// artikel

Beeldende kunst

Carel de Nerée tot Babberich, 19 oktober 1909 – 19 oktober 2009

Morgen, 19 oktober dus, is het honderd jaar geleden dat de meest verfijnde der Europese fin-de-siecle-kunstenaars overleed. Hoewel Carel de Nerée tot Babberich op deze elektronische pagina’s zeer regelmatig wordt herdacht, dienen we hier natuurlijk speciaal bij stil te staan, alleen al omdat niemand anders dat doet. We kunnen dat deze maal doen door het herlezen van Henri van Boovens mooie necrologie.

Vervolgens kunnen we daar een interessant ongepubliceerd detailtje aan toevoegen. Het was uiteindelijk de tbc die De Nerée de das om heeft gedaan. In 1909 stierf hij te Todtmos in de armen van zijn goede vriend Gerard Gratama. Maar volgens zijn moeder, Constance van Houten, was zijn vroege dood ook te wijten aan de onvervulde ambities die hij de laatste jaren van zijn leven had: het lukte hem maar niet tot de diplomatieke dienst toegelaten te worden, dit zeer tot zijn ergernis. Zijn moeder schrijft:

Ik wijt ook zijn vroegen dood aan deze tijden van onervaren zijn, van niet durven bekennen minder te kunnen doen dan een ander – van zich beschaamd voelen voor zijn gezondheid. De heele maand januari 1908 heb ik in tranen doorgebracht, omdat ik dit einde voorzag. Het heeft mij niets geholpen. (Brief aan Albert Plasschaert, 13-10-1910).

Het is allemaal zeer tragisch. De Nerée heeft zijn vroege dood ook altijd zien aankomen. Niet toevallig was zijn favoriete gedicht Mallarmé’s Les Fenêtres:

Las du triste hôpital, et de l’encens fétide
Qui monte en la blancheur banale des rideaux
Vers le grand crucifix ennuyé du mur vide,
Le moribond surnois y redresse un vieux dos,

Se traîne et va, moins pour chauffer sa pourriture
Que pour voir du soleil sur les pierres, coller
Les poils blancs et les os de la maigre figure
Aux fenêtres qu’un beau rayon clair veut hâler,

Et la bouche, fiévreuse et d’azur bleu vorace,
Telle, jeune, elle alla respirer son trésor,
Une peau virginale et de jadis ! encrasse
D’un long baiser amer les tièdes carreaux d’or.

Ivre, il vit, oubliant l’horreur des saintes huiles,
Les tisanes, l’horloge et le lit infligé,
La toux ; et quand le soir saigne parmi les tuiles,
Son œil, à l’horizon de lumière gorgé,

Voit des galères d’or, belles comme des cygnes,
Sur un fleuve de pourpre et de parfums dormir
En berçant l’éclair fauve et riche de leurs lignes
Dans un grand nonchaloir chargé de souvenir !

Ainsi, pris du dégoût de l’homme à l’âme dure
Vautré dans le bonheur, où ses seuls appétits
Mangent, et qui s’entête à chercher cette ordure
Pour l’offrir à la femme allaitant ses petits,

Je fuis et je m’accroche à toutes les croisées
D’où l’on tourne l’épaule à la vie, et, béni,
Dans leur verre, lavé d’éternelles rosées,
Que dore le matin chaste de l’Infini

Je me mire et me vois ange ! et je meurs, et j’aime
— Que la vitre soit l’art, soit la mysticité —
À renaître, portant mon rêve en diadème,
Au ciel antérieur où fleurit la Beauté !

Mais, hélas ! Ici-bas est maître : sa hantise
Vient m’écœurer parfois jusqu’en cet abri sûr,
Et le vomissement impur de la Bêtise
Me force à me boucher le nez devant l’azur.

Est-il moyen, ô Moi qui connais l’amertume,
D’enfoncer le cristal par le monstre insulté
Et de m’enfuir, avec mes deux ailes sans plume
— Au risque de tomber pendant l’éternité?

(Oorspr. in Le Parnasse Contemporain, 1866)

FacebooktwitterFacebooktwitter

Reacties

één reactie op “Carel de Nerée tot Babberich, 19 oktober 1909 – 19 oktober 2009”

  1. Sander, keep it up, ik heb niet altijd de tijd om te reageren, maar ik volg je wel met deze interessante berichten, en mooi, dat gedicht van Mallarmé erbij. Ga zo door!
    Hartelijke groet
    Caroline

    Door Caroline de Westenholz | 23 oktober 2009, 17:37

Reageer

Foto van de dag