Beardsley in Holland: Willem Kloos

Onze grote dichter Willem Kloos heeft enige moeite om het excentrieke werk van Beardsley te begrijpen. Hij vraagt daarom raad aan zijn kunstbroeder Willem Witsen. En dat heeft dit fraaie brieffragment opgeleverd, gedateerd 5 augustus 1910: […]

Onze grote dichter Willem Kloos heeft enige moeite om het excentrieke werk van Beardsley te begrijpen. Hij vraagt daarom raad aan zijn kunstbroeder Willem Witsen. En dat heeft dit fraaie brieffragment opgeleverd, gedateerd 5 augustus 1910:

Allerbeste Wim,
Mag ik even een ‘artistieke’ inlichting van je vragen, als ik me zoo uitdrukken kan?

Op mijn vijftigsten verjaardag, verleden jaar, heb ik o.a. óók cadeau gekregen een exemplaar van Oscar Wilde’s Salomé (in het Fransch) met illustraties van Aubrey Beardsley. Ik heb dat boek (dat niet in den handel is) toen bekeken, met een beetje verwondering, en ten slotte in de kast gezet, zonder het te lezen. Want ik kende van Wilde een bundel Gedichten, die ik niet heel mooi vond, eer een beetje gekunsteld, en ik dacht dus: ‘nu ja, dat lees ik later wel eens’. De tijd nu daartoe is vroeger gekomen, dan ik dacht. Want de dichter Boutens heeft dat drama vertaald, en uitgegeven in de Wereldbibliotheek. En daar ik die vertaling wou recenseeren in de Literaire Kroniek, heb ik het oorspronklijke uit de kast gehaald, en ben het gaan lezen. Ik vind het heel knap, en vreemd.
Maar hoe langer ik er in las, hoe meer ik mij verwonderde over de illustratie’s. Want deze behooren, op één enkle uitzondring na, waar men een juffrouw ziet, met een afgesneden hoofd op een schotel vóór zich, naar mijn idee volstrekt niet bij den tekst. Men ziet er niets dan Japansch-doende poppen, in allerlei excentrieke standen, die heelemaal niet kloppen met het onderwerp van den schrijver, het laatste gedeelte van de geschiedenis van Johannes den Dooper, wiens hoofd wordt geëischt en verkregen door prinses Salomé van Judaea, als loon voor een dans, dien zij, na lang weigeren, eindelijk uitvoert, om haar stiefvader koning Herodes, een pleizier te doen. Kan jij mij nu soms uitleggen, wat die plaatjes in dat boek hebben te maken? Op één daarvan b.v. ziet men een boekenrekje, en de boekentitels, die men daarop leest, zijn Zola La Terre, Manon Lescaut, Marquis De Sade, etc!!! Het zal wel aan mijn stommigheid liggen, maar ik begrijp niet hoe zoo iets kan samengaan met dat oud-Testamentische verhaal. Mij hinderen ze ook bepaald bij den tekst. Want juist, als ik er een beetje in ben gekomen, en ik sla dan een bladzij om, om tot de volgende over te gaan, dan valt mijn oog ineens op zoo’n nieuwe illustratie met een Mongoolsch theemeisje of een mager, naakt, als-ivoren jongensbeeld er op, waardoor je een beetje den indruk krijgt, of je voor den mal gehouden wordt, en je de heele stemming van het dichtstuk kwijtraakt voor een minuut.
Nu wou ik je vragen: Begrijp jij daar iets van? En kan je het mij dan uitleggen, om welke reden, díe illustraties in dát boekje staan? Ik sta er letterlijk perplext van, en het wil mij voorkomen, dat die combinatie aan niets anders is te danken dan aan een Parijsche boulevard-wansmaak, die voor een eenvoudig lezer, als ik, den indruk van Wilde’s interessant dichtwerk vrijwel bederft. Ik spreek hier natuurlijk naar de geringe mate van mijn artistieke ontwikkling, en zou dus gaarne willen, dat jij, beste Wim, mij eines Bessern belehren kondt.
Is Aubrey Beardsley werkelijk een groot kunstenaar, of een ‘poseur’? Toe. Wim, meld mij dat eens! (…)

Helaas kan de andere Willem hem niet helpen, daar hij bepaald geen kenner is. Witsen schrijft Kloos de volgende dag:

Beste Willem,
Hartelijk dank voor je prettigen brief en het vertrouwen dat je stelt in mijn oordeel in zake illustratieve kunst. Het feit is dat ik daar even weinig over weet als jij. Het boekje waarover je schrijft heb ‘k op den gedenkwaardige dag van je vijftigsten geboorte dag bij je gezien en mìj trof toen ook het gewild excentrieke en weinig origineele, Japanners nagedane illustraties van Beardsley. Knap zijn ze zeer zeker en de man heeft niet een groote reputatie voor niets. Wat echter een verband betreft met den tekst die ‘k niet ken, daarover kan ‘k allerminst oordeelen. Mij dunkt dat je er niet beter van zeggen kunt dan je doet in je brief; en van ’t oogenblik dat ze je hinderen en je, bij het lezen, de stemming kwijt raakt, zijn ze, naar mijn meening, veroordeeld. Maar zelfs zonder den tekst te kennen waren ze mij antipathiek. Ik kan je er dus geen uitleg van geven beste Willem en je wijzer maken en ‘k geloof dat ’n ander dat ook niet zou kunnen tenzij je commercieele redenen van reclame, etc., zou accepteeren. (…)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *