// artikel

Nederlandse literatuur

Bladen uit mijn dagboek — Over der menschen kinderlijkheid

Deze dag begon met Een vervelende morgen. Hoewel ik ontwaakte temidden van mijn in een halve eeuw opgebouwdeHoutsnede van Denise Acket in 'Korte Arabesken' van Louis Couperus, in de WB-editie uit 1940, bij het verhaal 'Onder de olijven' Verzamelingen, voelde ik direct dat dit geen etmaal zou worden van een Romantiesch avontuur. Ik besefte dat ik er beter aan zou doen, mij maar eens te beraden over de vraag of ik niet toch nog enkele Bladen uit mijn dagboek zou moeten ordenen, en wel zodanig dat mijn periode van Wonen in het buitenland eindelijk die plaats zou krijgen, die zij op grond van haar belangrijkheid verdient. Soms verlang ik heimelijk terug naar die tijd en bedenk ik dat ik toen aanbiedingen bewust heb afgeslagen die me echter zeker in staat zouden hebben gesteld om heden ten dage, in plaats van in een grote stad in het nuchtere Nederland, mijn leven door te brengen in oorden waar ik Onder de olijven zou kunnen vertoeven, en als de zon me te fel zou worden, mij eventueel met alle egards te laten omgeven door iemand die naar de welluidende naam Salvatore zou luisteren, met aan mijn zijde dan nog weer wat extra katten, waaronder ééntje met de aldaar zeer passende naam Imperia.
Doch nu dat alles, als gevolg van mijn eigen weigering ruim drie decennia geleden, anders is verlopen dan tot de mogelijkheden zou hebben kunnen behoren, neem ik veelal nuchter genoegen met Begeertes naar kleine wijsheden.
Aamborstigheid als direct gevolg van de nachtelijke, zeer dichte, mist weerhield mij van een Morgenwandeling en daarom stelde ik de hond voor om in de zijtuin maar weer eens te gaan inspecteren of de beide laurieren in de nacht opnieuw waren gegroeid. Hond Amber kreeg, zoals altijd, onmiddellijk assistentie van de beide oudste katers, die nooit ver van huis zijn. Sasja, de vijftienjarige, zoekt weer veel sterker het contact met de oude vertrouwden, nu hij zeer onlangs, na een laatst Tragiesch diner, weduwnaar is geworden. Dertien jaar was hij met zijn vrouw Bontje, die tevens zijn halfzuster was — zelfde moeder, andere vader— dag en nacht samen, en dan is het wel even wennen, zo zonder wederhelft. Ooit was die tuin naast mijn huis een klein paradijs zo vol groen dat geen enkele voorbijganger kon zien of zich iemand in het ‘Zen-gebeuren’ bevond. Daaraan terugdenkend, besefte ik dat veel van dat, enkele jaren geleden, gerooide groen voor mij, niet zo langzaam maar wel heel zeker, was omgevormd tot Boomen van weemoed en smart.
Houtsnede van Denise Acket in de uitgave uit 1940 van Wereldbibliotheek Amsterdam, met Couperus’ 'Korte Arabesken'. Deze is afgedrukt in het verhaal 'Avond in het casino' Na eerst wat lopende zaken te hebben afgehandeld, besloot ik, per eigentijdse vélocipède, met Amber de nodige boodschappen te gaan doen — ik ben tenslotte De man in huis, die zich, met alle respect voor Het verbeelde leven, ook dient te bekommeren om zaken, die nuchterheid en realiteitszin vereisen. Fietsend langs een imposant gokpaleis, dacht ik terug aan die éne Avond in het casino, toen een ‘tante’ van me — ondanks een belofte niet meer dan vijftig gulden in te zetten, meende mij te kunnen vermurwen daar toch vijfduizend van haar beschikbare budget voor te willen gebruiken. Omdat zij zeker was van Een millioen, dat Rockefeller zou kunnen verliezen, maar zij, Heleen, zeker zou winnen, zo niet nog flink wat meer. Over der menschen kinderlijkheid gesproken. Maar als ze werkelijk zou hebben gewonnen . . . ik had het maar hoeven te indiceren, en ze had, echter zonder ook maar in de geringste mate notie te hebben wat het wel eens zou kunnen zijn, zomaar een Aviatie-week voor me laten organiseren.
Dit alles de revue te hebben laten passeren, was ik aangeland bij een antiquariaat waar voortdurend de opruimingsdozen en dito kratten worden aangevuld. En tussen het vele dat ik al dikwijls had gezien, bevond zich heden een exemplaar van — u raadt het vast al wel — L. Couperus: Korte Arabesken (1911), hier echter in de gebonden editie van Wereldbibliotheek (1940), vijfde druk, ‘9e duizendtal’, met bandontwerp en houtsneden van Desiré Acket. De eerste helft van het boek was wel, netjes, gelezen, de tweede helft bewees maagdelijkheid doordat het boek steeds weer dichtviel als ik het opende. Hoewel ik Korte Arabesken wel tussen diverse andere werken van deze meneer L. Couperus heb staan, kon ik de verleiding niet weerstreven, dit exemplaar te kopen. Voor de houtsneden, zeg maar. Een echte aanslag op het huishoudbuget is het niet geworden. Het boek kostte zeven euro, maar omdat het langer dan twee jaar in de winkel stond, kreeg ik het mee voor vijftig cent.

___________
Afbeeldingen
1. Houtsnede van Desiré Acket in Korte Arabesken van Louis Couperus, in de WB-editie uit 1940, bij het verhaal Onder de olijven.
2. Houtsnede van Desiré Acket in de uitgave uit 1940 van Wereldbibliotheek Amsterdam, met Couperus’ Korte Arabesken.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

(Nog) geen reacties op “Bladen uit mijn dagboek — Over der menschen kinderlijkheid”

Reageer

Foto van de dag