// artikel

Buitenlandse literatuur

Christian Bernhard Tauchnitz: pionier van de paperback

Door gebruik te maken van alle mogelijkheden van een industrialiserende samenleving, creëerde een anglofiele Duitser, Christian Bernhard Tauchnitz, een uniek fonds van Engelse en Amerikaanse auteurs. In ruim een eeuw, tussen 1841 en 1942, gaf de Tauchnitz Edition meer dan 5800 werken van ruim 800 auteurs uit. Het bedrijf, ‘met een enorm talent voor zelfpromotie’, aldus de British Library, die de grootste collectie Tauchnitz Editions beheert, bracht Engelse en Amerikaanse auteurs naar elke spoorwegkiosk op het Europese vasteland. De goedkope, maar kwalitatief goede Tauchnitz paperbacks bereidden de weg voor de succesvolle pocketreeksen van de twintigste eeuw.

Christian Bernhard Tauchnitz was afkomstig uit een familie van uitgever-drukkers. In 1837 begon hij een eigen bedrijf, dat eerst met name Duitse boeken drukte. Rond die tijd kwam er een nieuwe generatie Engelse schrijvers op, die ongekend populair waren. Tauchnitz, die zelf graag Engelse literatuur las, zag een gat in de markt en begon in 1841 met het uitgeven van een ‘Collection of British Authors’, bedoeld voor het vasteland van Europa. Zijn eerste auteur was Sir Edward Bulwer-Lytton, die al snel werd gevolgd door Dickens, Scott, Charlotte Brönte, Macaulay, Thackeray, Carlyle, Trollope en George Eliot. De collectie bleek zeer succesvol – in 1937 kon er in de jubileumuitgave met trots worden gemeld dat er wereldwijd meer dan veertig miljoen exem­plaren verkocht waren. Tauchnitz had dan ook een aantal voordelen die hem in staat stelden de concurrentie voor te blijven. Zijn bedrijf was gevestigd in het centrum van de Europese boekhandel: Leipzig. Daarnaast had hij een efficiënt georganiseerd bedrijf en een steeds groeiende voorraad van stereotypie-platen, waardoor hij soms tot wel drie tot vier boeken per week kon uitgeven.

In de tijd dat Tauchnitz begon met uitgeven was er nog geen internationaal copyright. Op het vasteland van Europa werden Engelse en Amerikaanse boeken zonder toestemming van de auteurs herdrukt. Voor Tauchnitz betekende dit dat veel van de boeken die hij uitgaf ook al door anderen gedrukt werden. Hij vond bovendien dat de toekomst niet lag in het blijven herdrukken van oude boeken. Hij reisde naar Engeland om contact op te nemen met de schrijvers die hij graag wilde uitgeven en probeerde, tegen een acceptabele vergoeding, hun toestemming te verkrijgen voor zijn uitgaven. De Engelse schrijvers, die zich al geruime tijd druk maakten over de roofdrukken van hun werken, stonden over het algemeen zeer welwillend tegenover deze voorstellen. Bepaalde restricties werden standaard in het contract opgenomen: de uitgaven zouden niet mogen worden verspreid in Engeland en haar koloniën, en Tauchnitz zou de verkoop van de oorspronkelijke Engelse uitgaven in Duitsland niet proberen te verhinderen. De befaamde tekst ‘not to be introduced into the British Empire or the U.S.A.’ die alle boeken sierde, had trouwens ook onvermoede gevolgen, zoals H.G. Wells in The Sea Lady beschrijft: ‘There is a particularly fine collection of English Books, it seems, in the deep water of the English Channel; practically the whole of the Tauchnitz Library is there, thrown overboard at the last moment by conscientious or timid travellers returning from the continent.’
Zijn genereuze manier van onderhandelen zorgde ervoor dat Tauchnitz met veel van zijn schrijvers, waaronder Charles Dickens en Wilkie Collins warme vriendschappen opbouwde. Deze handelswijze bleef uniek tot in 1846 via een bilateraal contract tussen Duitsland en Engeland internationaal copyright werd ingevoerd. Daarmee werden de afspraken die Tauchnitz had gemaakt algemeen verbindend, zodat hij het unieke recht verwierf op een groot aantal werken. Toen ook andere landen soortgelijke contracten aangingen, betekende dit dat de boeken waarop Tauchnitz copyright had de enige legale in Europa werden.

