// artikel

Muziek

Hans Pfitzner, enigszins een stiefkind in het Duitse muziekleven

Vergeetboek
Hoewel de Duitse componist Hans Pfitzner (1869-1949) door kenners als een grootmeester der toonkunst wordt beschouwd, en hij in de generatie Mahler-Reger-Strauss een bijzondere plaats inneemt, geniet hij buiten Duitsland en Oostenrijk nauwelijks bekendheid. En eigenlijk moet hij, helaas, heden ten dage eveneens in zijn eigen land worden ingedeeld bij de groep van componisten voor wie vrijwel tot helemaal geen belangstelling meer bestaat, ondanks de goede reputatie die Pfitzner bij vakmensen geniet. Men zou er zelfs van moeten uitgaan dat algemeen toegankelijke literatuur over deze muziekmeester evenmin in groten getale voorhanden is geweest. [1]

Tegenpool-functie
Het ligt, in ieder geval enigszins, voor de hand dat Hans Pfitzner kan worden beschouwd als de tegenpool bij uitnemendheid van Richard Strauss, die vijf jaar eerder dan Pfitzner was geboren, maar in hetzelfde jaar zou overlijden. In een tijd dat Strauss de sensueel-extatische vrouwenfiguren  Salome (1904-05) en Elektra (1907-08)  muzikaal gestalte had gegeven, schiep Pfitzner zijn creatieve Palestrina (1909-15).
Hier stonden twee extremen in het muziekleven van Duitsland rond 1900 tegenover elkaar: Richard Strauss’ extraverte hedonisme als tegenhanger van Pfitzners introverte soberheid.

Afkomst
Evenals Richard Strauss stamt Hans Pfitzner uit een muzikaal geslacht. Zijn opa en zijn vader waren beiden professionele musici. De laatste werkte enige tijd als violist in Moskou, waar Hans Erich op 5 mei 1869 werd geboren. Drie jaar later keerde het gezin terug naar Duitsland en daar kon vader in het Stadttheater als eerste violist werken en zoonlief aan het Conservatorium in diezelfde stad gaan studeren, alwaar hij in 1890 zijn opleiding heeft beëindigd. Toen had hij echter al enige zeer degelijke composities op zijn naam staan, die bewijzen dat hij de drempel naar muzikale volwassenheid had overschreden, zoals de Sonate in fis voor cello en piano, opus 1 (1890) en de toneelmuziek bij Fest auf Solhaug (1889-90) van Henri Ibsen (1828-1906). Zijn eerste opera was Der arme Heinrich (1895), een compositie op een eigen libretto, in de traditie van Wagner.
Teneinde dit werk opgevoerd te krijgen, heeft Pfitzner een baan geaccepteerd als onbezoldigd dirigent van het Theater in Mainz, waar bovengenoemde  opera in 1895 de eerste uitvoering mocht beleven.

Rondtrekkend door West-Europa
In 1899 trad Pfitzner te Canterbury in het huwelijk met Mimi Kwast, de dochter van zijn pianoleraar uit Frankfurt, die zich nadrukkelijk tegen deze verbintenis heeft verzet.
Via Berlijn en München kwam Pfitzner in 1908 terecht in Straatsburg, waar hij negen jaar de dubbele functie van directeur van het Conservatorium èn van de Opéra had. Daarnaast leidde hij als dirigent de symfonische concerten. In die laatste hoedanigheid is deze man erin geslaagd Straatsburg als een waarachtig centrum van Duitse muziekcultuur te maken. In diezelfde periode is Palestrina ontstaan, een opera die door de componist zelf werd betiteld als musikalische Legende. De eerste uitvoering ervan werd in de zomer van 1917 in de Hofoper te München gerealiseerd onder leiding van Bruno Walter (1876-1962). In vele opzichten is dit muziekdrama even belangrijk als  Die Meistersinger von Nürnberg van Richard Wagner.

