// artikel

Algemeen

‘De schemerende ziel van juwelen’: Henri van Booven Rafaelita (1905)

Vanuit Bordeaux, waar hij sinds 2018 woont, stuurde Sander Bink, voormalig
main man van deze site, ons een stapel documenten met de mededeling dat we er mee kunnen doen wat we willen. Het grootste deel blijkt te bestaan uit herspelde, geannoteerde en ingeleide Nederlandse literaire teksten van rond 1900, beoogd voor bloemlezingen en heruitgaven, waar echter ondanks jarenlang leuren, geen uitgever voor te vinden was.
Het navolgende verhaal van Henri van Booven was eveneens bestemd voor de bloemlezing ‘vergeten’ Nederlandse symbolistische, decadentistische, feministische en anderzins modernistische verhalen.

**

De meeste succesvolle van de hier verzamelde auteurs, op Couperus na natuurlijk, is desondanks net zo vergeten als zij. Henri van Booven (1877-1964) publiceerde in 1904 zijn Congoroman Tropenwee dat tot na de tweede wereldoorlog in druk bleef. Helemaal vergeten is de roman echter niet. Zo citeert David van Reybrouck eruit in de inleiding van zijn monumentale Congo. Ondergetekende bloemlezer verkocht in zijn functie als Amsterdam antiquaar eens een exemplaar aan Van Reybrouck, die het destijds niet bleek te kennen en waardoor het op pagina één van zijn boek kwam. Niet om te pochen, maar zo ziet u hoe obscure boeken kunnen blijven naleven.
Van Booven zelf was een interessant figuur. Hij publiceerde in 1933 de eerste, zeer belangrijke, biografie van Louis Couperus die hij goed gekend heeft, net als Tachtigers als Gorter en Van Deyssel. Naast de literatuur is hij opvallend genoeg van groot belang geweest voor de ontwikkeling van het Nederlandse rugby en hockey. Ja, dat leest u goed.
Rond 1900 woonde hij in Den Haag en was zeer goed bevriend met Carel de Nerée: waarschijnlijk de meest artistiek vooruitstrevende Nederlandse vriendschap van destijds. Zij waren idolaat van de Franse symbolisten, Engelse decadenten, schilders als Toorop en Thorn Prikker en een kunstenaar als Aubrey Beardsley die toen in Nederland geen hond kende. De Nerée leerde daarnaast Van Booven het werk van Couperus kennen dat tot een levenslange fascinatie, zijn biografie en indirect de huidige roem van Couperus heeft geleid. De Nerée kennen echter weinigen tegenwoordig meer.
Het hier opgenomen Rafaelita is een symbolistisch sprookje met een flinke vleug Picture of Dorian Gray. Van Booven en De Nerée waren idolaat van Wilde die De Nerée naar het lijkt, via zijn Frans-Nederlandse schildersvriend Leonard Sarluis eind 1900 in Parijs heeft ontmoet. Rafaelita speelt zich af in Madrid waar Van Booven De Nerée die daar voor zijn werk voor Buitenlandse zaken in 1901 verbleef. Een tumultueus verblijf vol ruzie over vrouwen waar Van Booven de sleutelroman Een liefde in Spanje (1928) over zou publiceren. Het verhaal werd gebundeld in de bundel Sproken uit 1907 na in 1905 te zijn voorgepubliceerd.

*

Henri van Booven Rafaelita

Wij wandelden op een avond in de Salon del Prado, Rafaelita en ik.
Het was het uur van rust na de grote paseo. Alles stond roerloos in de schemering en de helderheid van de plaza scheen blauwig aan het einde van de laan met daarvoor de slanke gestalten van olmen en acacia’s, van platanen en dennen. Vreemd helder nog het witte museum en ver aan de overzijde stond, vergeten op een steile helling voor een nauwe, stille straat, het oude, verwaarloosde standbeeld.
De avond was zo sereen van betoverende rust, zo wonderlijk mystiek de stemming die aanwaaide over de oude, oude stad.
Ik zag haar naast mij. Zij leek te zweven als een onwerkelijkheid, haar hoge, voorname slankheid bewoog geruisloos door de schemerende paden; was het een mens, een vrouw naast mij?
Als een droom stond Rafaelita in mijn leven.
Zoals het zijn kan met herinneringen, vervagen ze, gaan ze soms wreed verloren en kunnen ze ook wijken als schimmige, trieste gestalten, als de bange ademtocht van levensschuwe mensen.
Van Rafaelita had ik geen herinnering en toch kende ik haar al die lange tijd dat ik in haar land woonde. Ja, ik wist zeker dat ik haar de eerste avond van mijn aankomst gezien had ergens, ergens… maar waar?
Het leven was over mij heengegaan, zoals een oud en somber vaartuig weg vaart, met avondwind in de grauwe verweerde zeilen vaag en weifelend, triest gezang in de getouwen. Het zeilt heen voor altijd, naar duistere onbekendheden, over een huiverende kalme nachtzee. Het had mij gebracht door woestijnen van heet verdriet en heel zelden maar had het mij geleid naar zonnige regionen waar spel en lach tintelen; waar rust is en de heilige liefde van vrouwen. En zij was gekomen, de goede, de aanhankelijke, de vrouw die ik kon bewonderen van ogenblik tot ogenblik om haar schoonheid, maar die ik niet lief had. Toch wist ik dat zij eindeloos van mij hield. Oh! Hoe vaak ontroerde zij mij hevig door haar wonderlijke zachtheid, de nobele gang van haar lichaam dat zij dragen kon voornamer nog dan Griekse vrouwen het konden; maar vooral, hoe onuitsprekelijk kon zij mij doen genieten van haar stem, haar vol en heerlijk zuiver geluid, haar subtiele zangen, ruisend door de avondschemering. Dikwijls bracht ik haar geschenken. Zij hield van kostbare versiersels. Altijd droeg zij armbanden en gouden kettingen ingelegd met edelstenen, maar zij bezat vooral veel ringen, aan alle vingers droeg zij de mooiste sieraden. Heel merkwaardig vond ik het altijd dat zij nooit van geslepen stenen gehouden had.
‘Een steen mag niet schitteren,’ zei zij, ‘uit een steen die schittert, is de ziel weggeslepen.’
Ik bracht haar geschenken, omdat ik haar zuiver en mooi vond. Als zij binnenkwam in mijn huis, dan zweefde met haar een heilige atmosfeer van wonderlijke puurheid binnen, die om
en bij haar bleef als een sluier van onaantastbaarheid; haar stem sprak dan zachtjes maar welluidend.
Uiterst gevoelig was Rafaelita.
Mijn kamers mochten nooit helder verlicht zijn. Zij hield van halflicht, van de vage schimmen van de voorwerpen in het weinige licht van enkele kaarsen. Zij wou wel met mij door het huis dwalen als het nacht werd; alleen in de schemering zag ik haar. Dan pakte zij mij bij de hand, ik voelde aan de lichte druk van haar warme, tedere vingers dat zij mij grenzeloos lief had. En uit medelijden met haar in het leed berustende leven liet ik mij leiden waar zij gaan wilde, dwalend door het grote huis, waar in alle kamers de eerbiedige gloed van weinig kaarslicht blonk. Bij ons laatste samenzijn in het donkere portiek voor mijn woning in de stille straat, kon zij als een gebed het afscheid fluisteren, en nog nooit was het daarbij voorgekomen dat zij niet ‘tot ziens’ zei, mij kussend op het voorhoofd.
Eens schilderde ik een portret van haar, zoals zij in de avond was; de zwarte mantilla omvangend haar zacht gezicht, om haar witte hals een snoer van ongelijkvormige parels, die in het licht van de kaarsen zwak glansden.