De steeds groeiende productiecapaciteit kon niet eindeloos gevuld worden met nieuwe boeken en daarom begon Tauchnitz ook weer ‘classics’ te drukken, waar geen rechten meer op rustten. De wereldwijde verkoop werd bovendien gestimuleerd door een ander project. In 1846 begon hij met de uitgave van tweetalige woordenboeken (allemaal Engels gekoppeld aan een andere taal). Bij een onderzoek naar de Tauchnitz-series zijn vele voorbeelden gevonden, in meer dan negen talen, van boeken waarin de lezers (hoogstwaarschijnlijk met een Tauchnitz-woordenboek), hen onbekende woorden in de kantlijn hebben geschreven. Een van de grootste overwinningen van de ‘Tauchnitz Verlag’ was echter de verovering van de Amerikaanse markt. Verschillende bronnen uit Amerika maken rond 1850 gewag van de ‘vloed van Duitse herdrukken’ die niet alleen van veel betere kwaliteit waren, maar ook nog eens veel goedkoper dan de originele Engelse uitgaven, en zelfs dan de Amerikaanse drukken. Zijn hegemonie over Amerika duurde tot 1891, toen het Amerikaanse Congres onder druk van de vakbonden een wet aannam, waarbij het verboden werd boeken in te voeren naar Amerika, behalve wanneer zij een copyright voor 1891 hadden. De wet was vooral met het oog op Tauchnitz opgesteld.

Toen Tauchnitz zich in Amerika gevestigd had, begon hij gelijk met het werven van prominente auteurs om voor zijn serie te schrijven. Ook in Engeland kon hij de nieuwe generatie Victoriaanse auteurs in zijn fonds opnemen. Met een dergelijke overvloed van getalenteerde schrijvers kon hij zijn machtspositie in de boekenwereld constant uitbreiden. De eerste vijfhonderd boeken werden in een tijdsbestek van achttien jaar gedrukt, voor de tweede vijfhonderd was nog niet de helft van die tijd nodig, hetgeen neerkwam op een productie van zes boeken per maand. De verkrijgbaarheid van de Tauchnitz edition was uitstekend. Er werd efficiënt gebruikt gemaakt van de (nieuwe) spoorlijnen in Europa en zelfs in de meest afgelegen gebieden van de wereld waren Tauchnitz’ boeken verkrijgbaar – ‘The first sign of an advancing culture is a Tauchnitz Edition’.

Tot 1847 had Tauchnitz zijn boeken uitgegeven in de gotische letter. Nu zijn imperium zich steeds verder begon uit te breiden, moest hij met name de Fransen te vriend houden die Didots elegante typografie gewend waren. Hij ging over op een modern lettertype en vernieuwde tegelijk het uiterlijk van zijn boeken. Verdere vernieuwingen werden rond 1860 doorgevoerd. Het bleek dat de ideale omvang van boeken voor massaproductie lag op 288 pagina’s (18 katernen), en bij veel boeken is duidelijk zichtbaar dat het lettertype hiervoor werd aangepast. Tot 1930 werden de boeken in een uniforme papieren omslag aangeboden. De nieuwe eigenaars lazen ze zo of lieten ze zelf inbinden. Sommige uitgevers zagen brood in het ontwikkelen van speciale banden voor de Tauchnitz collection; in Nederland waren dat aan het begin van de twintigste eeuw onder meer De Bijenkorf en uitgeverij Meulenhoff.

Tauchnitz kreeg in 1860 de erfelijke titel Baron (Freiherr) en van zijn geliefde Engeland kreeg hij bovendien in 1872 de ‘honorary office of British Consul-General at Leipzig’. De eerste baron Tauchnitz overleed in 1895 met achterlating van een machtig uitgeversimperium en de gedachte dat hij inderdaad, zoals zijn bedoeling in 1841 was geweest, een cultureel ambassadeur geweest was voor Engeland. Zijn oudste zoon Christiaan werd daarna eigenaar, maar zijn enige daad van betekenis was het aanstellen als zijn partner van Dr. Curt Otto, die het bedrijf leidde tot zijn dood in 1929. Hoewel ook hij zijn best deed om goede banden met zijn auteurs te houden, lieten dezen hun belangen steeds vaker behartigen door tussenpersonen, vaak ten koste van de uitgevers. Otto sloeg echter zijn grote slag met het binnenhalen van George Bernard Shaw, die de best verkopende auteur in de geschiedenis van de Tauchnitz edition zou worden. Ook werden er weer een aantal kleine veranderingen aangebracht in de omslagen van de boeken, mede onder invloed van de Eerste Wereld­oorlog. De jaren 1914 tot 1919 waren desastreus voor het bedrijf. Nu alle Tauchnitz-schrijvers tot de vijand gerekend werden steeg de productie nooit boven acht boeken per jaar, die bovendien door de Duitse censuur goedgekeurd moesten worden. Na de oorlog bleven de problemen bestaan, met name door de torenhoge inflatie. Dat de uitgeverij de na-oorlogse jaren overleefde was te danken aan de maatregelen van Otto, die onder andere de contracten met schrijvers vernieuwde en zoveel mogelijk boeken in twee delen uitbracht.

