// artikel

Nederlandse literatuur

‘Hoe spijtig! Het moest een grandioos stadsepos worden…’ Over De Lemen Torens van Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne (1)

Inleiding, context en inhoud
‘Het is een land van grijsaards na de zomer,’ schreef de hooggeachte Maurice Gilliams al. En inderdaad, de zomer ligt achter ons en de dagen korten. Doe het hek naar de zomertuin op slot en ontsluit de deuren van uw studeerkamer, want tijdens de lengende avonden kan u inlopen op meesterwerken die u zich voornam nog te lezen vóór het jaareinde. Ik mag alvast een titel van mijn lijstje strepen, en in de volgende twee artikels wil ik graag dit bijzondere boek aan u voorstellen.

Het werk waarop ik doel is De Lemen Torens (eerste integrale uitgave in 1928), Karel van de Woestijnes en Herman Teirlincks stadsroman in brieven. Niemand minder dan Jan Campert had het volgende te zeggen over de roman in een In Memoriam voor Van de Woestijne uit 1929: ‘Te weinig wellicht is de algemene aandacht gevallen op dien roman in brieven ‘De Leemen Torens’, welken hij in samenwerking met Herman Teirlinck schreef’ (Campert 1929: 1030, geciteerd in Vandevoorde 2006: 252). En inderdaad: de roman was in haar eigen tijd al niet zo bekend en is dat tegenwoordig al helemaal niet meer, op enkele publicaties links en rechts na (zie De Clercq 2006; Hofstede 2001; De Leeuw 1990; Pelckmans 2005). Na het te lezen zal het u duidelijk zijn dat dit prachtige boek eerherstel verdient.

De roman zou oorspronkelijk de ondertitel Vooroorlogse Kronijk van Twee Steden dragen, maar variaties op deze titel en ondertitel zijn legio. Elke variant Image2betreft hetzelfde werk; zo draagt mijn grasgroene eerste druk van Nijgh & Van Ditmar in twee delen (1928) de titel De Leemen Torens, zonder ondertitel, en werd de roman als feuilleton uitgebracht in De Gids als De Leemen Torens. Kronijk van Twee Steden (in de periode januari 1917-april 1918). Ik raad de geannoteerde versie in Verzameld werk van Herman Teirlinck. Vol. V (1965) aan, met de titel De Lemen Torens. Vooroorlogse Kroniek van Twee Steden. [1] Deze goed verkrijgbare uitgave bevat een gecorrigeerde en geannoteerde editie van het verhaal, en Teirlinck voegde er twee belangrijke inleidende stukken aan toe, namelijk ‘Ter inleiding’ (1960) en ‘Brussels klimaat van de Belle Epoque’ (1960); deze essayachtige addenda behandelen de inhoud en ontstaansgeschiedenis van de roman, en scheppen een beeld van de stad Brussel anno 1900 – een hoofddecor van het verhaal én machtig interessant! Allereerst wil ik u wat informatie over de auteurs en de inhoud van het werk bieden; ik hoop dat ik de auteurs niet meer in detail moet introduceren; daarvoor dient de gespecialiseerde secundaire literatuur [2] en, enkel in geval van nood, de Nederlandstalige Wikipedia. Hieronder een korte bio-bibliografische schets.

Karel van de Woestijnes gedichten behoren, volgens mijn bescheiden mening, tot de beste die in deze periode van de Nederlandstalige literatuur werden geschreven. Maar in tegenstelling tot wat het brede leespubliek van hem leest (als dat hem en zijn werk al kent natuurlijk), is ook Van de Woestijnes proza zeker niet te versmaden. Zo is er bijvoorbeeld het pareltje Janus met het Dubbele Voorhoofd (1908), een verhalenbundel die als hoogtepunten het gestileerde ‘Romeo of de minnaar der liefde’ en het zinnelijke ‘Blauw-baard of het zuivere inzicht’ kent, waarover ik het hier al eens had. Los daarvan is de volgende lyrische beschrijving uit De Lemen Torens van een diner masqué een goed voorbeeld van Van de Woestijnes ondergewaardeerde talent als prozaschrijver, en een smaakmaker voor dit schitterende werk:

[D]aar [zaten] ook nog met naakt aangezicht, en geen mom dan poeder, rouge en mouches: de verleptste exemplaren van onze demi-monde, naast de bleekst-geblaseerde vertegenwoordigers der jeunesse dorée. […] Maar dat was Mie Roederer, uit de Wellington-Bar! Dat zwarte fourreau moest haar teint doen gelden -comme si ça nous rajeunissait! Twintig jaar geleden reeds pochte ze erover dat zij Georges Rodenbach…ontnuchterd had, toen zij-zelf veertien jaar oud was (p.598-599).

