// artikel

Nederlandse literatuur

In de marge (2)

Henri Borel (1869-1933)Ook de jonge Henri Borel (1869-1933) liet zich ‘inspireren’ (zie vorige bericht) door Gorter. In zijn roman Het Zusje uit 1900 is opgenomen het waarschijnlijk rond 1893 geschreven prozagedicht ‘Herrijzenis’ (zie Van der Weij Beweging en bewogenheid – Het prozagedicht in de Nederlandse literatuur aan het eind van de 19e eeuw). Borel gooit hier onder meer Gorters verzen ‘Mijn liefste was dood’, ‘Ik liep ’s avonds door mijn stad’ en ‘Mijn handen zijn zoo heet’ door elkaar om tot een schaamteloos stuk Gorter-epigonisme te komen:

‘Mijn voeten gaan vreemd langs de straten en mijn hoofd neigt naar beneê. Het doet regenen om mij heen, er is windhuilen over de huizen. (…) Ik heb warme handen, warme lippen, ik gloei zoo warm van binnen. Maar de menschen òm mij zijn koud, de menschen zijn dood, de lijken grijnzen in de doodenstad. Hier staat een hoog lichtding bij een huis, en kijkt me aan, met glazen oogen. Ik ben zoo warm. Ik ben zoo bang. Ik houd het niet meer uit, ik ga schreeuwen. Het lijkenlicht is achter de raamoogen glazig en de wind huivert om mijn hoofd. Wee, laat me nu toch weggaan, verder, alleen; ik loop te branden… (…) De stad is zwart. Mijn lief is dood. En de huilregen, de ijsregen… Ik word uitgedoofd…’ (p.38-40)

Van Deyssels latere oordeel over Borels debuutroman Het Jongetje (1899) zou evengoed dit brouwsel kunnen gelden: ‘Aangezien nu de Heer Borel een zeer mooi onderwerp met zijn kwijlenden stijfselstijl heeft behandeld, zoodat de lezer er wee van wordt en onwillekeurig geluiden begint te maken, die de voorbijgangers ontsteld doen stil staan, – zoo heeft hij daarmede naar mijne meening een niet nader aan te duiden schending begaan.’

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

(Nog) geen reacties op “In de marge (2)”

Reageer

Foto van de dag