Ik werkte vele dagen aan mijn schilderij en toen het voltooid was, hing ik het in een van de kamers aan de muur. Het was een werk geweest, waaraan ik mij met grote vreugde gegeven had en het leek me wel alsof de ziel van Rafaelita er uit sidderde. De gelijkenis was opmerkelijk; ik had tinten en gezichtsvormen volkomen juist begrepen en zonder aarzeling krachtig aangeduid. Dit schilderij werd mij zo lief dat ik er niet van scheiden wilde en Rafaelita’s portret bleef aan de muur van het oosterse vertrek. Deze kamer probeerde ik met altijd nieuwe kunstvoorwerpen mooi te maken. Ik zocht daarvoor vaak ook in de Moorse wijk van de stad. Daar kocht ik op een middag enkele oud-Perzische wapens, versierd koper, zijde tapijten en een zware, gouden ring met twee juwelen. De tintelende gloed van die stenen wisselde zeldzaam mooi van rood tot violet en goud.
En deze avond had ik de ring meegebracht, het zou een nieuw geschenk voor Rafaelita zijn. Wij wandelden een heel eind zwijgend door en luisterden naar de vreemde geruchten van de schemering, waarin bloemgeuren aanzweefden van bloemen in de diepe tuin van het Palacio.
Toen gaf ik haar de ring.
Zij nam de ring behoedzaam, en ik zag hoe zij hem lang bekeek, betastend de stenen, die dof gloeiden in glanzende tinten van goudachtig rood. Nauwelijks hoorbaar fluisterde zij:
‘Twee juwelen… Wonder-, wondermooi… ze stralen als met inwendig licht… en brengen treurnis… dragen het onheil aan…’
En zij tooide zich met de ring, stil dankbaar om dit nieuwe geschenk van mij.
Aan het einde van de Salon del Prado boog de weg en versmalde tot een pad langs de heuvels dat naar een brug over de Manzanares voerde. Aan de overzijde van die brug kenden wij een poort die toegang gaf tot de Casa del Campo, het grote park van de koning. Rafaelita wist dat het mij behaagde haar te horen zingen in de koningstuin als het nacht was en vele avonden al had ik haar na het avondmaal weer gezien in de stad, en waren wij dezelfde weg tot in de hof gewandeld. Ik liet haar toen alleen, even nog zag ik haar prachtige gestalte aan het einde van een lange laan, toen verdween zij en ik klom naar boven langs een steile, stenen trap, die in de krijtrotsen uitgehouwen was. De nacht klonk nu wijds en suizend stil, de hemel als altijd zonder wolken, de hete lucht stofdroog. De sterren diep, immens onbereikbaar diep aan het schitteren…
Ik stond bij de muren van het palacio en luisterde.
Een vrouw zong. Een stille zang trilde op van helemaal beneden uit de Casa del Campo, ruiste door de donkere sterbesprenkelde Spaanse nacht…
Rafaelita zong.
Haar zang dwaalde aan in het duister, toverachtig mooi, toch oneindig triester van verlatenheid dan ooit te voren. Oh vele, vele malen zwaarder van droefheid, teisterde Rafaelita’s zang, die als een afscheid en een aankondiging van naderende rampspoed was.
Als de nachtwind soms even voorzichtig oprees en licht als een elfenstoet door de toppen van de bomen zuchtte, hoorde ik maar vaag haar geluid, alsof plotseling zware gordijnen om mij werden heengeschoven, en dan ruiste snel weer, zo beangstigend dichtbij, die vreemde, trieste muziek van vrouwenstem, zo groot en vol, werelden van aflopend genot.
Toen schoot er fel en plots een donker vermoeden in me en mijn gedachten begrepen snel de onwaarschijnlijkheid van ons laatste samenzijn bij de ingang van de tuin. Zij had mij niet op het voorhoofd gekust, noch het ‘tot ziens’ gepreveld, en hard stootte de schrik in mij neer dat ik haar nooit zou zien terugkomen, stil, bij avond, in de met kaarsen verlichtte vertrekken.
Voorbij was het nachtelijk gezang.
In de maanloze, ster-befonkelden Spaanse nacht lag diep beneden het paleis de duistere Casa del Campo, daarachter de wijde hoogvlakte, aan verre horizonten sneeuwbergen, vaal grijs schimmend. En in mij wreed folterend de stelligheid dat er iets hevig-schoons uit mijn leven zou gaan, doolde ik door de verlaten, nauwe straten van de oude stad naar huis…

De avond van de volgende dag wachtte ik Rafaelita vol ongerustheid in het Oosterse vertrek. Ik hoorde een klok tikken in een aangrenzende kamer, trage slingering van een heel oud uurwerk. Het was mij als sleurden die tikkingen de angstbezwaarde tijdbrokken loom van mij weg, aanschuivend in de duistere holte van komende, al wachtensmoede uren, altijd pijndrukkender vrees om een onafwendbaar naderend hartenleed.
Die avond kwam Rafaelita niet.
Steeds weifelender had de oude klok de uren met zacht gonzende slag aangegeven, vreesgemarteld had ik iedere geluidrilling als een koud schepsel van boosheid in mij voelen neerdringen totdat de tijd verstreken was, de klok niet meer tikte… totdat een zwaarder, drukkender stilte als zwarte reuzenzerk mijn huis had toegedekt.
En meerdere avonden slopen aan dat ik triest en gelaten beidde in de duistere vertrekken, waar ik vergat de kaarsen aan te steken, roerloos luisterend of in de doodstille nacht iets komen ging.
Maar zij keerde niet, zoals ik wel vermoedde, zij keerde niet, en als de schemer kwam, liet ik
de lichten branden zoals vroeger, altijd denkend aan haar. Oh! droever denkend aan Rafaelita, wier ziel ik nu veel meer aanbidden en betreuren moest, dan ik ooit vermocht vóór haar verdwijnen.
Zó droef werd mij dikwijls de herinnering, dat ik weken lang niet durfde zien naar haar portret, dat zo huiveringwekkend zeker mij haar beeld voorbracht, mijn verlangen tot foltering kon doen stijgen.
Als ik in een verre hoek van het Oosterse vertrek stil mijmerend mijn kijken waren liet door de gewijde schemer, dan zag ik hoe achter de nevel van het kaarslicht de dingen onwezenlijk opbloeiden, dan zag ik heel, héél ver ook Rafaelita’s beeltenis als grijs visioen nog maar, zó scheen al werkelijk verband met haar teloor…
Een avond toen het al duisterde en de lichten brandden, zag ik aan het schilderij iets ongewoons; het leek alsof er in de ogen iets veranderd was, daarin blonk het, die schenen vochtig wel, en toch, nader bij mijn werk, ontdekte ik geen verschil, alles was als vroeger.
Iedere avond kwam dat vreemde glinsteren in de ogen van het schilderij terug, altijd duidelijker zag ik vochtige schittering.
Maar een nacht, het was laat al, en de lichten waren bijkans opgebrand, toen ik langen tijd gearbeid had, legde ik mij vermoeid op de divan, dicht bij het portret. Rustend zo staarde ik roerloos naar de ogen en nu, opnieuw, ontwaarde ik daarin glinstering… ontwijfelbaar, het waren tranen…
Snel sprong ik overeind en uit de ogen van het portret viel iets tussen de plooien van het Turkse kleed, dat van de divan neerhing.
Intens staarde ik naar het schilderij.
Het hing daar als vroeger, onveranderd, alles…
Maar ik wist dat er iets gevallen was…
Toen boog ik mij voorover, speurde in de plooien van het breed uitgeworpen Oosterse
tapijt…
Op een doffe glans van zware zijde, huilde het kaarslicht in de schemerende ziel van twee juwelen…

Afbeelding: Herman Teirlinck, bandontwerp voor Sproken (detail) (coll. S.B.)

 

FacebooktwitterFacebooktwitter

Reacties

één reactie op “‘De schemerende ziel van juwelen’: Henri van Booven Rafaelita (1905)”

  1. Zo zien we dus Sander wat we missen, voor wat betreft zo’n mooie bundel. eeuwig zonde dat de H.H. uitgevers geen interesse daarin hebben.
    En wat ’n fraaie band – besefte niet dat Teirlinck ook tekende/ontwierp, ja dus.

    Door Wim Meulenkamp | 6 juni 2020, 12:44

Reageer

Foto van de dag