En:

Schuin over mij zat aan een tafeltje een vrouw, dicht-gesloten in, laag-bekapt door een vuur-rode fluwelen domino. Zij at niet; zij dronk niet. Het hoofd geleund op de samengestrengelde vingeren van haar witte handen, staarden haar grote, gitten ogen mij aan uit de gaten van haar rood-satijnen maskertje, waarvan de kanten barbe mond en kin verborg. Wie mocht ze zijn? Ik vroeg het mij nauwelijks af. Want welke vrouw die in mijn persoon belang kan stellen? Zij zag mij aldoor aan: zij ging zich als een stille aanduwing in mijn hersenen drukken en aftekenen als een bloedige sfinx, die nimmer spreken zal (p.600).

Herman Teirlinck staat bekend als een veelzijdig prozaïst en toneelschrijver; de decadente en landerige fin-de-siècle-atmosfeer en -thematiek die hij in vroege prozawerken als Het Ivoren Aapje (1909) opvoert, zet zich in een gemoderniseerde variant verder in romans als Maria Speermalie, 1875-1937 (1940) en het superieure De XXXX brieven aan Rolande of Rolande met de Bles (1944). Dit laatstgenoemde werk, dat zich op het continuüm decadentie-vitalistisme bevindt, is trouwens een aanrader voor liefhebbers van D’Annunzio’s Il Piacere (1889), Gides L’Immoraliste (1902) of Rood Paleis (1936) van Bordewijk; Rolande is evenals het onderwerp van dit artikel een brievenroman. Later schreef Teirlinck nog de Elsschotachtige (en autobiografische?) roman Zelfportret of het Image4Galgemaal (1955). Typisch voor Teirlinck is de analytische, barokke stijl en het impressionistische woordgebruik, waarvan ik hieronder een voorbeeld uit De Lemen Torens geef:

Op het terras bleef ik staan, te rusten, en ik keek om naar het landschap. De velden vergingen in éen kleurvlakte, en de heesters of bomenreken verfden grote, donkere strepen erover. Hier en daar lag een huis in zijn vierkant tuintje, een witte gevel ophakend naar de ondergaande zon. En ginder ver, de gehele horizont beheersend, bultte omhoog, te paard op haar twee heuvelen, de grote, sombere stad. Kleine lichtjes fonkelden erover en zij was als een oud juweel met een herlevend gedoe van edelgesteenten. Een wijd geluid, gelijk van een zee in dromen, ademde uit haar. Ze lag daar, bijeengepakt en geweldig, bezig aan haar avondbedrijf en jaloers op haar eigen koorts. Hier, en om en rond, het moede, geurige land, slapensvaardig. Ginder, onder een reusachtige korst van stenen, het schrikkelijke werk van hoofden en harten, het dooreenwarrelende gebarenspel van de menselijke kamp. Zo gebeurde in de tijd het leven van de stad, zich steeds uit oude lijven hernieuwend, berg van vlees en kracht, van hoop en ellende, van tranen en van vreugd… (p.30-31)

Overigens zou André de Ridder net na de eeuwwisseling van Teirlinck en Van de Woestijne een interview afnemen, waarin hun leven, werk en artistieke invloeden worden besproken, en De Ridder een psychologisch portret van beide auteurs schetst; dit alles in Onze schrijvers. Geschetst in hun Leven en Werken. Tweede Bundel (Vlaamsche schrijvers) (1909).

Nu, wat De Lemen Torens betreft: de chroniqueurs Teirlinck en Van de Woestijne, die als personages en vertellers deelnemen aan het verhaal, beschrijven in tien brieven een wijdlopige geschiedenis die verschillende families en individuen opvoert tegen een achtergrond van oorlogsdreiging (de Eerste Wereldoorlog), nationale conflicten (zoals de socialistische ‘Vooruit’-stakingen te Gent in 1912 en 1913) en politieke ontwikkelingen (de Vlaamse Beweging). Omdat Teirlinck en Van de Woestijne elkaar getekende brieven sturen, is de tijdspanne die het verhaal beslaat concreet; vanaf de eerste brief, getekend ‘Herman Teirlinck aan Karel van de Woestijne, Ganshoren bij Brussel, 12 juni 1913’, tot de tiende en laatste brief, getekend door Van de Woestijne en gedateerd 19 juli 1914, een periode van ongeveer één jaar, tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog die 28 juli datzelfde jaar losbreekt. Hoewel Teirlinck in zijn bijgevoegd stuk ‘Brussels klimaat van de Belle Epoque’ beweert dat het verhaal zich afspeelt tijdens de periode 1895-1910, ‘ongeveer de duur van de Belle Epoque’ en dat ‘de auteurs en hun personages onverdeelbare tijdgenoten’ zijn van deze periode (LXXV).

Het personage Teirlinck heeft zich wegens gezondheidsproblemen op het Brusselse platteland gevestigd, in de periferie van de grote stad, waarnaar hij toch een aantal maal zal terugkeren; vanuit zijn ‘landelijk verblijf’ (1) in Ganshoren houdt de schrijver de hoofdstedelijke verwikkelingen in de gaten en een vinger aan de nerveus slaande pols van zijn tijd. Van de Woestijne bevindt zich te midden van familie en jeugdvrienden te Gent, waar op dat moment de Wereldtentoonstelling van 1913 doorgaat, wat ons enkele prachtig geschreven bladzijden oplevert. Bijvoorbeeld over de synesthetische betovering van het Rozenpaviljoen (113-114), of de beschrijving van een herfstrit door de bossen naar het Oost-Vlaamse kunstenaarsdorp Sint-Martens-Latem (215-220). Uit al de ingewikkelde lotgevallen van Image6de Brusselse en Gentse families Mornar, D’Onghenae, Hoeck, Amnestie, Van Gendt, Theunis, en van enkele individuen als de Engelse dandy Horace Druce en de beiaardier Nikolaas Reaal, treedt het hoofdonderwerp van de roman naar voren, namelijk de problematische liefdesverhouding tussen Paul Mornar en Germaine Theunis. Paul, de geblaseerde architectenzoon, kan niet in het reine komen met zijn liefde voor Germaine, een meisje van eenvoudige afkomst. Hoewel alles met hen goed afloopt, eindigt het boek op een dreigende toon met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

De positie van Teirlinck en Van de Woestijne, als gefictionaliseerde personages in het verhaal en als auteurs van de roman, verduidelijkt Teirlinck als ‘Het zou dus een brievenroman worden, een kroniek van twee steden, Brussel en Gent, en wij [Teirlinck en Van de Woestijne] zouden onszelf in het levenstumult betrekken. Wij legden ons daarbij op zeer dicht bij de werkelijkheid te blijven en alle ficties te mijden die de blote aanvoeling van de levende werkelijkheid mocht in de weg staan, of vertragen of enigszins benevelen. Elk van ons, Karel als Gentenaar, en ik als Brusselaar, zou zich voordoen als totaal versteend met de gevels van zijn stad’ (XXVII-III). Inderdaad speelt het overgrote deel van het verhaal zich af in de steden Gent en Brussel, maar ook in de omringende plattelandsdorpen Sint-Martens-Latem, Ganshoren en Sint-Pieters-Leeuw.

De auteurs hadden een realistische verhaalwereld op het oog, met zo min mogelijk fictieve elementen; vanuit die opzet werden enkele reële personen, inclusief de auteurs, gefictionaliseerd tot personages in De Lemen Torens. Men kan bijvoorbeeld de socialist Leo van Aerseele en professor Simon Hoeck terugvoeren op de socialistische politicus Edward Anseele en hoogleraar geschiedenis Paul Fredericq (zie ook Vandevoorde 1999; De Leeuw 1990; Picard 1958). Teirlinck spreekt van ‘dubbelgangers’ als hij het over de reële en gefictionaliseerde personages heeft; Van de Woestijne zou, althans meer nog dan Teirlinck dit deed, zijn personages ‘naar het levend model’ schilderen. Teirlincks verklaring hiervoor is dat Van de Woestijne De Lemen Torens als een kroniek opnam,  of ‘dat Karel eerder de kroniek zag’, terwijl hijzelf het werk als een roman zag (XXXVII-III). Dit alles betekent niet dat het verhaal waargebeurd is; het betreft geen echte sleutelroman. Teirlinck en Van de Woestijnes exploitatie van de werkelijkheid, hoewel slechts gedeeltelijk Verdichtung, krikt wel het waarheidsgehalte van de fictieve kroniek op. Net zoals het verhaal een deel van haar geloofwaardigheid ontleent aan het aura van feitelijkheid die haar literaire vorm, de briefroman, verstrekt. Na voorgaande inleiding op het werk en de context ga ik volgende keer in op de ontstaans- en publicatiegeschiedenis van de roman.

Wordt vervolgd.
_____________________
Noten:
[1] De pagina’s in Romeinse cijfers en die zonder auteursvermelding verwijzen naar deze uitgave.
[2] Een uitgebreide beschrijving van Van de Woestijnes leven en werk geeft Hans Vandevoorde in zijn De spiegel van Achilleus. Karel van de Woestijne en de allegorie (2006). Jean Weisgerber vat Teirlincks oeuvre en biografie beknopt samen in Aspecten van de Vlaamse roman, 1927-1960 (1964: 137-159)

Bronnenlijst en verder lezen:
– Campert, Jan R. Th. ‘Karel van de Woestijne’. Nederland. 81 (1929): 1024-1032. Print.
– De Clercq, Martine. ‘De ‘hoge’ en ‘lage’ stad bij Herman Teirlinck: een mozaïek van Brussel’. Vlaanderen. 55 (2006): 134-138. Print.
– Hofstede, Rokus. ‘’Ik moet het weifelend wezen dat ik ben, stutten door welsprekendheid’:  Herman Teirlinck’. (2001). hofhaan.nl. Web. 19 Oct. 2015.
<http://www.hofhaan.nl/2001/rokus-hofstede/ik-moet-het-weifelend-wezen-dat-ik-ben-stutten-door-welsprekendheid/>
– De Leeuw, Paul. ‘De Leemen Torens van Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne: een sleutelroman?’. Spiegel der Letteren. 32 (1990): 261-282. Print.
– Pelckmans, Paul. ‘‘Is het dan een wet dat we bouwen zullen?’ Temperament en politiek in De lemen torens van Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne’. Buelens, Geert et al. (eds.). De Trust der Vaderlandsliefde. Over literatuur en Vlaamse beweging 1890-1940. AMVC-publicaties 7. Antwerpen: AMVC-Letterenhuis, 2005. 6-24. Print.
– Picard, Leo. ‘De leemen torens als historisch document’. Nieuw Vlaams Tijdschrift. 12 (1958): 309-318. Print.
– De Ridder, André. Onze Schrijvers. Geschetst in hun Leven en Werken. Tweede Bundel (Vlaamsche schrijvers). Baarn: Hollandia, 1909. dbnl.org. Web. 10 Jul. 2015.
<http://www.dbnl.org/tekst/ridd002onze02_01/>
– Theunynck, Peter. ‘‘Het ene plezier is het andere waard’. Over Karel van de Woestijne en zijn zwager Maurice Roelants’. Vlaanderen. 54 (2005): 11-15. Print.
– Teirlinck, Herman & Van de Woestijne, Karel. ‘De Leemen Torens. Kronijk van twee steden. Door Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne. Eerste boek. IX. Herman Teirlinck aan Karel van de Woestijne’. De Gids 82 (1918): 416-433. dbnl.org. Web. 10 Jul. 2015.
<http://www.dbnl.org/tekst/_gid001191801_01/_gid001191801_01_0028.php>
De Leemen Torens. Vol. I & II. Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1928. Print.
– Teirlinck, Herman & Pée, Willem et al. (eds.). Verzameld werk van Herman Teirlinck. Vol. V. Brussel: Manteau, 1965. Print.
Verzameld werk van Herman Teirlinck. Vol IX. Brussel: Manteau, 1973. Print.
– Vandevoorde, Hans. De spiegel van Achilleus. Karel van de Woestijne en de allegorie. Nijmegen: Vantilt, 2006. Print.
– Weisgerber, Jean. Aspecten van de Vlaamse roman, 1927-1960. Amsterdam: Athenaeum/Polak & Van Gennep, 1964. dbnl.org. Web. 10 Jul. 2015.
<http://www.dbnl.org/tekst/weis001aspe01_01/weis001aspe01_01_0010.php>

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

één reactie op “‘Hoe spijtig! Het moest een grandioos stadsepos worden…’ Over De Lemen Torens van Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne (1)”

  1. Ha! Interessant .Dit zet aan tot eindelijk-eens-lezen. Had net gister nog een ingenaaid exemplaar van de 1e druk met een mij onbekend omslag in mijn hand bij een antiquariaat alhier. Had ik het nu maar meegenomen. Heb hier hier wel staan in het Verzamelde Werk van de inderdaad onvolprezen Vd Woestijne, dus lezen kunnen we het altijd wanneer we willen.

    Door Sander Bink | 8 november 2015, 16:30

Reageer

Foto van de dag