Toen de klap van de Eerste Wereldoorlog min of meer te boven gekomen was, kwam er een veel grotere achteraan. De Engelse schrijvers, die zich hadden verenigd in de ‘Society of Authors’ waren niet tevreden met de manier waarop zij behandeld werden door Otto. Hij maakte gebruik van zijn recht om bepaalde schrijvers niet te drukken, of te wachten tot zij beter materiaal leverden, hetgeen niet altijd overeenstemde met wat de schrijvers van zichzelf dachten. In 1928 werd een voorstel aangenomen dat geen van de schrijvers die deel uitmaakten van de ‘Society of Authors’ hun rechten zouden afstaan aan Tauchnitz tot twaalf maanden na de uitgave van de originele editie. Dit betekende dat men eerst meer kon verdienen aan de oorspronkelijke uitgave die op de open Europese markt gebracht kon worden. Een jaar hierna overleed Curt Otto.

In 1929 werd het bedrijf gereorganiseerd tot een BV, onder leiding van Max Wegner. De naam van de serie werd in 1930 eindelijk gewijzigd in ‘Collection of British and American Authors’, hoewel er al sinds 1842 boeken van Amerikaanse schrijvers waren uitgegeven. Tegelijk werd begonnen met een kleuren­code met een onderverdeling in categorieën, om de keuze van de klant te vergemakkelijken. Hiermee was Tauchnitz dus eerder dan Penguin, die pas in 1935 van start ging.

In 1934 nam een andere drukkerij, Brandstetter, de Tauchnitz Verlag over. John Holroyd-Reece, de directeur, die twee jaar tevoren begonnen was met de ‘Albatross’-serie, kreeg nu volledige bevoegdheid over beide uitgeverijen. Hij introduceerde bij Tauchnitz onmiddellijk de gemoderniseerde lay-out die hij ook in Albatross gebruikte, en synchroniseerde de twee series binnen een jaar zó, dat zij op een monogram na gelijk waren. Tot dan toe had men bij Tauchnitz geprobeerd alle ruim 5000 uitgaven beschikbaar te houden. Holroyd-Reece nam alle slecht verkopende boeken uit de handel. Bovendien liet hij veel boeken verkorten om in de 288 pagina’s te passen en vroeg hij pas daarna ‘toestemming van de auteur’. Van 1934 tot 1943, de tijd dat Holroyd-Reece de leiding had, zijn 198 werken verschenen, waar weinig belangwekkends tussen zit. De verklaring hiervoor ligt in het feit dat Holroyd-Reece zijn eigen Albatross reeks zag als een betere plaats om nieuwe schrijvers in te laten drukken, terwijl de klassiekers een plaats kregen in de oudere Tauchnitz-serie. Dit had als bijkomend voordeel dat de winsten van de nieuwe schrijvers, die aanmerkelijk groter waren dan die van de oudere, niet gedeeld hoefden worden met de eigenaar-drukker Brandstetter, zoals wel het geval zou zijn wanneer hij ze uitbracht in de Tauchnitz editie. Holroyd-Reece zag ook in het nieuwe Duitse regime niet direct een bedreiging: ‘Tauchnitz heeft vier oorlogen overleefd en zal de vijfde ook overleven’. De omvang van zijn drukwerkopdrachten beschermden Tauchnitz inderdaad nog korte tijd, maar in1942 verbood het nazi-regime Tauchnitz alsnog Angelsaksische literatuur te publiceren. Het bedrijf ging over op het publiceren van Duitse en Franse auteurs, totdat in 1943 een geallieerd bombardement alle boedel vernietigde. Na de oorlog komt er nog een New Series, maar die kan de concurrentie met de nieuwe pocketreeksen van bijvoorbeeld Penguin niet meer aan.
In 1955 komt er een definitief einde aan de ‘Collection of British and American Authors’.

_________________
Literatuur:
– William B. Todd and Ann Bowden, Tauchnitz International Editions in English 1841 – 1955. New York, 1988
– Jan van Kranenburg, Tauchnitz en Albatross. Heemstede (in eigen beheer), 2002.
– ‘Books: Exit Tauchnitz’. In: Time, Jul. 20, 1942. (online).

_________________
Afbeeldingen:
– Portret van Christian Bernard Tauchnitz, grondlegger van de Tauchnitz Collection of British authors.
– Ruggen van Tauchnitz-banden uit de publicatie van Jan van Kranenburg. De meest linkse is de standaarduitvoering dit tot 1930 werd gebruikt, daarna van volgden de nieuwe ruggen en banden elkaar snel op. (Collectie Jan van Kranenburg).
– Band van A Woman of no Importance, Oscar Wilde, Tauchnitz Edition 4157, 1909.
– Omslag van Debits and Credits, Rudyard Kipling, Tauchnitz Edition 4750, 1930.

Deze, en nog meer afbeeldingen, kunt u hier in het groot bekijken.

FacebooktwitterFacebooktwitter

Reacties

(Nog) geen reacties op “Christian Bernhard Tauchnitz: pionier van de paperback”

Reageer

Foto van de dag