Alleen nog componeren
In de periode na de Eerste Wereldoorlog werd Pfitzner aanvankelijk professor voor compositie — vooral masterclasses— aan de Preußische Akademie der Künste te Berlijn , waar hij zijn cantate Von deutscher Seele (1922) heeft gecomponeerd, op teksten van Joseph von Eichendorff (1788-1857). Daarna, van 1930-34, heeft Pfitzner dezelfde functie in München vervuld. Vervolgens heeft hij zich voornamelijk teruggetrokken in Oberbayern, met de bedoeling zich in eerste instantie te wijden  aan het componeren. Uiteindelijk heeft hij, zonder vaste aanstelling, tot aan zijn overlijden nog gewerkt als dirigent, pianist en operaproducent.  In 1926 overleed zijn echtgenote en dat heeft hem zo aangegrepen dat hij ongeveer een jaar helemaal geen muziek heeft kunnen schrijven. Nadien heeft hij alleen nog wat instrumentale werken gecomponeerd en zijn laatste opera, Das Herz (1931).

Gevarieerd oeuvre
Pfitzner beheerste zijn vak als een van de besten: alle vormen, van klein tot en met groot, komen op zijn lijst met werken voor, met uitzondering van één type: het symfonisch gedicht. In totaal heeft hij twee grote en één kleine symfonie geschreven, een piano- en een vioolconcert, meerdere concerten voor cello en orkest, strijkkwartetten en andersoortige kamermuziek, zo’n honderd liederen en nog enkele cantates. Daarnaast heeft hij bewerkingen gerealiseerd van opera’s van Heinrich Marschner (1795-1861) en Ernst Theodor Amadeus Hoffmann (1776-1822).
De veelzijdigheid van Hans Pfitzner is op het niet direct muzikale vlak eveneens overduidelijk tot uiting gekomen in zijn werk als regisseur, als begeleider van liederen en als scribent. In zijn denken vertoont deze muziekmeester overeenkomsten met het pessimisme van Arthur Schopenhauer (1788-1860). Zelf kwalificeerde hij zich als de laatste romanticus, [2] die qua componeren de lijn Schumann-Wagner-Brahms had doorgetrokken.

Kritiek
Tegen Anton von Webern heeft Pfitzner zich eens laatdunkend uitgelaten over Gustav Mahler (1860-1911), en voorts zette hij zich hevig af tegen de muziekesthetiek van Ferruccio Busoni (1866-1924).  Hoewel hij een sterk nationalistische inslag had, verkeerde Pfitzner niet op goede voet met het nazi-regime, en ook al bleef hij in slechte tijden bevriend met enkele personen die in de nazi-hiërarchie iets betekenden, het systeem wees Pfitzner nog meer af toen deze eenmaal had geweigerd een opdracht te aanvaarden om nieuwe muziek te componeren bij Shakespeare’s Sommernachtstraum, omdat hij de stellige overtuiging was toegedaan dat het onmogelijk zou zijn iets gelijkwaardigs te produceren. [3]
Zoals dat vaker kan worden vastgesteld bij lieden die ongezouten hun kritek uiten, was het ook bij Pfitzner zo dat hij zich zelf zeer gekwetst voelde wanneer er kritiek op hem werd geuit, en juist het feit dat hij daar niet mee kon omgaan, heeft stellig bijgedragen tot zijn vereenzamingsproces.
Nadat het Derde Rijk was ineengestort, was Hans Pfitzner geen lang leven meer beschoren; hij werkte nog ‘in de marge’, en op 22 mei 1949 — enkele maanden voordat Richard Strauss het loodje heeft gelegd — is deze componist in Salzburg overleden. Op instigatie van de Wiener Philharmoniker werd zijn lichaam bijgezet op Wenens Zentralfriedhof.

