// artikel

Buitenlandse literatuur

Polderdecadentisme (9)

Deze maal afkomstig van Bernard Canter: De Geraffineerde. Een Roman van Dag- en Voetlicht (Amsterdam, Vennootschap Letteren en Kunst 1915). Ik stuitte er zojuist op en de titel wekte direct mijn interesse natuurlijk. En ja hoor!: het gaat over de reuzefatale vrouw Adrienne. Een flutverhaaltje en een soort sleuteroman over Royaards, dacht ik, maar leuker zijn de voor zichzelf sprekende, navolgende citaten. Jean Lorrain, homoseksualiteit en perversiteit — het komt op bescheiden Hollandse wijze eventjes voorbij:

‘Het huwelijk was kinderloos gebleven en in haar verveling had zij een heel leesbibliotheek doorgelezen. Vooral de moderne Fransche romans hadden haar de oogen geopend. Het mooie, frissche wijfje had al gauw gemerkt, welken invloed zij op de mannen uitoefende. Zij wist, hoe haar schijnbaar koele schoonheid juist de meest zinnelijke mannen aantrok en zij bemerkte ook door de afgunst en kwaadsprekerij van andere vrouwen, door haar vijandige blikken en kleine venijnigheden, dat zij de meest begeerde was.’ (p.10)

‘[Een] vrouw, die op reis de werken van Jean Lorrain, van Marcel Prévost, van Abel Hermant, van Gyp en van Willy verslonden had (…) [die] op bed tot diep in den nacht Aphrodite van Pierre Louys achter elkaar had uitgelezen.’ (p.99)

‘Zij deed zich door de vrouw kappen en zat half te sluimere onder de bewerking als een spinnende poes in de zon, luisterend naar de vlei-taal van de vrouw, een tanige, dorre, oude vrijster, verzuurd en pervers, maar die haar vak uitnemend verstond en die onbewust, een neiging had voor de eigen sexe. De kamenier hielp haar bij het kleeden. Adrienne kleedde zich geheel in het paars. Paarse kousen, paars ondergoed, een paarse robe, een paarse hoed met een paarse veer en zij sloeg een paarsen mantel om.’ (p.138)

‘Dat ze dàt niet eerder had geweten. Zij was actrice, door en door. Haar heele leven was toneelspelen geweest. Zij voelde zich alleen gelukkig als zij een rol kon speelen in het leeven.’ (p.139)

‘Zij fantaiseerde namen, droomde zich in de namen in als waren zij van personen, overwoog den klank, het gehalte, den indruk. Ten laatste bleef zij denken aan den naam Vampa Pyrenne en den naam herhalend, knipte zij het knopje van ’t elektrisch licht om en lag in donker. Zij sliep in en droomde, dat zij haar mond vastzoog op een mannenborst en daaruit bloed slurpte. (p. 140)

‘(….) was ze niet een echte dochter van Satan? En tot het hof zou ze aan zich weten te onderwerpen. Het beschermheerschap van den prins en de subsidie van de Koningin zouden gebruikt worden, opdat zij de Vampier, de schaamtelooze, de echtbreekster, triomfeeren zou over allen, die in Nederland goede zeden en fatsoen in eere houden. Ha, Vampa Pyrenne! Stond het er niet mooi. Vampa Pyrenne zou de ware heerscheres in Nederland zijn, Babel zou heerschen over Jeruzalem en zij zou de eer en de steun en de bescherming van het Koninklijke Huis genieten, zij Vampa Pyrene, zou het Koninklijke Huis zelf voor haar zegekar weten te spannen.’ (p.165-166).

Als dat maar goed afloopt!

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

(Nog) geen reacties op “Polderdecadentisme (9)”

Reageer

Foto van de dag