Romantiek vol dissonanten – De muziek van Charles Ives (2)

Voor de wind
Nu eerst terug naar de beginjaren van de twintigste eeuw. In 1906 nam Charles Ives zijn ontslag bij de levensverzekeringsmaatschappij waar hij sedert acht jaren werkzaam was, en heeft hij een eigen assurantiebedrijf gevestigd, dat echter een jaar later reeds zou worden opgeheven, maar in 1909 nieuw leven is ingeblazen. Vanaf die tijd zou het Ives zakelijk gezien zeer voor de wind gaan, en dat was vanzelfsprekend een belangrijke economische factor voor hem en zijn gezin. In 1908 was hij in het huwelijk getreden met Harmony Twitchell, de dochter van een predikant. Ze bewoonden twee huizen: het ene in New York, het andere was een buitenverblijf in West Redding, Connecticut, waar ze hun enige kind, een geadopteerde dochter, hebben grootgebracht.

Mevrouw Ives bleek haar eigen voornaam Harmony veel eer aan te doen. Zo’n naam past uiteraard heel goed bij een musicus, maar door haar gedrag legde ze er nog wat meer nadruk op. Nooit heeft ze er bij echtgenoot Charles op aangedrongen om eens iets te schrijven dat de mensen mooi zouden vinden. “Ze drong er bij me op aan mezelf te zijn en ze gaf me haar vertrouwen,” vertelde Ives later eens. Hij bleef zijn aparte muziek schrijven en legde deze in een kast om er verder maar niet weer aan te denken, en nooit heeft hij een poging gedaan om er ook maar iets van uitgevoerd te krijgen, en evenmin heeft hij getracht er een uitgever voor te vinden. Kennelijk heeft het proces van muziek schrijven hem voldoende bevrediging geschonken. Relatief laat in zijn carrière heeft hij de moeite genomen om twee van zijn composities op eigen kosten te laten drukken, en ook dat heeft hij alleen maar gedaan om deze aan persoonlijke vrienden te kunnen schenken.

The Unanswered Question
Tot ongeveer 1918 is Ives zeer markante, persoonlijke en revolutionaire stukken schrijven. Een uitermate raadselachtig, sterk filosofisch getint werk is zonder enige twijfel The Unanswered Question uit 1908, dat als ondertitel Een kosmisch landschap meekreeg. Het is een, ook nu nog, vrij regelmatig uitgevoerde compositie, die niet tot de Amerikaanse toehoorders beperkt is gebleven. Het is een fascinerend stuk muziek met ruimtelijkeeffecten, welke kunnen worden versterkt door de opstelling van de musici in de zaal. Strijkers con sordino (met demper) spelen gedurende het gehele stuk in één tempo pianissimo, waarbij de tegenstem, op enige afstand, wordt geleverd door de solotrompet, die atonale klanken produceert — en juist daarmee de eeuwigdurende vraag omtrent het bestaan stelt — en door houtblazers, die dissonerend reageren met het zoeken naar het onzichtbare antwoord. Maar als de trompet voor de laatste keer de vraag heeft gesteld, rest er niets dan stilte — “The rest is silence”, zullen we dan maar met Shakespeare [1] vaststellen. Dit werk heeft een blijvende indruk gemaakt op andere componisten, dirigenten en choreografen, die er dankbaar gebruik van hebben gemaakt voor onder meer balletten. Dirigent Leonard Bernstein heeft zijn verzamelde Harvard-colleges naar deze compositie vernoemd.

