De musicus Max Tak werd eveneens een begrip in de radiojournalistiek

In het naoorlogse Nederland kenden vele duizenden radioluitsteraars de naam Max Tak, doch slechts als stem van de ontvanger in de huiskamer. Dat deze man zijn carrière als musicus was begonnen, en nog wel als vijftienjarige in het Concertgebouworkest, wisten niet veel vertegenwoordigers van zijn ‘gemeente’. […]

Op tal van terreinen actief
Honderdtwintig jaar geleden werd de Nederlandse musicus Marcus Tak geboren, om precies te zijn op 9 augustus 1891, te Amsterdam, als zoon van een Joodse diamantbewerker. Hij was aanvankelijk musicus in meer dan één opzicht: hij speelde viool, trad op als dirigent en componeerde muziek. Voorts trad hij op met de Nederlandse cabaretier en zanger Jean-Louis Pisuisse (1880-1927). Kennis met betrekking tot dat laatste gegeven zal beperkt zijn gebleven tot een heel kleine groepering; velen wisten immers niet eens dat de man ooit in zijn onderhoud had voorzien als musicus. Echt bekend geworden is hij, die alleen nog Max Tak werd genoemd, in zijn functie als journalist en de daaraan verbonden faam als radio-commentator. De radio speelde een veel grotere rol dan dit heden ten dage het geval is, hetgeen vooral te danken was aan het feit dat er ook voor de radio-journalistiek van de periode der kinderschoenen tot en met de hoogtijdagen – toen het fenomeen televisie zich nog moest ontwikkelen, hetgeen eerst zeer langzaam ging, maar zich niet al te lang daarna toch ietwat explosief, als gemeengoed wist door te zetten – grote belangstelling bestond.

Een optreden tijdens een tournee door de Verenigde Staten van het Concertgebouworkest onder leiding van Bernard Haitink in San Francisco – waarvoor het ensemble de sleutels van die stad kreeg aangeboden – versloeg Max Tak naar mijn gevoel met veel meer emotie in zijn stem dan ik van zijn andere radio-bijdragen kende. Op dat moment, ook alweer zo’n halve eeuw geleden, was ik mij niet bewust van het feit dat dezelfde persoon, die we alleen maar als radio-correspondent kenden, tussen de strijkers van een eerdere samenstelling van dat orkest als violist had gewerkt. Evenmin wist ik dat Max Tak degene was die de eerste Amerikaanse tournee van dat ensemble uit Amsterdam had georganiseerd. Daarvoor heeft hij zich ingezet in zijn functie van executive secretary van het Comité voor Nederlandse muziek in de Verenigde Staten.

Begonnen bij Mengelberg
Nog maar vijftien jaar oud, mocht Max Tak van de Grote Baas van de musici van het onvolprezen orkest in de Van Baerlestraat, Willem Mengelberg, in 1906 als leerling bij de tweede violen komen meespelen. Toen ging hij bij musici studeren wier namen tot op de huidige dag nog een bekende klank hebben gehouden: ten eerste aan het Amsterdamsch Conservatorium bij Alexander Schmuller (1880-1933) [1]. Na tien jaar zei Max Tak het toen al beroemde ensemble dat gehuisvest was in het gebouw onder de stenen lier vaarwel en stapte hij over naar het Cinema Palace om daar het bioscooporkest te gaan leiden. In die periode componeerde en arrangeerde hij muziek die dienst moest doen als begeleiding van de toen nog als stomme films gekwalificeerde celluloid-producties. Na vijf jaar, in 1921, verwisselde hij die plek voor een zelfde functie in het door Abraham Tuschinski opgerichte en naar hem genoemde theater, waar hij tot in oktober 1940 werkzaam zou blijven, maar door de Duitsers werd ontslagen. In de periode voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog werkte Max Tak eveneens mee aan de Bonte Dinsdagavondtrein van de Avro-radio.
De verdere levensweg van Max Tak speelde zich af in New York, waar hij, na omzwervingen als gevolg van zijn vlucht voor de Duitsers, in 1943 was gearriveerd, en waar hij na de oorlog bleef werken, onder meer voor Elsevier’s Weekblad en Avro’s Radiojournaal. In die stad overleed Max Tak in 1967, maar omdat hij in Nederland wilde worden begraven, zijn diens stoffelijke resten bijgezet op de Israëlitische begraafplaats te Muiderberg.
De ietwat losse memoires van Max Tak zijn verschenen in 1963 als boek; het draagt de titel Onder de bomen van het plein, en is voorzien van tekeningen van Jo Spier.
__________
[1] Alexander Schmuller was een violist van Russische afkomst. In 1914 was hij via Berlijn naar Amsterdam gekomen. Hij schreef onder meer essays, waarvan er zesentwintig voor het eerst zijn verschenen in diens sterfjaar 1933, onder de titel Over muziek en musici. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw bleef er vraag naar die bundel.
Bij gelegenheid zullen we op deze interessante figuur, eerst in het Russische, later in het Nederlandse muziekleven, terugkomen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *