// artikel

Nederlandse literatuur

G. van Hulzen – Avond aan IJkant (1897)

De Amsterdamse lezers van onze ‘elektronische cultuurtempel’ (aldus Heinz W.) zullen waarschijnlijk weten dat Amsterdam-Noord, en dan met name de IJ-oever – de Tolhuistuin bijvoorbeeld – in de huidige werkelijkheid zowaar gans ‘hip’ aan het worden is. In de historische literaire werkelijkheid was dit echter bepaald niet het geval. Sinds ondergetekende en zijn femme fatale enkele jaren geleden hun decadente, landelijke villa aan de noordkant van het IJ betrokken, is er naar aardige literaire referenties uit en rond het jaar 1900 gespeurd. Doorgaans tevergeefs. Onlangs vonden we echter een zeer aardige. In De Nieuwe Gids van september 1897 publiceerde Gerard van Hulzen zijn, overigens sterk door de prozaschetsen van Frans Erens beïnvloede sfeerimpressie ‘Avond aan IJkant’, die ik hier voor het, ongetwijfeld gemengd, genoegen van de lezer in haar geheel weergeef.

Onder mijmering van blauw, zwart glanzend het water. Onder water glimmingen van licht. Licht van den kant, gespreid in wazige kringen, in blauw-witten glans en licht van de maan gegleden in zilverende straling, vervloeiend in het wademende water, dat flauw-vlottend balanst.

In heldere stilte bolt koepeling van lucht, doorspikkeld met licht. Van verre rammelt kettingboot, verbindend in wrok, ’t dommelend land met rumoerende stad; stad verzonken achter spoorkap, waarvan ’t licht door geel-groene glasschemering vaal den omtrek bevlamt.
Als strek-armen aan spoorhof de lichten in half-cirkel, met flonkers van wal en van mast – een diadeem als nachtkroon van stad.
Er boven de maan, bleek goud, in majestatische straling, souverein en sereen in hare beglansing alom.

Schril de geluiden van treinen, schokjes door scheurende lucht – nog zwakke opfleuring van stervenden dag. Wagens, geschoven langs silhouet van zwart-brokkelende stad, wegsnellende met wazeming van geel en spuwing van groezel, in puffend gevlucht.
Ver wazen de polders in sluier-donkere vacht, zucht-ademend in weerschijn van licht, onder ’t aanwaaiend gericht.
Gerucht’loos vliedend het IJ in wijdsche wijding van water, bij streelingen van maan aals git-zwarte glazing onder een spreisel van zilver, wegdoezelend aan den kant, glans-donker, bij flonker van wit-blanke zonnen, ’t elektrisch uitstralend van wit-blauw tot crême, van ros-geel tot violet verspreidend naar het schemer van donker met schitter van wit in ’t hart; het water voortwademend in week-wabberend balans, gittend onder het blank-blauw elektrisch geglans.

En over het IJ, dat statig verschiet, gegleden de schepen, met spitsing van spar en mast, als zware zwanen van zwart over vijver van wit. Zwoel de lucht om het ijl-teere tuig. Ragfijn de toppen, de draden, met zilverend gefleem en geglim.
Nog schepen, gestreken, dommelend voor stroom, de romp gebogen, breedend in paffe moeiheid, op het water stilletjes-geslapen of ze er gemeerd zijn voor eeuwig.

Tusschen de ruisch’looze boomen suisend van de zuchten zwijmende liefde, gerinkel van glazen, geelende glanzing van licht en gekif van voeten over dansgrond en kiezel.
Het “Tolhuis” in feesting.
Uit het sluimer-zware groen, dat donkert en huift langs het glanzende water nog de dwale-toonen van trom en van fluit.
En boven welft het spansels van blauw met damping van waas, het licht en het wuft van den hof.

Dof rommelt ketting van boot door mysterielijken nacht, boot breed gaand over ’t water, dat torscht heel den last.
En menschen staan staar bij het geheimnisvolle van diep donker water, omglensterd met licht, wat menschen bedachten, beschenen door bleek, goudene maan in mijmer-blauwe lucht – windjes verademend in luid’loos genucht.

_____________
Afbeelding:
David Schulman (1881-1966), Aan het IJ in Amsterdam. Olie op paneel, 25 x 34 cm.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

(Nog) geen reacties op “G. van Hulzen – Avond aan IJkant (1897)”

Reageer

Foto van de dag