaar geworden, die haar zoete dromen geschonken had, terwijl hij haar geest kuste met een onstoffelijke Judaskus.
Maar de wittebroodsweken van de gruwelijke echt vliegen ijlings om en zij keren nooit weer, nooit: zelfs niet voor één dag, niet voor één enkel uur. Buiten haar echtgenoot had Emilie een andere, machtiger partner gekozen en die partner werd binnen enkele weken haar tiran, haar beul!
De eerste keren, dat zij zich met wellust had ingespoten, was er op het ogenblik van malaise, een ander van moeilijk te omschrijven genot gevolgd. Het bloed scheen dan vlugger door de aderen te stromen, het hoofd werd helder van de, de verbeelding baldadig. Haar gedachten kwamen en stroomden in verrukkelijk dichte drommen, helder als kristal en precies als een meesterlijk getrokken lijn. Een onbedwingbare behoefte om, tegelijk, van al haar organen te genieten, maakte zich van haar meester en, waar de werkelijkheid tekort schoot, hielp de machtige fantasie haar om al die lusten bot te vieren. Cléopatre’s pianogetokkel klonk baar als een engelenzang in de oren, waarvoor zij de verheven woorden improviseerde en, in gedachten, jubelde. Dan zwom zij in een zachtblauwe ether, hoog boven de aarde, doch tot waar de vluchtige geuren opstegen uit een Miletischen rozenhof. En de aanvoerder dier hemelse scharen wiegelde haar in zijn armen, tot zij insluimerde op zijn brede borst, waarover het zachte lijnwaad grote plooien wierp.
O, die half verheven, half zinnelijke droom was vaak teruggekomen, als zij hem maar tot zich riep, vóór ze zich ter ruste uitstrekte op Cléopatre’s donzige divan. Doch hij verflauwde, zelfs als zij zich inspande en er bijna de inhoud van een autosuggestie van maakte. Dan moest zij meer morfine nemen en nog meer, ofschoon zij wist dat het ontwaken verschrikkelijk zou zijn. Ten slotte, na een paar maande van overmatig gebruik, bleven de mooie visioenen weg. Zij was wel levendig en dichterlijk gestemd vóór de slaap, maar zodra zij de ogen sloot, schitterde nijdige sterren in het duister, gevoelde zij een hevige drukking op de slapen, werd ze angstig, benauwd, om eindelijk met duizelingen wakker te schrikken.
En toch spoot Emilie zich in, niet alleen bij Cléopatre, maar ook thuis; niet ééns, maar tweemaal, driemaal, eindelijk viermaal per dag. ’s Morgens, werd zij wakker met een gevoel van zwaarte in de ledematen en was zij te zwak om te staan. De morfine moest haar kracht en moed schenken om aan het ontbijt te komen, het Gezicht van het dejeuner ontnam haar allen eetlust; de morfine moest die weerom geven. Zo met het middagmaal; zo ook, tegen de nacht. Zij verkeerde nog niet in de periode, waarin het état de besoin is ingetreden, maar toch eiste haar organisme dringend zijn gif. De hersens niet het minst. Zij werd slecht van humeur en moest zich, om dit voor de enkele vrienden, die haar kwamen zien, te verbergen, alweer inspuiten; waarna zij vrolijk was en geestig en voorkomend, zodat Armand haar soms verwonder d aanzag, niet wetend waaraan die plotselinge ommekeer toe te schrijven. Emilie had zich dan, onder enig voorwendsel, verwijderd om weer binnen te komen met flonkerende ogen en vlammerige wangen.
Het gif werkte snel.
De verschijnselen, die doorgaans eerst na een jaar morfinomanie optrede, waren bij Emilie al na vier maande waarneembaar. Cléopatre, toch, zette haar leerlinge met al de verschrikkelijke kracht haar verleiding tot voortdurend vermeerderen van de doses aan.
En niemand had Emilie gewaarschuwd, die van de morfine en het morfinisme niets anders afwist dan wat haar vriendin nodig geoordeeld had haar mede te delen.
De lijder aan het zogenaamd therapeutisch morfinisme kent ten minste het gevaar, al vermijdt hij het maar al te zelden. Het duurde dan ook lang eer Emilie begreep dat haar malaises slechts gevolgen waren van haren hartstocht en, toen zij dit inzag, was het te laat om, zonder krachtige steun, genezen te kunnen worde.
De gruwelijke minnaar was niet slechts bedrieglijk en wreed. Hij verlaagde de vrouw, die zich aan hem had overgegeven, zowel geestelijk als lichamelijk.
Van het ogenblik dat er een verschrikkelijk geheim bestond tussen Armand en haar, was Emilie haren man gaan schuwen. Zij kon het hem niet openbaren, zonder de anderen, machtiger gade aan haar echtgenoot op te offeren en moest daarom haar nieuwen hartstocht voor deze laatsten verbergen. Hierdoor werd zij gedwongen te liegen en te bedriegen, net als de vrouw die een andere man bemint.
Men veinst niet straffeloos voor iemand, die het recht heeft alles te weten. Emilie, in dit gevoelen versterkt door haar vriendin, begon hém te haten, wiens aanwezigheid haar belette zich geheel en al over te geven aan haar passie. Nu moest zij honderd d uitvluchten bedenken om zich te kunnen verwijderen, als zij samen waren, en zich vaak in donker de verlangde piqures geven, zodat soms het holle naaldje brak of verstopt werd, welk onheil haar kon doen ween van drift.
Daarbij kwam dat Seyssel zich ongerust maakte over de voortdurend slechter wordende gezondheidstoestand van zijn vrouw, en daar was reden voor. Zij werd anemiek, zenuwachtig, sliep slecht, at weinig, bedierf haar maag met choraal en trachtte zich soms te bedwelmen met alcohol.
Haar humeur werd met eiken dag slechter. Zij vermeed het atelier en sprak nooit over kunst dan om het talent van een andere dan haar man te verheerlijken. Niet zelden, speelde zij de coquette, gaf Armand te verstaan dat men haar lief vond en mooi, haar dit durfde zeggen en op allerlei, meer of minder kiese wijzen, het hof maakte, verlangend dat Seyssel jaloers mocht worde en haar zou nagaan om hem dan een dwingeland te noemen en, in haar ogen, het recht te hebben de ongelukkigen man te verachten. Doch, al was Seyssel een slecht vrouwenkenner, Emilie was een nog onhandiger intrigante en het procedé bleek te grof om dienst te kunnen doen. Al wat Armand begreep, was dat zij hem wilde kwellen en dit was al meer dan genoeg om de man ongelukkig te maken.
Ook het huishouden werd verwaarloosd. Haar huishoudgeld versmolt op de talloze tochtjes naar de grote Parijse magazijnen, waar Cléopatre haren kooplust aanwakkerde. Er bleven huishoudelijke rekeningen onbetaald, de meid beweerde in voorschot te wezen; zelfs gebeurde het eens dat de gascompagnie dreigde de meter weg te laten nemen omdat er twee nota’s waren teruggezonden.
Intussen, zag Seyssel het ene nutteloze voorwerp na het andere de eetkamer en het salon vullen, totdat het appartement een uitdragerij leek. Plotseling kreeg Emilie een kostbare voorliefde voor hardglas, zodat al het vaatwerk voor glazen ingrediënten werd verruild; doch— nadat er een bobèche geknapt was en een messelegger gebroken — moest alles teruggegeven worde aan de leverancier, wat Seyssel in eindeloze moeilijkheden bracht en aan zijn vrouw een onwelluidende bijnaam in de buurt bezorgde. Toen beproefde zij het met geëmailleerd metaal!…
Maar deze dwaasheden, in verband met zekere fysieke verschijnselen, die zich bij Emilie openbaarde, brachten haar man op een denkbeeld, dat hem lang aan geduld en lijdzaamheid heeft geholpen. Armand hoopte vader te worde en, toen zijn hoop, juist door de verdrukking, waarin hij leefde, bijna tot zekerheid geworden was, besloot hij eindelijk, desnoods tegen de zin zijner vrouw, een arts te raadplegen.
De dokter kwam, vroeg en onder zocht. Hij ausculteerde, betastte weer, vroeg weer… maar, toen Armand hem, bij het heengaan, tegemoet snelde, zag de man van de wetenschap de armen echtgenoot medelijdend aan.
Wat haar scheelde? ‘Verzwakking van het organisme, malaria, enfin; storing in een gewichtige levensfunctie, slechte spijsvertering, névrose…  Kortom, de dokter noemde tal van gevolgen, waarvan hij de oorzaak verzweeg.
O, hij is discreet, die machtige minnaar, die begint met de ziel te kussen om haar eindelijk te doden. Zijn omhelzing laat geen andere zichtbare, typische sporen na dan de littekens van de piqures en die weet de vrouw te verbergen, waar geen ongewaarschuwd medicus ze zoeken durft. Als zijn slachtoffer hem maar niet, uit onwetendheid of uit wanhoop verraadt, heeft hij zo goed als niets te vrezen van zijnen doodvijand, de dokter die, zo hij geen specialist is of geen grondige reden heeft hem bij het ziekbed te zoeken, steeds zijn diagnostiek verkeerd maakt of vaag. ‘)
Emilie vond dat Cléopatre alweer gelijk had, ditmaal door te beweren dat zij zich gerust door een dokter kon laten onder zoeken. Zij zou zelf zien hoe de morfine volstrekt geen schuld had aan haar ongesteldheid. En op nieuw vermeerderde zij de dosis, die nu bestond uit een gram per dag. De verklaring van de dokter gaf haar tevens nieuwen vat op Seyssel, die zij niet kon vergeven haar te dwingen tot veinzen en liegen. Inderdaad kon de arme man nu niets meer zeggen, zonder dat zij hem verweet baar zenuwachtig te maken en haar te doden door zijn ondragelijk humeur.
Seyssel was radeloos.
Nu de enige verklaring van Emilie’s gedrag, die hem aannemelijk was voorgekomen omdat zij de grond van haar karakter onaangetast liet, vals bleek, durfde bij naar geen andere te zoeken. Maar de vermoedens resen bij hem op in dichte drommen om zich, langzamerhand, te gaan groeperen om dit een feit: dat Cléopatre de intieme vriendin van zijn vrouw was en dat de mensen, die de Parijse wereld kende, daarover hoogst verwonder d waren. De Vescovato, die hij instinctmatig beschouwde als de incarnatie van het verleidelijkste kwaad ter wereld, moest al dit leed over hem hebben gebracht, maar boe?
Hij was dus nog even ver als de avond, waarop hij besloten had aan de vriendschap dier beide een einde te maken, met deze verslechtering, dat hij de liefde van zijn vrouw had verbeurd en haar gezondheid ondermijnd zag.

Maar ditmaal zou hij, op welk een vaag vermoede dan ook, snel zijn besluit nemen en dit even snel ten uitvoer brengen; bet mocht kosten wat het wilde. Vér zou hij haar wegvoeren van die verschrikkelijke vijandin, wier invloed hij duchtte en voor wier geheimzinnige macht hij sidderde.
Seyssel maakte al wat hij aan courante waarde bezat te gelde, huurde een optrekje te Arcachon, waar een Hollands vriend van hem woonde, en eerst toen alles in orde gemaakt was, trad hij, voor het eerst tijdens zijn huwelijk, op als gebieder.

Er vielen heftige tonelen voor. Emilie noemde hem een tiran; zwoer hem dat hij het laatste overschot van haar genegenheid zou verbeuren, en dat hij haar vermoordde door haar weg te rukken uit Parijs, waar ze altijd gewoond had en waaraan zij gehecht was, zoals een kind zich hecht aan de ouderlijke woning.
Zij vluchtte naar haar vader de; maar de beeldhouwer stelde Armand, sterk door een voorschrift van de dokter, in het gelijk. Eerst na een hevige strijd, besloot Emilie haren echtgenoot te vergezellen. Cléopatre, eigenlijk zeer verheugd vooreerst van haar leerlinge, die wat crampon werd, bevrijd te zullen zijn, had deze zelf de reis aangeraden en beloofd haar een
grote hoeveelheid morfine in kristalvorm mede te zullen geven. Nog één les was nodig. Emilie moest zelf haar oplossing leren maken; want het was niet waarschijnlijk dat men te Arcachon even gemakkelijk het verlangde gif zou kunnen krijgen als in Parijs.
‘Hier zijn apothekers genoeg; — zei Cléopatre — ‘die hun cliënten, vooral de vrouwelijke, alleen op vertoon van een meer of minder authentiek recept, dat desnoods door een buitenlandse arts, in een vreemde taal, kan zijn opgesteld en waarop zij doorgaans niet eens hun datumstempel drukken, leveren wat men maar komt vragen. Sommigen eisen slechts een leeg flesje, liefst van de etiquette van een collega voorzien, dat ze dan vullen zo vaak ze willen zonder hiervan aantekening houden in hun boek. Wie enige apothekers van dit allooi kent, kan zich, binnen één week, voorzien van een honderdtal grammen in oplossing. Maar het vocht wordt troebel op de duur. Men verwarmt het, maar dit baat maar zelden. De naalden raken verstopt, het gegradueerde zuigertje wordt, aan het onder einde, met een laag wit poeder bedekt en de steken worden pijnlijk. Men krijgt lelijke bulten, soms gevaarlijke abcessen, die de tussenkomst van een dokter eisen en dan komt, natuurlijk, het geheim uit. Daarom weten de echte liefhebbers de morfine bij grote hoeveelheden in kristallen te krijgen. Met behulp van een weegschaaltje, een trechter en wat filtreerpapier, kunnen zij dan zichzelf helpen, vrij wat gemakkelijker en goedkoper dan indien zij de apotheker in de arm moeten nemen. Een commissienota, op naam van een drogist of groothandelaar in apothekerspullen doet wondere n. Ook de hulp van een intern arts aan een of ander hospitaal is niet te versmaden. Wat hiervan zij, de kristallen heb ik, de kunst om er gebruik van te maken, zal ik je leren en de ingrediënten krijg je, bij wijze van souvenir, mede naar Arcachon.’
Een verschrikkelijke glimlach speelde om Cléopatre’s mond, toen zij deze laatste worde sprak. Maar Emilie sloeg haar de armen om de hals en kuste die grijnslach weg!
De Vescovato beduidde baar nu het volgende:
‘Hier heb je een Pravaz-spuitje, dat juist een centiliter inhoudt. Dat flesje daar, houdt er van de tig; dus zijn van de tig inspuitingen een flesje vol; begrepen?
‘Welnu, in van de tig delen (hier centiliters) water, los ik twee gram morfine op, dat geeft dus, per inspuiting, 1/15 gram en, daar je zegt doorgaans vijfmaal je naald te vullen, voor je bet naaldje uit de huid neemt, geeft dat 1/3 gram. ‘) Indien je je dus, als gewoonlijk, viermaal bedient, heb je l’/a gram, dus nog maar even meer dan het maximum, dat je al bereikt hadt. Maar ik zou beginnen met mij te matigen. Verder maak je natuurlijk meer dan 30 centiliter tegelijk.
‘Let nu op hoe ik mijn kristallen afweeg en hoe ik filtreer.’
Het kleine goudschaaltje kwam in beweging en Emilie kon niet nalaten de handigheid haar vriendin uitbundig te prijzen. Eindelijk, werd alles in een leer en etui gepakt, waarbij Cléopatre nog een keurig spuitje voegde, in goud gevat en met een half dozijn vergulde naaldjes er bij.
Aldus gewapend, had haar jonge adepte haar man desnoods tot in de binnenlanden van Afrika wel durven volgen.
Toen Emilie enige weken te Arcachon had vertoefd, waar Armand haar met tedere zorgen omringde, haar voortdurend gezelschap hield en met haar sprak over zijn artistieke gewaarwordingen, evenals vroeger, gevoelde zij haar oude genegenheid weer tot liefde aangroeien. Zij werd kalmer, beter geluimd, maar ook droefgeestiger en zwakker dan te voren. Ver van Cléopatre, maakte een onbestemd angstig gevoel zich van haar meester. Daar, in de vrije natuur, kwam ze tot het bewustzijn dat het tegennatuurlijk was, wat ze deed, zondig misschien. Allang had zij opgemerkt hoe bepaalde ziekteverschijnselen, die zich bij haar begonnen te vertonen, wel degelijk in verband stonden met haar morfinegebruik, al beweerde Cléopatre ook het tegendeel.
Mocht zij Armand, die edelen Armand, die nooit driftig werd, hoe zij hem ook tergde, die haar nooit iets verweet, hoe zij ook wanbestuurde, mocht zij die echtgenoot, die altijd de rol van dienend minnaar bleef vervullen, wel bedriegen? Want bedriegen deed zij hem toch, door zich in stilte over te geven aan een hartstocht, die slecht moest zijn al was het alleen maar omdat hij haar van Armand vervreemdde. ‘Een minnaar, die niet compromitteert en nooit ontrouw wordt’, had Cléopatre de morfinelust eens genoemd. Eerst hier, waar zij uur aan uur met Armand samen was, begon zij de diepe betekenis van deze beeldspraak te beseffen. Hij werd niet ontrouw, doch duldde ook geen verraad: tevergeefs probeerde zij zich te matigen. De tirannieke minnaar gedoogde niet dat men hem tekort deed en strafte elke onthouding met een reeks van ongemakken en een duldeloze droefgeestigheid.
Emilie dacht er over baren man alles te bekennen en hem te smeken haar behulpzaam te zijn in de ongelijken strijd, die zij met zichzelf te voeren had. Doch wat vermocht Armand? Zou hij zich niet, ontzet, wende tot een of andere dokter, die haar — zoals Cléopatre beweerde — plotseling alle morfine onthouden — en, naar alle waarschijnlijkheid, door verschrikkelijke martelingen doden zou?
O, haar vriendin was wél gelukkig! Zij nam straffeloos het gif en kon, wijzend op haar gezondheid, beweren dat zij onschadelijk was, die verschrikkelijke morfine!
Nu het Lente begon te worde, daarbuiten, en al wat leefde ook liefde en zich paarde in jubelzang en kleurenpracht en geurensymfonie, nu gevoelde Emilie dat zij een innig, een natuurlijk en geoorloofd genot had prijsgegeven voor een kortstondig en dodelijk genieten,
Zij zou weer hebben willen ervaren wat zij in de eerste maanden van haar huwelijk had beleefd: die zoete vrees, dat beschamend verlangen, die zwijmel, waaruit zij trots en gelukkig placht te ontwaken, die gedeelde vreugde, die verduizendvoudigde zaligheid!
Maar zij was koud als de grijze steen langs de zandweg, ongevoelig als de dorre bomen langs de kustzoom, die huiveren wanneer de lenteadem liefkozend door hun verschrompelde takken gaat. Voor allen en alles om haar heen werd het lente; voor haar bleef het winter, tot haar drongen de blonde zonnestralen niet door,
O, zij zag wel wat Armand hoopte nu zij minder onvriendelijk tegen hem werd; zij was niet voor niets vrouw! Maar het verschrikkelijke gif had haar jonge levenssappen bedorven, haar bloed verkoeld, haar het vermogen om lief te hebben ontnomen. Erger was zij dan de best, die met een vriendelijke glimlach de jeugd kan zien kozen en, in hun spel, een getrouw beeld begroet van haar genotrijk verleden. Want niet de Tijd had haar zinnen verstompt  maar het heldere gif, dat zij voor zichzelf bereidde, dat zij zich toediende in het geheim, alsof zij ging offeren aan een verboden liefde.
Daarbuiten, versierde lenteliefde allen, die minder en alles, wat zich paarde. Maar haar bleke hartstocht verschrompelde, misvormde haar en deed afgrijslijke gezwellen uitwassen op, de plek, waar ze zich inspoot.
Toen schaamde zij zich voor de Natuur, toen vond zij zich onwaardig om te leven, niet gerechtigd om haren man nog langer tot last te zijn en hem zijn vrijheid te onthouden,
zonder daarvoor iets in ruil te kunnen bieden. Van Muze, was zij een verachtelijk parasiet voor hem geworden.
Zij wilde sterven, sterven door de morfine. Maar zelfs die troost zou de wrede minnaar zijn slachtoffer onthouden. Na zich een grote hoeveelheid — een gram, naar zij giste — in eens te hebben ingespoten, werd zij zwaar ongesteld; het was haar of zij in vreeslijke pijnen bezwijken zou. Maar de Dood bleef weg en, toen haar man eindelijk thuiskwam van een uitstapje in de omstreken, vond hij haar in een diepen slaap verzonken, waaruit zij eerst de volgende dag, laat, ontwaakte.
Emilie gevoelde dat baar de moed zou ontbreken ten tweeden male een van de gelijke wanhopige poging te wagen. Doch haar plan was idéé fixe geworden. Zij wilde sterven; zij leed te veel. Ook lichamelijk, want de brede stoet van ongemakken, waaraan de morfinomanen ten prooi worde, was haar langzamerhand komen bestormen, het was alsof al haar organen verlamde en verstopte, of haar zintuigen met de dag zwakker werd of overgevoeliger…

In een donkeren, stormachtige nacht, ijlde zij heen, door regen en wind, naar het grijze zeestrand, waarachter de duisternis dreigend lag. En zij moest in die duisternis zien als in de geopende muil van een oneindig groot monster.

Een klein pakje droeg zij mede naar de ziedende zee. Het bevatte haar morfine en de werktuigjes, die Cléopatre haar had mede gegeven; want zij wilde niet dat, na haren dood, het schandelijk geheim zou worde ontdekt. Nu zij boete ging doen, mocht dit mét haar gaan in het eeuwige niet-zijn.
Onder weg, zag zij nog ééns om naar huis. Niet met weifelend gemoed; maar omdat Armand daar werkte, in het atelier, en misschien wel aan haar dacht. Hun gedachten zoude elkaar kunnen ontmoeten, wie weet? En dit zou hem goed kunnen doen, voor één enkel, vluchtig ogenblik!

Maar liet zwarte monster riep, huilend, om zijn vrouwenoffer. Het schuim spatte uit zijn kaken en stoof over het zand, ver weg.
Emilie ijlde het tegemoet, met uitgestrekte armen. Haar kleding klepperde in de nachtwind en lieten haar dunne enkels, die diep wegzakten in het natte zand, bijna onbedekt. Zij voelde dat de kou haar wonden deed opzwellen en de plek, waar zij zich de laatste dagen had ingespoten, brandde als ware hij met vitriool besprenkeld.
Opeens waadde zij door een plas. De Dood kon dus niet ver meer zijn. Het gehuil van het monster scheen nabij te komen…
Het nat was doorwaad. Toen hield Emilie even stand, nam het gevulde Pravaz-spuitje uit zijn foedraal en spoot het, op de tast, leeg in de groten slagader van de onderarm.
Dit had haar kunnen doden, onmiddellijk. Maar zij bleef nog bestaan.
Waanzinnig door de morfine, waaraan zij een laatste dienst had gevraagd, snelde zij de zwakke helling van het strand af, haar voeten met geweld uit het slappe zand rukkend.
Een grote golf nam haar weg, wierp haar omhoog, heel hoog
Toen werd alles licht Zij hoorde, even nog, de engelenzang, die zij bij Cléopatre had gehoord, zag de diepen ether en daarna niets meer, zelfs niet de nacht….

 

IV.

Er viel een zacht, blank licht door de hoge ramen van Seyssels atelier en, van tijd tot tijd, schetterde het geluid van een lijster in de werkplaats, waar alle voorwerpen mee-jubelde in heldere tonen. De brede houtskool-schetsen op grote vellen grof tekenpapier, die aan de wand hingen en de kleinere tekeningen, hier en daar verspreid, overstemde, zogen het zonlicht op met haar zwart als om het, tienmaal versterkt, weer te laten ontsnappen door de lichtplekken in bos- of stadsgezicht.
Dat alles vormde een scherpe tegenstelling met het groepje mannen in het zwart die, vóór een grote schildersezel, maar met de rug er naar toegekeerd, zaten te praten. Eigenlijk sprak er maar één: de lange, magere man met het gouden brilletje. Twee anderen luisterden.
De grijze Herculeskop van Marsanne bleef recht opgeheven in de richting des sprekende; het bleke hoofd van Seyssel, waarom de donkere haren en zwarten ringbaard een rouwrand vormde, hing schuin naar beneden.

Beide kunstenaars trachtten te begrijpen wat hij hun zei, de machtige man van de wetenschap, het was Emilie’s dokter, een landgenoot van Seyssel en vriend van zijn familie.
‘Zoals u weet, mijn heren, vond ik mijn patiënte in het ziekenhuis ten prooi aan hevige zenuwcrises en ontzettende krampen. Zelfs was een collapsus te vrezen. De interne arts wist niet voor welk geval hij stond. Toen werd ik geroepen om de drenkelinge te onder zoeken. Ik zag bulten, een abces… ik merkte nog andere verschijnselen op en dacht meteen aan de verschrikkelijke modekwaal: het morfinisme. De controle was gemakkelijk uit te oefenen. Een enkele inspuiting met een centigram morfine bezorgde de lijder veel verlichting, een tweede bracht haar tot kalmte, stelde haar in staat te spreken.
Toen vernam ik wie zij was/’
‘Grote God! En als men haar nu eens niet aan het strand gevonden had; als het eens géén vloed was geweest…’, snikte Seyssel.
Maar de dokter ging bedaard voort:
‘Op mijn dringende vragen, moest zij wel bekennen een poging tot zelfmoord te hebben gepleegd, daartoe gedrongen door schaamtegevoel tegenover u. Trouwens, het idee fixe van de zelfmoord is een zeer gewoon verschijnsel bij morfinomanen en allen zijn er, in meerdere of mindere e mate, gedurende een zeker stadium van hun ziekte, mee behept. Er ligt daarin dus niets bijzonder verschrikkelijks, het geval uit een moreel oogpunt beschouwd.’ ‘En nu?’
‘Nu ben ik hier gekomen om u en uwen vader te zeggen dat de toestand, na drie dagen dobberen, verre van hopeloos is. Wij hebben ernstige verschijnselen geconstateerd, doch zij nemen in hevigheid af. Niets ontbrak aan de gruwelijke reeks. Ik spaar u de opsomming van de symptomen. Zowel de spijsvertering als de bloedsomloop en het zenuwstelsel waren abnormaal. Dat gaat nu beter, zoals ik al zei, doch — vooral omdat we haar morfine blijven toedienen. En de zaak is niet haar slepende te houden totdat zij, ongeveer hersteld, zich met vernieuwde hartstocht kan gaan inspuiten. De patiënte moet genezen worden, genezen — van het morfinisme.’
Er volgde een lange pauze.
Noch Marsanne, noch Seyssel hadden ooit vermoed dat er een hartstocht bestond, die morfinisme heette, evenals er alcoholisme woedt onder de mensen. Zij begrepen nu dat er mannen en vrouwen aan ten prooi kunnen zijn, zonder dat hun naaste omgeving, indien zij het kwaad niet van elders kent, daarvan iets vermoedt. Eindelijk, was hun duidelijk geworden waarom Cléopatre zoveel vriendschap huichelde voor Emilie. Die arme kunstenaars waren plotseling heel wat verder gekomen met hun kennis van het leven. Maar, meer dan de dokter hun had meegedeeld, wisten zij niet, en daarom wachten zij nu geduldig tot hij voort zou gaan. Seyssel, die het morfinisme vergeleek met het alcoholisme, kreeg een vaag vermoede en vroeg:
‘En is dat zo moeilijk te genezen?’
‘Beste vriend’, antwoordde eindelijk de dokter: ‘U zult een beroep moeten doen op uw geestkracht en u, mijnheer Marsanne, zult uw toestemming- moeten geven tot iets, dat u eerst tegen de borst zal stuiten.’
‘Er zijn twee grote methodes om het morfinisme te genezen: ten eerste waagt men het soms de lijder plotseling zijn morfine te onthouden. Dat is de gevaarlijkste, maar, in enkele gevallen, de enig mogelijke. Verder kan men hem geleidelijk de oplossing zwakker maken, volgens bepaalde, op nauwkeurige en talrijke waarnemingen berustende tabellen. Eindelijk, bestaan er tal van minder afdoende of minder algemeen toepasselijke geneeswijzen: door het hypnotisme, door injecties met cocaïne, spartëine enz. enz. In ons geval, zou mij de tweede methode toeschijnen de minste bezwaren te hebben.’
Seyssel slaakte een zucht van verlichting. Per slot van rekening was het hem onverschillig hoe men zijn arme vrouw genas. Hij was volstrekt geen half geleerde en maakte zich koud noch warm voor enige medische methode.
Maar de dokter schoof ongeduldig op zijnen stoel heen en weer als had hij iets op het hart, dat hem moeite kostte om uit te spreken.
‘De progressieve methode is aangewend in onze gewone hospitalen, maar zelden met goed gevolg, het Is ongelooflijk welke listen de morfinomaan te baat neemt om zijn dierbaar vergif te erlangen. Wij hebben het gevonden in vruchten, die een vriend medebracht, in pakjes naalden, in holle maasballen enz. enz Een patiënte, die we genezen waande, spoot zich in met een Pravaz-spuitje met gebroken naalden. De ongelukkige had de moed zich een gat in de huid te prikken en daar de naald zonder punt in te wringen. Zij stal de morfine, die zij op de gis titreerde Kortom, het is ons onmogelijk gebleken, in een gewoon ziekenhuis, het nodige toezicht op de lijder te houden’
‘Maar, wij zoude het kind toch kunnen oppassen. Ik wou wel eens zien dat ze mij dorst bedriegen!; zei Marsanne, die zich herinnerde hoe gedwee hij Emilie had weten te houden,

tot aan haar huwelijk toe, en vergat hoe weinig nu een grove stem en een pak slaag baten zoude, al mochten die middelen worde aangewend.

‘Mijnheer Marsanne,’ hernam de dokter, ‘u weet niet wat het zeggen wil een morfinomane in staat van onthouding te verplegen. Noch u, noch uw zon zoude in staat zijn de lijderes op te sluiten in een kamer en als een gevaarlijke krankzinnige overal te vergezellen, waar zij gaan mocht. Zij zou zich voor u op de grond werpen ten prooi aan wezenlijk duldeloze krampen, zou u de knieën omvatten, u dreigen, voor uwe ogen de hand aan zichzelf trachten te slaan…
‘En de mensen zoude er zich mee bemoeien omdat zij, zonder twijfel, burengerucht maken zou. U zou met de politie te doen krijgen, de redacteurs van de kleine couranten, doorgaans verkeerd ingelicht, in zulke gevallen en blij met een sensatie-nieuwtje, zoude uw bekende naam bezoedelen… Nee, thuis kan de patiënte in geen geval worden verzorgd.’
‘Zijn daar dan speciale gestichten voor?; vroeg Seyssel.
‘In Duitsland wel, maar ik durf haar niet zover laten vervoeren. Bovendien, zou de plotselinge verplaatsing in een vreemd land, waar vreemde verpleegsters haar zoude oppassen, ongunstig kunnen werken op haar zenuwgestel. En, verder, weet ik van die instellingen volstrekt geen kwaad weliswaar maar ook geen goed. In enkele Heilanstalte für Morphiumsüchtige, volgt men de methode van de plotselinge onthouding, of neemt men zijn toevlucht tot onderhuidse inspuitingen met cocaïne- en sparteïne-sulfaten, methode, waarmee ik niet dweep. Doch, ik kan u een aanbeveling geven voor de beroemde directeur van Sint-Anna.’
Seyssel werd doodsbleek.
‘Grote God,’ — ontviel hem — ‘Emilie in een krankzinnigengesticht!;
‘Maar we zullen haar niet laten merken, waarheen zij gaat, en daar zal men niet zeggen, waar zij is. Het is een verschrikkelijk middel, dat geef ik toe, maar het enige radicale.’
Armand was opgestaan en liep nu, driftig, door het atelier.
Dat had Cléopatre de Vescovato dus van zijn vrouw gemaakt: een zelfmoordenares, een ongelukkige, die men behandelen moest als een krankzinnige! En niets had hij gezien, noch te Parijs, noch hier; niets vermoed! O, het leven was duister, duister als de dood!
Wat kwaad omwoelt de mens, waarvan hij het bestaan niet heeft gegist.
Emilie vergiftigde zich dus aan zijn zijde. En daarom moest hij haar ontzien: — opdat zij zich toch vooral rustig mocht kunnen vermoorde! Arme, arme vrouw. Voor hém had zij willen vluchten in de eeuwig geopende armen des Doods; om zijnentwil had ze de dokter willen voorliegen op gevaar van onder  het vreeslijkste lijden te vergaan. En nu zou hij haar laten wegzenden naar een krankzinnigengesticht, zodat zij zich, later, altijd zou kunnen kwellen met de gedachte aan haren diep zedelijke val!
Marsanne had zijn schoonzoon geen ogenblik uit het oog verloren. Hij raadde welk een zware zelfstrijd deze te kampen had en, plotseling opstaande, ging hij hem tegemoet, nam zijn beide handen en riep luid, maar met een stem waarin grote tranen trilde:
Ik zeg dat het moet, Armand. Dat zeg ik, haar vader!’
‘Dus kan ik mijn maatregelen nemen om haar zodra mogelijk te vervoeren?’— vroeg de dokter.
De heren drukten elkaar zwijgend de hand. Toen hij met Seyssel alléén was, zei Marsanne:
‘Je mag gerust huilen, mijn jongen, gerust huilen… Wel, allemachtig… … machtig!…’ .
En de blonde zonnestralen vielen op een aandoenlijke groep. De stoere grijsaard en de zwakke jonge man zaten hand in hand, met gebogen hoofde, stil te ween; o, zo lang! En zij schaamde zich niet over hun tranen, die een boze vrouw deed vergieten en die het vriendelijke lentezonnetje gretig opzoog tot heel boven in zijn diepen, blauwen hemel!

 

***

Terwijl Emilie in het Sint-Atma-gesticht te Parijs, de duldeloze pijnen uitstond, waaraan de morfinomanen, tegen wier hartstocht men kampt, ten prooi zijn, en haar ondermijnd zenuwgestel voor altijd geknakt dreigde te worde, nu een onverbiddelijk arts de inspuitingen dagelijks verslapte, waren Marsanne en Seyssel samen gaan wonen in het kleine paviljoen op Montmartre.
Zij hadden er behoefte aan gevoeld elkaar  op elk uur van de dag hun, doorgaans sombere indrukken mee te delen en beschouwden, van die afgelegen hoogte, het Parijs leven, dat ver onder  hen gonsde en schitterde, met angstige blik.
Wat een gruwelen verborg die schitterende oppervlakte, gruwelen, waarvan zij nooit het bestaan hadden vermoed. De wereld van hun kunst was zo mooi en zo groot en ze voelde zich zo vreemd en zo machteloos tegenover die andere ruwe wereld, waaruit, als uit een laaghangende donder wolk naar de bergtop, plotseling een dodelijke flits was opgeslagen in hun verheven bestaan.
Marsanne gevoelde zich, voor het eerst, niet veilig meer in zijn heldere en hemel, die hij dromend en werkend met heerlijke gestalten had gestoffeerd. Seyssel was plotseling wakker geschrokken door het onheil en vroeg zich, dodelijk beangst, af waar Emilie veilig zou wezen, na haar genezing, en hoe bij haar mocht kunnen behoede voor de gevaren, — hij kende ze niet en, in hun vaagheid, waren zij verschrikkelijk — die haar op nieuw konden bedreigen.
Hij leerde haar nu kennen, die eindeloze droefgeestigheid, welke de kunstenaar aangrijpt zo vaak hij wordt losgeschaard uit het rijk zijner illusies. Is zij niet verwant aan de zachten weemoed, die vrome dichters de engelen hebben toegedicht?
Bewaken, beschermen, leiden moest hij, als echtgenoot van een zwak gebleken vrouw: bewaken en beschermen tegen een vijand, die hij niet kende; leiden door een doolhof, waarin hijzelf nooit had gedwaald en Marsanne hem de weg niet zou kunnen wijzen. De oude man bad, in zekeren zin, het recht om zich op te sluiten in zijn werkplaats. Het offer, dat hij aan de kunst had gebracht, was groot genoeg om zijn schuld aan het alledaagse leven meteen te delgen. Maar op de schouders van Armand woog, loodzwaar, de taak van de echtgenoot, die hem neerhield, omlaag, waar wellicht een vreeslijke strijd hem wachtte!
Maar de machtige, wonderdadige liefde deed haren gunstige invloed voelen.
Elke dag, die daar traag omvlood in het naakte atelier van Marsanne, bracht zijn Emilie nader  tot volkomen, herstelling, nader tot hem, die een dubbele schuld had te kwijten: die de liefde en die de echtelijke verantwoordelijkheid hem hadden medegebracht. Hij was zwak geweest en baatzuchtig. Dat Cléopatre de Vescovato zijn vrouw had kunnen brengen tot wat Seyssel nog een betreurenswaardige zwakheid noemde, was toch zijn lafhartige nalatigheid schuld. Voor hém leed zij; zoals ze zich had willen doden voor hem.
Toen de geest-verlammende droefheid van de  eerste dagen voorbij was, ontleende bij moed aan het bewustzijn van de grote plicht die op hem rustte. Armand voelde zich gelouterd door zijn leed, en Marsanne zag met innige vreugde hoe zijn schoonzoon langzamerhand weer de oude begon te worden. De uitgelatenheid van vroeger was weg en zou wel niet terug komen, maar de sombere uitdrukking van zijn gezicht maakte plaats voor die van een manlijke vastberadenheid.
Seyssel kwam weer de  ‘in de wereld.’ Hij vernam daar dat er lasterlijke praatjes gingen over zijn vrouw, die men gestoord waande en lijdende aan een zondiger hartstocht dan het morfinisme. De Vescovato werd beschouwd – en zekere roddeljournalisten hadden dit vermoeden sterk gevoed – als de vrouw, die haar ten verderf zou hebben gericht. Wat Armand betreft, men beklaagde de niet-mondaine ‘rapin’ die zijn vrouw had zien verloren gaan in een wereld, waaraan de Hollander zonder  Parijse ervaring, ten een male vreemd was.
Men vertelde verder  dat Emilie schatten moest gekost hebben aan de geheimzinnige Slavische, althans deze was, kort na Seyssels vertrek uit Parijs, nog eens weer spoorloos verdwenen , haar adellijke man tamelijk berooid achterlatend.
Walgend van deze kwade  geruchten die hij niet effectief kon weerspreken, had Armand zijn nood geklaagd aan Grappin. De ‘Diable indiscret’ die de invloedrijke rastaquouère niet meer te vrezen had, schreef een opzienbarend artikel in L’Echo des salons;over het morfinisme, noemde Cléopatre de priesteresse van ‘een dodelijke satansdienst’ en oogstte daarvoor talloze blijken van sympathie in.
Henri Fouque, de geestige, maar soms ietwat burgerlijke Tabarine uit Tabarin, besprak het geval en probeerde de zucht tot bedwelming, die zovele vrouwen uit de aanzienlijke standen en talrijke demi-mondaines haar toevlucht doet nemen tot morfine, cocaïne, ether of hasj, te verklaren uit het toenemend ongeloof.
De als ‘vrouw uit de wereld’ vermomde republikein had zelfs een verzuchting geslaakt die, uit de mond van de ijverige kandidaat voor de volksvertegenwoordiging wél luidde, doch uit die een heuse mondaine minstens vreemd zou geklonken hebben:
‘Wij, vrouwen, willen onze zoete dromen hebben en ze, desnoods, duur betalen. Onze moeders kochten ze van de priester; onze achttiende-eeuwse grootmama’s lieten ze zich suggereren door de sentimentele minnaar van de dag, op gevaar van haar goede naam schade te doen; onze zusters, die in de sport-minnende gommeux onzer dagen slechts platte materialisten zien, niet eens in staat een banale gedachte in een bevallige vorm te hullen, grijpen naar de seringue-Pravaz, ofschoon zij weten dat onmacht en uitputting de straf zijn van haar, die niet geloven, niet beminnen en toch de geestverrukking willen kennen.’
Ook een beroemd ‘psycholoog’ maakte zich, in een van de meest mondaine weekbladen, van het kostelijke onder werp meester. Hij noemde het morfinisme een van de honderd bewijzen voor zijn geliefkoosde stelling: dat het Franse ras oud is en pessimistisch en het volk verkeert in decadentie.
‘Een van de kenmerken van het vervaltijdperk; — schreef hij — ‘is de zucht van een volk of, juister nog, van de beschaafde klassen uit een volk, naar tegennatuurlijke aandoeningen. De Grieken en Romeinen hebben, behalve zekere hartstochten, die wij hier niet willen opsommen, het sadisme gekend. Onze zeden zijn te zacht en onze zenuwen te zwak voor zulke passies. Wij ontkennen onze moordende genoegens aan bet trage, verweekte Oosten. Wij hebben onze opiumschuivers en onze morfinomanen. De ziekelijke verbeelding vraagt voedsel aan een kwakzalvers-hypnotisme, de moede geest een verder de feitelijke stimulus aan de ether, de hasjiesj, de morfine, en rust aan de chloraal…
Seyssel las deze beschouwingen over ‘de treurige geschiedeis van de vrouw van een onzer bekendste en bekwaamste tekenaars; met klimmende verontwaardiging, en angst! Hij had zelf, indertijd, van de gelijke kronieken met belangstelling gelezen, zonder echter veel te begrijpen van het schitterend proza dier vroede mannen. Maar nu men, tot stichting van het publiek, zijn droeve historie commenteerde, achtte bij dit een verregaande onkiesheid.
Daarenboven, wat anders bevatten deze bespiegelingen à vijftig franken per kolom dan handig voorgedragen banaliteiten? Het kwaad bestond en de ‘grote wereld’ de ‘beschaafde klassen’; al of niet in decadentie, waren er ook, helaas! Of zijne arme vrouw vergiftigd was op klassieke of Oostersche wijze, vergiftigd was zij en bijna gedood. Geen krantenartikelen, maar een paar duidelijke wetsartikels werden vereischt. Was die kostelijk georganiseerde maatschappij, met hare honder de vertegenwoordigers en talrijke wetgevers, hare politie, hare commissies van onder zoek en van toezicht, dan volkomen machteloos tegenover enkele gewetenlooze vrouwen, bijgestaan door ettelijke apothekers zonder  eergevoel en plichtbesef?
Hij onder zocht hoe ’t in andere lande, welker voornaamste auteurs niet verklaren dat hun volk in decadentie verkeert, gesteld was. Toen hoorde Armand dat de geesel van ’t morphinisme woedt in het stoere Duitschland, en nog wel voornamelijk onder  de militairen, hoe de positivistische Engelschen er tegen te kampen hebben en hoe de halfbeschaafde Russen, wien — naar onze movan de ne profeten beweren, de toekomst behoort —- met niet minvan de  wellust grijpen naar de kunstangel van Pravaz. En overal, waarheen bij de blikken ook wendde, binnen en buiten de grenzen, zag hij het verschrikkelijke, giftige monster dreigen en zijne offers eischen onder  de schoonste en sterkste vrouwen en mannen.
De kille statistiek wees de rolverdeling aan van dit ongehoord gruwelijke moderne drama. Bovenaan de medici en de apothekers met hun verplegers en helpers; dan de overbeschaafde lediggangers, maar vlak daarna de dichters, de componisten, de toneelspelers, ook de beeldend kunstenaars. Was dan geen bloed te edel, geen geest te trots, geen stand te hoog, geen volk te gezond van aanleg en smaak voor die nieuwe dronkenschap?
Men zond hem, uit het vaderland, een aflevering van Het Nieuws van de Dag. Om een van de  advertenties was een blauwe rand getrokken. Seyssel las, onder  het opschrift:
Menslievendheid. De roerende bede van een art die, zich – zoas als zijne lotgenooten, trouwens, — onmachtig voelend om zichzelf te genezen, ‘hulp en steun; vroeg bij ‘die Mensenvriende,; die de armen lijvan de  ‘de reddede hand zoude willen toesteken opdat hij, genezen, dankbaar zijne praktijk zou kunnen hervatten.; ‘)

Dus ook ten onzent, in ket land van de  vrijheid, van de  vroomheid en van de  gezondheid des breins, had hij postgevat, de internationale Minotaurus. Hij behoefde zich dus niet te hullen in het wellustwekkende licht des boudoirs, niet gevoed te worde door wanhoop en verveling, niet te worde gesteund door het otsjaïanié van de  Slaven of geholpen door de vrees eens jongen krijgers voor de verschrikkingen van het slagveld! 2)
O, nooit had hij, ten opzichte van zijne arme vrouw, iets anderss gevoeld dan diep medelijden. Maar, vóór dat hij dit alles wist, had hij haar bijzonder  zwak gewaand en de persoonlijken invloed van Cléopatre overschat. Nu Armand de macht van de  morphine beter kende, beschouwde hij de noodlottigen hartstocht, die zijne vrouw voor de voeten des Doods had gevoerd , als een nog te weinig bekende en gevreesde epidemie, men mocht haar dan rangschikken onder  de talrijke ziekten van de wil of rekenen tot de gevolgen eenr abnor male bloedmenging, ’t Was een ziekte, die haar had aangetast, en geen kwaad, waartoe zij zich, lichtvaardig, had laten verleide.
Deze wetenschap, troostrijk voor zover ze zijn geval betrof, gaf hem daarenboven meer moed voor de toekomst, en zijn verlangen om Emilie wevan de  bij zich te hebben werd hoe langer hoe minvan de  ontkleurd door het bijmengsel van angst, dat vroeger zijne hoop schier overtoonde.
Intussen werde de berichten, die de direkteur van SintAnna hem trouw liet toezende, hoe langer hoe gunstiger.
Men had Seyssel, in ’t belang van de  patiënte, verbode zijne vrouw op te zoeken. Zij zou haren man om morphine hebben gesmeekt en, hoe heldhaftig hij ook zou hebben geweigerd, de hartverschaarende tooneelen, die er steeds voorvallen, wanneer de lijvan de  iemand ziet op wien hij hoopt iets te vermogen, hadde niet anvan de s dan noodlottig kunnen werken op zijn vertrouwen in de toegepaste geneeswijze, weike de oningewijde een vernuftig uitgedacht stelsel van marteling schijnen moet.
Maar veertien weken na haar opname in ’t gesticht, kreeg hij verlof haar te komen zien met Marsanne, bij welke gelegenheid de direkteur hen in persoon zou ontvangen en , in korte woorde, hoopte mede te deelen welk verloop de ziekte had genomen.
Het was nu zomer. De heuvel van Montmartre ging, aan de oostkant, schuil in het lichte groen en Marsannes bouwvallig paviljoen had zijn glimmend zomerjasje weêr over de oude romp getrokken, naar de beeldhouwer,; doelend op het dichte net van wingerdranken, dat zijn huis versierde, elk jaar weêr zei.
Op de bepaalde datum, een Zondag, daalde de beide kunstenaars, in ’t middaguur, arm in arm, de hoogte af tot het naaste rijtuigstation. Reeds beklommen danslustige calicots en ronds de cuir van de laagsten rang, vergezeld van hunne minnaressen in feestdos, de steilte om naar de Moulin la Galette te trekken, waar zij zoude dansen en zien cancaneeren voor enkele stuivers.
Allen jubelde en zongen hen tegemoet als om te bewijzen dat het leven niet zo verschrikkelijk, noch zo ingewikkeld is als Armand zich lang had verbeeld.
En, hoe lager zij kwamen, boe meer vroolijke gezichten en Zondagsche kleêren ze zagen. Het leek wel of zij, droevige kluizenaars, daarboven op ongenaakbare hoogten hadde gezucht en geweend, terwijl benede werd feestgevierd. Armand kon niet nalaten op te merken dat gansch Parijs veroverd scheen door de eenvoudigen en gezonde van hart die, in armzalige fiacres, luidruchtig genoten van het schoon, dat de ‘grote wereld,; met hare kostelijke victoria’s en wiegelende kuit-ressorts, had ontvlucht om zich op meer of minvan de  geïmproviseerde badplaatsen te gaan vervelen.
Zij konde niet dan met veel moeite een rijtuig machtig worde, dat zij eerst bij de ‘place de la Oh apelle; vonde.
Toen zij het Lariboisière-gasthuis voorbij rede, met zijn groten, zwarten muur en brede gevangenisdeuren aan de boulevard, zagen zij een groepje armoedig gekleede mannen en vrouwen met gele bloemetjes in de knoopsgaten hunner jassen en keurslijven. Zij stonde geduldig te wachten tot de poort zou open gaan om doorgang te verleen aan de rossigen lijkwagen, die het stoffelijk overschot van een hunner vriende, of buren zou bevatten. En Marsanne prees luidruchtig die werkmensen, die een groot gedeelte van hunnen éénigen rustdag per week vrijwillig opofferde om de laatste eer te bewijzen aan een arm lotgenoot, die hen niet eens in de bloede bestond, daar zij anvan de s zoude zijn toegelaten in de kapel, achter de hoogen, zwarten muur waarop, hier en daar, geschaarde en half afgeregende aanplakbiljetten rauw krijschende vlekken vormde.
Hoe meer zij het midde van de  stad naderde , hoe vroolijker de omgeving werd. Vóór de grote koffiehuizen van de  boulevards zaten mensen, die daar niet op hunne plaats schenen te zijn, doch daarom niet minvan de  gemakkelijk hingen of schommelde op de eenvormige stoeltjes.
De oude beeldhouwer was alles behalve een filozof. Maar hij was door en door kunstenaar en de harmonie tussen de helvan de  blauwen hemel, de weelvan de ig uitbottende platanen en eucalyptussen langs de rijweg, de witte gevels van de  huizen, die schitterde in de zonneschijn en waarin de open ramen , met hun halfschaduw-kleurig zwart, geleken Op grote pupillen , die ’t licht gulzig opzogen, èn de vroolijke slenteraars, zo wellustig genietend van hunnen mooien Zondag, maakte hem dankbaar en vol blijde verwachting.

‘We krijgen haar misschien wel meê!; — opperde hij. Maar Seyssel schudde bedekelijk het hoofd. ‘Ik zal reeds tevrede zijn als we haar invan de daad beterende vinde.;
‘Hoor eens, m’n jongen,; — zei Marsanne weêr — ‘als zij thuiskomt, Emilie, ga je mij dan verlaten? Dat zou ik ellendig vinde. Ik ben wezenlijk aan je gezelschap gewend geraakt en zou ’t niet graag meer willen missen.;
‘Kom, vadertje, zover zijn we nog niet, helaas!; — antwoordde Armand, die nog altijd niet durfde beslissen, zonder  zijne vrouw geraadpleegd te hebben.
Maar de oude man wilde het dekbeeld, dat daareven in hem was opgerezen, niet loslaten.
‘Neen, maar zover zullen we toch gauw komen. En dan gaan jelui, m’n eenige zon en m’n eenige dochter, de wittebroodsweken nog eens over leven in de rue Saint-George en jelui oude vavan de  alleen laten met zijne hersenschimmen. …;
‘En zijne meesterwerken!;
‘Al wel! Maar die praten niet. Je hebt mij het kluizenaarsbestaan tegen gemaakt.;
‘Nu, het appartement in de rue Saint George is groot genoeg….;
‘Hm, groot, ja; maar zo vol. En zo erg in de stad.; Hun fiacre rolde over hobbelige keien. Men navan de de Sint-Anna.
Toen spraken de beide mannen weer  over Emilie en dit onder werp deed de oude man zelfs het plannetje vergeten, dat plotseling bij hem was opgekomen en dat bij verwezenlijken zou, zo spoedig mogelijk, voor het telaat mocht worde om, eindelijk, op ruim zeventig-jarigen leeftijd, eens te gaan genieten van het wezenlijk geregelde, huiselijke leven.
Zij waren weer  bijeen: Marsanne, Seyssel en de dokter, die Emilie te Arcachon had behandeld. Armands vriend ontving de heeren in het kabinet van de direkteur. Zodra hij hen had zien binnenkomen, was hij op de teekenaar toegesneld om hem de beide hande te drukken.
‘Bravo en nog eens bravo! en duizendmaal geluk gewenscht, hoor, duizendmaal!; riep hij uit in de moedertaal, die zo diep doortrilt tot het binnenst binnenste van de  ziel, wanneer een vriend haar spreekt in de vreemde tot hem, die sevan de t jaren in het buitenland heeft vertoefd.
‘U geeft ons dus hoop?’ vroeg Seyssel, dronken van hoop. ‘Koop? Zij is genezen, radicaal genezen, onze patiënte. En we hebben er weêr een mooi vrouwtje van gemaakt en een gezond vrouwtje en een lief, zacht vrouwtje, van wie de verpleegsters noode afscheid zullen nemen,; — vervolgde de dokter, in ’t Fransch.

‘Zie je wel, m’n oude Emilie krijg ik weer terug, zoals zij altijd geweest is. Niet mondaine meer, is ’t wel, dokter?;
Maar Seyssels vriend had zóóveel te vertellen, dat hij zich geen tijd gunde op Marsannes naïve vraag te antwoorde.

Hij had aan zijne patiënte gedacht, nu was ’t hem een behoefte over het geval te spreken:

‘Zie je, onze methode is uitmuntend. Als de mensen maar niet zo huiverig waren om hunne bloedverwanten hierheen te zende en ze geheel en al aan het door en door bekwame personeel toe te vertrouwen, zoude we dat ellendige morphinisme de kop wel indrukken. Maar men spreekt hier wat gauw van sequestratie enzovocrt.
Een gekkenhuis, ziet u, dat is en blijft een bar toevluchtsoord.;
Seyssels gezicht betrok. De dokter zag dit niet en vervolgde: ‘Daar buiten, dat weet u wel, nam zij één gram — en de rest. Ik gaf er haar een half. Hier heeft men, gebruik makend van haar goede voornemens, de dozis dadelijk nog met tien centigrammen verminvan de d. Gedurende een week, kreeg zij veertig centigrammen in vier inspuitingen. Alle verschijnselen, die in de staat van onthouding plegen op te trede, hebben zich voornamelijk in die week voorgedaan; doch hunne hevigheid nam regelmatig af, dank zij de hydrotherapiek en een uitstekend gecombineerd régime. Men heeft haar versterkt en zoveel doenlijk afleiding bezorgd. Na de eerste week, is men onregelmatig aan ’t verminvan de en gegaan, dan eens meer, dan eens minvan de  morphine toedieend, naar omstandighede. Na veertien dagen, hebben we een van de  tabellen gevolgd, die door Pichon worde aanbevolen. Dagelijks drie inspuitingen: om zeven uur ’s morgens, om twee uur ’s namiddags en ’s avonds om acht uur, verslapt in deze verhouding:
Eerste dag: 8 centigr., 8 centigr., 14 centigr., toen: 8, 8, 12; 8, 8, 11; 8, 7, 11; 8, 6, 11; 7, 6, 11; 6, 6, 11; 6, 6, 10; 5, 6, 10; 5, 5, 9; 5, 5, 7; 5, 5, 5; 5, 4, 4; 4, 4, 4; 4, 4, 3; 4, 3, 3; 3, 2, 3…. enz. tot 1 milligram ’s morgens en ’s avonds. Daar waren zes weken meê gemoeid. Toen gaven zekere verschijnselen ons recht om te veronder stellen dat haar organisme wevan de  geregeld werkte. Zij zelf zal u zeggen hoe dankbaar zij was, toen ze zich voor ’t eerst wevan de  opgewekt en normaal voelde. De verpleegsters beweren nooit zulk een erkentelijke patiënte behandeld te hebben. Maar zij verkeerde, dank zij uw moed en uw voorbeeldig vertrouwen in de macht van de  wetenschap, mijne heeren, dan ook in zeldzaam gunstige omstandighede. U hebt, hoewel lijdelijk, toch dapper medegewerkt aan hare genezing. We zijn u daar dankbaar voor, wij durven u verzekeren, Seyssel, dat zij ook u voor een deel bare beterschap dankt.;
De jonge dokter was blijkbaar tevreden over zijn speech, die aan een prijsuitdeelingstoespraakje herinnerde, doch daarom niet minvan de  oprecht was gemeend. Seyssel brandde van verlangen Emilie te zien en maakte het kort met zijne dankbetuiging. Doch de direkteur kwam binnen , en de ongeduldige kunstenaars moesten een tweede jubel-cursus over het prachtige geval van overwonnen morphinisme aanhoren, ditmaal doorspekt met aanhalingen uit het dagelijksch bulletin van de  lijvan de es.
Nieuwe complimenten. Nieuwe dankbetuigingen. Nu was ’t uit, dacbten ze. Maar zij badde buiten ’t reglement gerekend. De geneesbeer-direkteur haalde zijn horloge voor de dag en zei, deftig:
‘Kwart voor twee. Om twee uur, gaat de bel voor de bezoeken, mijne heeren. Vergeef me dat ik u zo lang alleen laat, — in de vestibule!;
En zij gingen, onder  de indruk van ’s mans autoriteit, stilletjes op een bank in de gang zitten, waar ze wachtten als brave schooljongens: Marsanne, de beroemde beeldhouwer, en Seyssel, de vermaarde teekenaar van de  ‘Revue illustrée!;
V.

Zij hadden meer verlangd dan de vreugde des weerziens, welker schokkende uitingen getemperd waren door de tegenwoordigheid eenr vriendelijke, maar kalme verpleegster, die Marsanne en Seyssel onbescbeide hadde gevonde omdat zij zich niet verwijvan de de, toen Emilie hen om de hals gevallen was.
Doch de facheuse quatrième had, op een gegeven oogenblik, een brief uit de zak gehaald en Armand overgereikt: het exeat harer patiënte.
Toen, onheusch van onstuimige tevredeheid, hadde zij Emilie medegevoerd, met geweld bijna, zonder  haar te vergunnen een tiende gedeelte te uiten van hetgeen zij haar trouwe verzorgster nog zo gaarne had willen zeggen , vóór haar heengaan.
Voort was zij gevoerd, zo spoedig mogelijk weg uit het huis van de  gruwelen, en Marsanne slechts wendde zich om op de trap, ten einde Emilies liefdezuster te groeten die, met een glimlach op de lippen, maar met een traan in het oog, het tweetal gelukkigen nastaarde, dat wegijlde met haar patiënte, haar troetelkind, en haar achterliet in ’t grote gesticht vol ontzettende jammers.

 

***

Voorlopig woonde Emilie en Seyssel bij Marsanne. Het jonge vrouwtje had er tegenop gezien het appartement in de rue Saint-George te betrekken, waar ze haar eerste morphinale droomen gedroomd had en dat nog vol stond met de bewijzen harer vroegere krankheid van geest.
Hoe ongaarne Seyssel er ook van horen mocht, Emilie placht vaak en lang uit te wijde over hare ziekte. Zij stond er op haaren hartstocht te verklaren, zonder  zich te verontschuldigen ; want zij vond dat ze zwaar had misdreven.

Langzamerhand, had ze zich rekenschap leeren geven van hetgeen er in haar was omgegaan. De wordingsgeschiedeis van haaren verschrikkelijker! hartstocht kende zij nu, zo goed als men zichzelf vermag te kennen.

Eens, toen zij met Armand in het verwilvan de de tuintje zat, achter de werkplaats, waar Marsanne, vroolijk fluitend, opzijn beitel hamerde, niettegenstaande dat de avond viel en de dalende zon de ganschen heuvel van Montmartre reeds bloedrood kleurde, deelde zij haaren man, in een lange biecht, mede wat er vóór en tijdes de eerste maande van hun huwelijk in haar was omgegaan.

Toen de beeldhouwer haar nog kind waande en als zodanig behandelde, had zij reeds vreemde illusies gekoesterd, die haar midde in de w ereld van de  aanzienlijken verplaatst hadde waar zij, aan de arm eens gevierde kunstenaars, genoot van de roem haars mans en van de schatten, die men hem bood voor zijne werken. Steeds was haar een onbestemd verlangen bijgebleven naar een soort van genot, dat slechts voor rijken en groten bereikbaar moest zijn. Zij zou niet hebben weten te zeggen waarin dit eigenlijk kon bestaan, noch waarom het uitsluitend de benijde klassen ten deel kon vallen; maar ‘i moest een vreemd, vluchtig, kostbaar genot zijn, in de trant van de wonder lijke genietingen, waarvan de decadenten spraken, wier duistere werken zij gretig las. En, terwijl hare hande werktuigelijk het huiswerk verrichtten en, ’s winters, open sprongen door ’t koude water, smaakte zij, in hare verbeelding, de voorsmaak van bedwelmende geuren en het gestreel van zachte stoffen over haar fijngevoelige huid.
Dank zij de door en door gezonde bedrijvigheid van haar alledaagsch leventje bleef, naast deze ziekelijke aspiraties, de natuurlijke behoefte aan liefde en huiselijk geluk bij haar bestaan, ’t Was of zij ‘decadete; was geworde door hare droomen en toch gezond natuurkind gebleven: verfijnd en huislijk-gewoon tegelijk! Indie Armand, van wien zij altijd veel had gehoude, haar behandeld had zoals haar vavan de , Marsanne, dat altijd had gedaan, zou ze in ’t eerst een grote teleurstelling hebben onder vonde, wegens de niet-vervulling van een harer huwelijks-illusies: hare emancipatie; doch, langzamerhand, zou het ziekelijke harer verbeelding door het nieuwe leven, dat al hare natuurlijker behoeften zou hebben bevredigd, verdwenen zijn, gelijk zovele meisjesdwaashede verdwijnen, zodra het grote kind jong vrouwtje geworde is.
Doch hare droomen schenen veeleer in vervulling te gaan. Seyssel was, in haar oog, reeds beroemd. Hij werd gevierd, hij stelde, naar haar raming, schatten tot hare beschikking. Toen kwam zij in aanraking met Cléopatre de Vescovato. Was ’t wonder  dat zij deze voor het toonbeeld eenr grote dame hield, wonder  dat zij dier vermaken beschouwde als het nee plus ultra des verfijnde genots ? En wat de vreemde wellust betrof, welks bestaan zij had vermoed, zou ’t niet, in haar oog, de morphine hebben moeten wezen, die hem alleen kon schenken ?
Nu wist zij dat het morfinisme hoogst zelde optreedt bij een volkomen gezond mens; want men had haar op de hoogte gebracht, in het gasthuis, en niet minvan de  gewerkt op haar moraal dan op haar organisme. Welnu, zij was niet normaal geweest. Dat ziekelijk, onbestemd verlangen kwam voort uit een niet volkomen gezond brein.
Zij gevoelde zieb nu gezond en sterk. Het kwaad had uitgewoed. Die hang naar de schitterende wereld, die men ‘tout Paris; heet, was verdwenen. De lust om alles goed te maken, wat zij haaren geliefde echtgenoot voor leeds had aangedaan, was daarvoor in de plaats getrede. Zij schaamde zich diep over hare gewezen zwakheid, doch gevoelde zich rijk en machtig door baar pas volgroeide kracht. En haar bestaan zou ééne toewijding zijn, één nevan de ig voortleven aan de zijde van haren man, één deelnemen aan zijnen roem, nochtans. Gelijk de klimop wordt verguld door de goude zonnestralen , die de beschermende eik wakker kussen, in de morgen — zo zou zij dankbaar blozen in ’t licht van zijne glorie.
Toen had Armand haar bekend hoe hij zich zwak had gevoeld en bang voor het leven, waardoor hij zijn dierbare vrouw zou moeten leiden, zonder de gevaren te kennen, welke haar bedreigen konden; bekend ook, hoe hij zich had afgevraagd of een waarachtig artist wel twee hartstochten mag voeden: die voor zijn kunst en die voor zijn gade en zijn gezin.
Doch Emilie stelde hem op nieuw gerust.
Het leven, dat hij niet kende en waarvoor hij bevreesd was, vlood been in al zijn schitterende ijdelheid, vér onder hen, achter de befaamde buurten, die aan de voet des heuvels lagen, en waar de zonnestralen, die hen goede nacht kusten, nooit durfde komen. In die stroom, had zij zich geworpen, die stroom had Armand horen bruisen en de diepte er van gemeten, de kilheid er van gevoeld. Een vriendelijk schijnsel scheen zijn oppervlakte te verzilveren; daaronder, echter, vlood hij, donker en gruwelijk, ontzettend verminkte lijken meevoerend.
Doch waartoe de veilige hoogten afgedaald?
De kunstenaar, gelijk ieder, die werkt en strijdt op het gebied van de geest, vermag zich een wereld te scheppen boven het schijn-paradijs van Tout-Paris. Daarin trekken de grootsten en besten zijner broeder s zich terug en daarheen volgen hen hun liefhebbende vrouwen.
Het was donker geworden en Marsanne kwam, nog altijd fluitend, uit zijn werkplaats. Hij wilde dadelijk het bordes opgaan naar de eetkamer, doch Emilie riep hem en, op het geluid af, trachtte hij nu zijn kinderen en te vinden, die door een gordijn van klimop voor hem verborgen waren.
‘We hebben een belangrijk besluit genomen, vadertje!’ — sprak ze, wijzend op de stad in de diepte, welke vage omtrekken zich in een rossig gekleurder nevel gingen verliezen — ‘’t Is daar beneden zó donker en zó koud dat Armand bang geworden is er nog langer te wonen. We zouden hier, op onze oude hoogte, zo graag een toevluchtsoord vinden:
Tout Paris past, ons niet, neem ons in uwe bescherming in H a u t-P a r i s!;
Als enig antwoord, drukten de beide kunstenaars het vrouwtje beurtelings in de armen, en hun vreugde was zo groot dat, voor hun ogen, de zon nog even kwam opkijken boven de kimmen om nogmaals de heuvel te vergulde, waar de oude beeldbouwer een genot wachtte, dat geen kunstgenot was, en nochtans diep en zuiver zou blijken als kunstenaarsvreugde.

 

* * *
Ligt nu al ver achter hen, het grote leed. Emilie is een bedrijvig huismoedertje geworden; maar een tweeslachtig mens is zij toch gebleven. Als zij, ’s avonds, vóór het eten, haar schort heeft afgelegd en het rood Turkse mutsje met gouden halvemaantjes heeft opgezet, dat zo wel staat bij haar zwart japonnetje, en zij in het atelier komt, waar Seyssel zit te werken bij de laatste daglichtstralen, dan is zij helemaal geen huismoedertje meer. Marsanne voegt zich, bestoven en wel, bij zijn kinderen en praten dat ze dan doen over kunst en over allerlei idealen: ‘een club ra pin s; vormen ze, zegt de oude man!
Men moet die Herculeskop zien lachen van genot; en Seyssel nu kennen, die zijn baard heeft afgeschoren opdat zijn vrouwtje hem beter moge kunnen kussen, zoals hij verzekert; en Emilie, die zo groots is op het feit dat alle vriendinnen uit de buurt met belangstelling naar de staat van haar gezondheid informeren en vragen of ze er niet tegenop ziet: ‘U weet wel, tegen enfin, de eerste keer!’
Mons-Martyrum moest de hoogte niet heten: niet martelaarsberg, maar geluksheuvel!
Zij dalen dan ook maar zelden Montmartre af. Nu en dan slechts samen om naar een schouwburg te gaan. Doch, alsof de benedenstad hun altijd onvermengd aangename aandoeningen kon geven, hebben zij laatst, in een operaloge, Cléopatre de Vescovato herkend. Zij is de minnares van een van de familieleden des Russische keizers, compromitteert de man, die nog wel getrouwd is, geweldig en heeft hem de haat van zijnen keizerlijke bloedverwant op de hals gehaald.
Deze Michael Y. zal niet lang meer leven. Hij wordt ondermijnd door een vreselijke kwaal: het morfinisme!

Afbeelding: Eugene Grasset La Morphinomane. litho, 1897.

FacebooktwitterFacebooktwitter

Reacties

(Nog) geen reacties op “‘De eerste keer dat zij zich met wellust had ingespoten’: Het heldere gif van Frits Lapidoth (1889)”

Reageer

Foto van de dag