Een schande: drie trombones
Tot 1975 waren er van Hans Pfitzner twee celloconcerten voor de concertpraktijk bekend: één in G-groot, geschreven in 1935, een tweede in a-klein, gecomponeerd in 1943. Doch reeds in zijn studietijd had deze musicus een concert voor cello en orkest — eveneens in a kleine terts — voltooid in samenwerking met zijn vriend, de cellist Heinrich Kiefer.
Alvorens het stuk in het openbaar mocht worden gespeeld, moest het echter eerst  voor de directeur van het conservatorium tot klinken worden gebracht. Kiefer had bij die gelegenheid de solopartij voorgedragen, Pfitzner zelf speelde de orkestpartij op de piano. Maar in de oren van Bernhard Scholz (1835-1916), die toen de leiding van het Hoch Conservatorium te Frankfurt in handen had, kon het stuk geen genade vinden. Deze Brahms-adept vond dat deze compositie al te zeer “verwagnert” was. Bovendien wond de man zich vreselijk op over de — overigens enige — afwijking in de traditionele orkestbezetting: drie trombones in een celloconcert. Dat was al te dol. [4] En dus censuur: het stuk mocht niet worden uitgevoerd. Pfitzners commentaar daarop luidde: “Zwei junge Menschen waren um eine Bitternis reicher und eine Ungerechtigkeit mehr war in der Welt.”

Thema’s voor opera
Met dat jeugdwerk uit 1888 zou Pfitzner volstrekt geen geluk blijken te hebben. Ook toen hij het, in de hoop op een goed oordeel en eventuele steun aan Max Bruch (1838-1920) had gezonden, kwam er in plaats van een positieve reactie een volgens Hans Pfitzner “verschrikkelijk grove brief” terug. De zending bleek niet gefrankeerd te zijn en waarschijnlijk had Bruch de compositie zelfs geen blik waardig gekeurd.
Aan dit vroege concert heeft Pfitzner echter wel enige thema’s ontleend voor zijn opera Der arme Heinrich. Later beschouwde de componist het stuk als verloren, zeker vanaf het moment dat hij niet meer de beschikking had over tijdens de Tweede Wereldoorlog ingepakt notenmateriaal en dito boeken. Daarover heeft hij zich jegens vrienden hevig beklaagd.
In 1944 ontdekte Pfitzner zelf in het piano-uittreksel van zijn Celloconcert uit 1943 — opus 52, eveneens in a kleine terts — dat hij het hoofdthema van zijn vroegere concert in zijn nieuwe opus had gebruikt als een soort van ‘groet aan zijn jeugd’, al zijn er, praktisch gesproken, wel enkele kleine afwijkingen ten opzichte van het oorspronkelijke thema.

Nalatenschap
De nalatenschap van Hans Pfitzner is in 1959 in het bezit gekomen van de Österreichische Nationalbibliothek in Wenen. Door een toeval bleek in 1976 dat het aldaar gearchiveerde Celloconcert in aklein niet het bekende opus 52 was, maar het verloren gewaande jeugdwerk. Zo kon het, negentig jaar na ontstaan, alsnog tot een openbare uitvoering van het werk komen. Op 18 februari 1977 heeft de conservatoriumdocente Esther Nyffenegger het werk tijdens een concert van de Würzburger Hochschule onder leiding van Hermann Dechant gespeeld. Kort daarop werd het stuk onder meer in Augsburg en Bayreuth uitgevoerd. Niet al te lang daarna is deze compositie bij muziekuitgever Schott te Mainz in druk verschenen.
Met dit eerste celloconcert, dat veelal met het nummer Nul en de toevoeging opus posthumus wordt aangeduid — aangezien het is voltooid voordat Pfitzners eigen Cellosonate werd geschreven, welke later als opus 1 zou worden geboekstaafd —, zou de componist een volwassen compositie afleveren voor de bezetting solo-instrument met orkestbegeleiding, zeven jaar voordat Antonín Dvorák diens ‘kassucces’ opus 104 zou voltooien.

Pfitzner op NDR Kultur
Op dinsdag 5 mei, honderdveertig jaar nadat Hans Pfitzner werd geboren, presenteert de Duitse radiozender NDR Kultur in het programma Musica — tussen 19:30 uur en20:00 uur — diens Sextet in g-klein, opus 55 voor viool, altviool, cello, contrabas, klarinet en piano uit 1945, te spelen door het Consortium Classicum.
___________

[1] In april 1986 heeft het toenmalige Noordelijk Filharmonisch Orkest in drie steden in de provincies Groningen en Friesland Pfitzners Celloconcert uit 1888 voorgesteld. Korte tijd later vertelde de solist van toen — de Russische cellist Alexander Michejew — me tijdens een ontmoeting bij muziekliefhebbers thuis dat hij vanzelfsprekend literatuur over Pfitzner had geraadplegd, maar dat hij tal van gegevens in mijn toelichting op het werk en de maker had gelezen die hem tot dan niet bekend waren. Die gegevens komen, vanzelfsprekend, ook in deze bijdrage voor.

[2] Tal van andere kunstenaars uit die periode en later hebben dat epitheton meegekregen, zoals Richard Strauss, na enige tijd de Nederlandse componist Alphons Diepenbrock (1862-1921) en, weer later de pianist Vladimir Horowitz (1903-1989). En dat zal nog wel enige tijd, steeds weer met anderen, het geval blijven. En dan hebben we het nog alleen maar gehad over musici; de term wordt eveneens gebruikt voor vertegenwoordigers van andere disciplines in de wereld der kunsten.

[3] De veel opportunistischer Richard Strauss — die zelfs tijdens het nazi-bewind enige jaren Leiter der Reichmusikkammer was — wilde zo’n opdracht evenmin aanvaarden. De weerzinwekkende Carl Orff (1895-1982) — men hoeft maar naar enkele stukken uit diens Carmina burana te luisteren om te weten wat voor een abjecte dramkont die muziekmaker was — deed het maar al te graag. Overigens heeft hij na de oorlog vehement getracht zichzelf als ondergronds verzetsstrijder te profileren. Een hoogst kwalijke figuur, wiens historische vergissing het is geweest dat hij geen lid was van die nazi-bende.

[4] Zo uitzonderlijk was dat overigens helemaal niet: er waren in die tijd al andere celloconcerten geschreven met drie trombones in het koper: dat van de Fransman Edouard Lalo (1823-1892), een concert dat in 1876, twaalf jaar eerder dan dat ‘studieconcert’ van Pfitzner, was gecomponeerd. Antonín Dvorák (1841-1904) heeft in zijn alom geliefde Celloconcert in b-klein, opus 104, uit 1894-95, eveneens drie trombones voorgeschreven.

____________
Afbeeldingen

1. Reünie te Wenen in 1905. De componist Hans Pfitzner ziet u rechts, met sigaar. Geheel links, zittend, de internationaal vermaarde theaterregisseur regisseur Max Reinhardt (1873-1943), staande Gustav Mahler; dan, nippend aan een glaasje, de Oostenrijkse schilder Karl Moll (1861-1945), en, op de rug gezien, de architect Josef Hoffmann (1870-1956).
2. Dirigent Bruno Walter (Schlesinger); hij dirigeerde, in 1917, de eerste uitvoering van Pfitzners muziekdrama Palestrina in de Münchner Hofoper
3. Postzegel van 100 Pfennig, uitgegeven in 1994 door de Deutsche Bundespost, ter gelegenheid van het feit dat het toen 125 jaar geleden was dat Hans Pfitzner werd geboren.
4. De Zwitserse celliste Esther Nyffenegger speelde de première van het toen reeds 90 jaar oude Celloconcert (Nummer Nul uit 1888) van Hans Pfitzner.
5. Hans Pfitzner op latere leeftijd, aan het klavier.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

(Nog) geen reacties op “Hans Pfitzner, enigszins een stiefkind in het Duitse muziekleven”

Reageer

Foto van de dag