Uitlaatklep
In 1909 begonIves aan zijn Orchestral Set No. 2, en hij zou er zes jaar over doen voordat het werk was voltooid. Evenals de in 1904 afgeronde Derde Symfonie — die hij, zoals we reeds hebben vermeld, in 1909 nog eens gereviseerd heeft opgeleverd — is ook dit orkeststuk voor een deel gebaseerd op eerder verschenen werken. Het eerste deel heeft hij nog in 1909 afgerond, en aanvankelijk had hij de bedoeling dit als Overture to Stephen Foster te kwalificeren. In de tot voor kort bekende versie werd dit deel echter als An Elegy to Our Forefathers. Het tweede deel, dat twee jaar later is gereedgekomen, is een soort bewerking van een aantal ragtime [2] dansen voor klein orkest, welke Charles Ives enkele jaren tevoren had geschreven. Zelf beschouwde de componist het derde deel alséén van zijn meest geslaagde stukken.
Dit derde deel is in 1915 ontstaan, en werd geïnspireerd door het nieuws dat een Duitse onderzeeboot het schip Lusitania tot zinken had gebracht. Zelf vertelde Ives over die dag, 7 mei 1915, in New York op Hanover Square Station: “Toen ik op het perron arriveerde, stond er al een hele menigte op de treinen te wachten, en ondertussen speelde er beneden op straat een handorgeltje of draailier. Enkele arbeiders, die aan de kant van het spoor zaten, begonnen het wijsje te fluiten en anderen begonnen het refrein te zingen of te neuriën. En tenslotte scheen het mij toe dat iedereen het wijsje zong als een natuurlijke uitlaatklep voor alles war ze die dag gevoelsmatig hadden moeten doormaken, en het koor klonk uiteindelijk zo luid dat het leek alsof iedereen in New York moest meedoen.” Toen arriveerde de trein, de mensen stapten in en het wijsje ebde weg.

Bernard Hermann en Leopold Stokowski
De première werd in de Verenigde Staten gegeven door het CBS Symphony Orchestra onder leiding van Bernard Hermann [3], en in Engeland was het Leopold Stokowski die bewondering afdwong met de eerste uitvoering. In beide gevallen moesten de musici gebruik maken van kopieën — die in de jaren dertig waren vervaardigd door kopiïsten van Ives — doordat er geen gedrukte uitgave van het materiaal beschikbaar was. Sinds het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw is er een kritische uitgave beschikbaar en de eerste uitvoering daarvan was voorbehouden aan Michael Tilson Thomas met het Concertgebouworkest — een zeer gelukkige combinatie — en daarvan is in 1985 zowel een LP-versie alsook dezelfde op chroom dioxide muziekcassette beschikbaar gesteld.

“Auditieve en mentale oefening”
Tussen 1913 en 1919 heeft Ives een werkje geschreven dat nog geen vijf minuten duurt en dat de grappige titel Chromatimelodtune draagt, maar ook wel Ear Study genoemd wordt. Ives zelf heeft het omschreven als een “auditieve en mentale oefening”. Daarin kan me reeds bepaalde aspecten van de twaalftoonsreeks in aantreffen. De vier verschillende partijen worden gespeeld door een Es-trompet, een Bes-trompet, een tenortrombone en een bastrombone. Oorspronkelijk waren de trompetpartijen echter voor kornetten geschreven. Het nogal schetsmatige manuscript — typerend voor Ives — biedt onderaan de pagina in opmerkingen de mogelijkheid aan de uitvoerenden om nog instrumenten toe te voegen, zoals militaire trom, grote trom en bekkens. Er bestaat een versie(alweer op een Nonesuch LP [4]) waarop die facultatieve toevoegingen zijn gerealiseerd. Heel interessante en altijd weer verrassend-nieuwe muziek.

114 Songs
In 1921 verscheen er een privé-editie van de 114 Songs, een verzameling liederen, welke gestaag was gegroeid sedert Ives zijn eerste lied in 1888 had geschreven. Opvallend aan die uitgave is dat de liederen in omgekeerde volgorde zijn verschenen, te beginnen met die van 1921. Het geheel bestaat uit balladen en gezangen, oorlogsnummers en protestliederen, cowboyliedjes, ragtimes en — jawel — zelfs straatliedjes. Ook de stijlen variëren onderling nogal eens. Sommige nummers vereisen het gebruik van toonclusters, andere zijn atonaal, gesyncopeerd of in een folkloritisch idioom. Ook de humor ontbreekt niet, en dat alles leidt tot een zeer aantrekkelijke veelzijdigheid. Namen van grote dichters, op wier teksten een deel van die liederen is gebaseerd, zijn ook volop aanwezig: Lord Byron (1788-1824), Robert Browning (1812-1889), John Keats (1795-1821), Robert Lowry (1831-1910).
De tenor Paul Sperry heeft daaruit in Nederland tijdens het Holland Festival van 1976 — dat geheel was gewijd aan Amerikaanse muziek, en waarin de werken van Charles Ives een vooraanstaande plaats hebben ingenomen — in het kader van een aantal concerten in ons land enkele prachtige staaltjes laten horen. In diezelfde periode is tevens een LP (alweer van Nonesuch [5]) verschenen met 15 van die 114 Songs, gepresenteerd door de mezzo-sopraan Jan DeGaetani — die gedurende het bovengenoemde Holland Festival ook diverse optredens heeft verzorgd — en begeleid door de Ives-specialist Gilbert Kalish aan de piano.

Vioolsonates
Diezelfde pianist heeft eveneens — het wordt eentonig: weer voor datzelfde label —met de violist Paul Zukofsky een sublieme vertolking van de Sonates voor viool en piano van Ives verzorgd. Deze twee sonates zijn respectievelijk ontstaan in 1901 en 1915 en vormen meteen de meest substantiële bijdrage van een Amerikaanse componist aan de vioolliteratuur. Hoewel we reatief weinig weten over het ontstaan en de achtergronden ervan, kunnen we toch vrij gemakkelijk vaststellen dat ze uniek zijn in hun soort, en niet alleen met betrekking tot de technische aspecten ervan, maar al evenzeer in het kader van de tijd van hun ontstaan.
In zijn Memos, die Ives aan het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw heeft geschreven, wijst de componist wel op de diverse relaties, die er bestaan tussen deze sonates en andere composities, maar omtrent de oorsprong is hij zeer zwijgzaam. Nu echter alle belangrijke materiaal beschikbaar is, blijkt dat zijn kanttekeningen in de originele manuscripten heel wat meer informatie verstrekken. In totaal heeft Ives zes stukken voor viool en piano geschreven en had hij reeds een zevende geconcipieerd, maar daarvan bestaat slechts een schets. Een soortgelijke compositie uit zijn studietijd aan Yale is verloren gegaan, en de daarop volgende complete sonate, die in 1902 werd voltooid, werd achtergehouden en uitsluitend gebruiktals bronnenmateriaal voor één van de later te verschijnen sonates. Het Largo uit die bewuste sonate was reeds in 1901 geschreven, en het is tevens het enige deel dat niet werd omgewerkt en opnieuw gebruikt in één van de andere vier sonates die ook compleet beschikbaar zijn. De uitvoerenden laten meestal de andere delen dan ook achterwege en dat Largo wordt dan ook altijd aangeduid met de mededeling dat het afkomstig is uit de Pre-First-Sonata.

(wordt vervolgd)
_________
[1] De laatste woorden, die Hamlet uitspreekt in The Tragedy of Hamlet, Prince of Denmark (1594/1600) van William Shakespeare (1564-1616) luiden: “The rest is silence”, waarna hij onder een viermaal herhaald “O” sterft.
[2] Ragtime: gesyncopeerde dansmuziek, die veelal als voorloper van de jazz wordt beschouwd; het zijn eveneens de dansen en de liedjes, welke in deze maat zijn geschreven.
[3] Bernard Hermann (1911-1975) heeft vooral — in ieder geval meer dan als dirigent — naam gemaakt als componist van in eerste instantie filmmuziek, en bovenal als huiscomponist van de filmregisseur Alfred Hitchcock (1899-1980). Als dirigent is Bernard Hermann te zien in Hitchcocks film The Man Who Knew Too Much uit 1956 (een ‘remake’ van de versie uit 1934). Daarin wordt op plakkaten aan en rondom de Londense Albert Hall aangekondigd dat Hermann als dirigent van een eigen werk, de cantate Storm Clouds, zal optreden. Het betrof hier echter absoluut geen oorspronkelijk werk, maar een aanpassing van een compositie van de oorspronkelijke Australiër Arthur Benjamin (1893-1960), die in de film van 1934 was gebruikt. Maar Bernard Hermann heeft zijn acht minuten, zo ongeveer de spannendste in het kader van de filmgeschiedenis van dit genre, maar wel met diverse dirigeerstokken (sic!).
[4] Op: American Brass Music. The American Brass Quintet, m.m.v. Jan DeGaetani, mezzo-sopraan. Nonesuch H-71222.
[5] Charles Ives: Songs. Jan DeGaetani, mezzo-sopraan; Gilbert Kalish, piano. Nonesuch H-71325.
____________
Afbeeldingen
In verband met de tijdelijke absentie van de bureauredacteur van Rond1900 is het niet mogelijk om afbeeldingen in de artikelen op te nemen. Deze worden na zijn terugkeer alsnog in deze bijdrage geplaatst, en derhalve zullen ze ook pas dan op deze plek nader worden omschreven.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *