// artikel

Algemeen

Over literaire abortus en Mooie vrouwen, gans naakt en gesluierd op een sofa.

In De Volkskrant van dit weekend schrijft ene Rutger Lemm over de lasten van schrijverschap en vaderschap. Enorm prangende en belangrijke kwestie en het is maar goed dat de courant hier zoveel aandacht aan besteed terwijl de wereld ten onder gaat. Nu ben ik noch schrijver noch vader en weet er niks van, weet enkel dat schrijven best te combineren is met andere mooie zaken, zoals uwes en mijnes eigenste femme fatale en malle hobby’s. Ik moet dan ook mijn ongevraagde mond houden maar kan het niet laten toch even te reageren, de mailbox stroomde al vol namelijk dankzij een door Lemm aangehaald citaat van een schrijfster genaamd Rivka Galchen: ‘In de wereldliteratuur komen meer honden – zelfs meer abortussen – dan baby’s voor.’
Om dit te weerleggen leg ik toch even het boek dat ik net aan het lezen was (Benno Stokvis Het paard in de literatuur Lochem, De Tijdstroom, 1955) opzij. Wat een kolder. Excusez le mot. Het pasgeboren kind is immers een van de dominante thema’s in ‘de wereldliteratuur’, van Constantijn Huygens, via Tollens, Ten Kate en Victor Hugo naar De Maupassant en Huysmans en co., bij die laatsten en andere naturalisten vaak zelfs, at your service, gecombineerd met het leed van ouder- en schrijverschap. En dan laat ik de schilderkunst, die bijkans ontploft van de baby’s, nog maar buiten beschouwing.

En meer abortussen dan baby’s? Daar nu ontplofte voorgenoemde mailbox mee want ik kreeg acht (acht meer dan normaal!) mails met de vraag: ‘Hoe zit het met abortussen in de Nederlandse letteren in het bijzonder die van rond 1900?’. Welnu, ik heb geen idee, maar uit de hele wereldliteratuur (ja, die las ik ook, helemaal) schiet mij niet meteen een klassieke abortusscène te binnen. Wel diverse geboren en al snel gedode kinderen, maar dat is wat anders. Rond 1900 weet ik er maar twee, nog best veel eigenlijk dus. In het eerder besproken Lilia van De Jong van Beek en Donk wordt er op gezinspeeld en noemde ik de tweede al kort.
De meest expliciete literaire abortusvernoeming in de Nederlandse literatuur rond 1900 is te vinden in de (Haagse) roman Mooie vrouwen van Bram van Dam. De eerste druk hiervan verscheen in waarschijnlijk 1904 maar helemaal zeker is dat niet want zijn werk is vrijwel van de aardkloot verdwenen zoals u hier eerder hebt kunnen lezen. Maar een marginale vermelding is het desondanks niet want veelgelezen werd hij wel en mijn Mooie vrouwen is dan ook een vierde druk van omstreeks 1930. Daarin schrijft mevrouw Laval aan dokter Kromer:

‘Dokter,

U hebt geweigerd mij verloskundige hulp te verlenen. Maar ik bid u dringend, kom mij bezoeken. Help mij uit deze ellendige toestand. Ik heb niet naar een kind verlangd, ik wil er geen. Het wordt met tegenzin ontvangen en ik heb gelezen dat zulk een kind nooit gelukkig worden kan. Help mij van dit nare vooruitzicht af. Kom s.v.p. met mij praten.’

Veel  te grafisch om boven de ondergrond uit te komen. Ook de moderne heruitgave van Van Dams hoerenroman Mademoiselle Céline, mijn domme idee, dook ondanks Wims vakkundige inleiding meteen de underground in, inhoudelijke recensies zijn mij althans ontgaan.
Mooie vrouwen, nu we het er toch over hebben, gaat over een heel sexy doktersechtpaar. Beetje een pleonasme want iedereen die ook maar met en half oog vieze blaadjes en filmpjes heeft gelezen en gezien weet dat het libido van dokters en doktersvrouwen hoger ligt dan gemiddeld. Bij Van Dam gaan ze dan ook al op pagina negen van bil en Mooie vrouwen is daarmee de meest seksueel expliciete Nederlandse roman van rond 1900. Bij mijn bescheiden weten althans en als u een ander voorbeeld weet horen we het graag. Nadrukkelijke pornografie geldt daarbij niet want dat Van Dam literaire merites heeft hebben we hier eerder beargumenteert.
En aangezien de kans dat u ooit zelf een exemplaar van het onvindbare Mooie vrouwen zult bezitten vrijwel nul is tikten we, het is immers zondag, de ideale dag om cerebraal te zondigen, de meest wellustige pagina’s voor u over. Het stelt allemaal niet veel meer voor naar moderne maatstaven want niks dateert zo slecht als pornografie en humor maar voilà, pagina negen dus:

Sneller bewoog haar boezem onder de druk van zijn hoofd. Zij was verplicht de mond wijd te openen en diep te adem te halen. Toen lachte zij luid, pakte beide zijn oren, terwijl ze trachtte zich op te richten. Als tot bezinning komende, gaf hij toe aan de drang, waarmee ze zijn hoofd tot haar lippen trok. Een warme kus; dan duwde ze hem lachend van zich, wierp haar benen van de sofa, richtte zich snel op, stond een ogenblik later in haar volle lengte op de berenhuid, de loshangende blauwzwarte haren naar achter strijkend, zodat haar prachtige armen tot de schouders bloot kwamen.
Een heerlijke gestalte zoals daar stond in het slepend kleed dat, open van boven tot onder, haar slanke figuur onbelemmerd toonde. Langzaam, half bedwelmd, rees dokter Kromer ook overeind, tuimelde op de nog warme plek op de sofa, waar zijn vrouw had gerust. In een oogwenk zat zij naast hem.(…)
Het was een dronkenschap der zinnen, waar hij aan toegaf, met zijn ganse zijn, en het levendig besef, dat hem nooit verliet, dat de vrouw van zijn hart zijn eigen, wettige vrouw was, zijn eigendom, gelijk hij het hare. (…) en dan hief zijn langzaam haar hoofd op, bood hem haar half-open mond. Met dichte ogen liet ze zich kussen, liet zich strelen langs het warme lijf. Het was een roes, waaraan beiden zich gewillig overgaven; een weelde der zinnen, maar waarin hunne zielen deelden. (p. 9-11)

‘You get me all fucked up like I’ve been sniffing glue/And I’m so horny that I don’t know what to do/And now my balls are turning blue’ zong Teenage Bottlerocket in voorgelinkt liedje en een soortgelijke reactie zal deze passage bij de lezertjes van toen hebben opgewekt. Stelt dus allemaal niet veel meer voor maar nu we toch bezig zijn de rest van de sappige passages ook maar meteen ter uwer bevrediging en genoegen.

Dokter Kromer weigert de abortus aan mevrouw Laval waardoor ze, toch al aangeboren gedegenereerd, want half Indisch, helemaal los gaat.  Als een Leonie van Oudijck leest ze vieze boekjes op de sofa: ‘Voor alle zekerheid bleef zij ’s middags thuis, zich vermakende met het bekijken van pas aangekomen Franse prachtwerken, merendeels bevattende Le nu au Salon.’ (p. 77) Overigens kreeg Couperus op zijn kop voor de blote billen van Leonie maar Van Dam moet meer gelezen zijn dan De stille kracht dat moeizaam tot een tweede druk kwam terwijl alle van Dams meerdere drukken beleefde.
Wanneer mijnheer Laval financieel ten onder dreigt te gaan weet madame wel een ‘soort van’ oplossing:

‘Zo, nu schieten we op. Het spreekt vanzelf, dat ik niet het minste plan heb om armoe te gaan lijden. Verkocht heb ik me al ééns, aan jou; ik zie er hoegenaamd geen bezwaar in om het nog eens te doen, en nog tienmaal desnoods.’
‘Zo denk ik er ook over’, zei hij, maar dadelijk daarop beseft hij onhandig te zijn geweest. (..)
‘Mijn lijf is jong en mooi genoeg om er een goede prijs voor te durven vragen, en ik ben vast van plan, als ’t nodig is, dat ook te doen. Maar niet om er jou mee te onderhouden. Je kunt doen wat je wilt, maar dàt weiger ik beslist!’
Ze deed een paar stappen naar de deur. Bleek van drift, voelend dat zijn zaak verloren was, zei Laval:
‘Dus nu de duiten op zijn kan ik ophoepelen, niet? Kan ik het soms helpen?’
‘Natuurlijk kun je dat. En voor je geld heb je plezier gehad. Ik ben je hoer geweest, je getrouwde hoer. We zijn nu quitte.’ (p. 83-84)

Op dit soort grillige femme fatale-acties is uiteraard maar een juiste reactie mogelijk: Laval gaat naar De Witte, bedrinkt zich en schiet zich in De Bosjes een kogel door het hoofd.
Een mooi Couperiaans, decadenterig femme fatale-beeld is te vinden in hoofdstuk drie en is tevens een mooie en onbekende verwijzing naar Alma-Tadema’s schilderkunst:

In haar weelderig ingericht boudoir, waar een zware geur van heliotropen hing, lag mevrouw Laval op een laag rustbed, gans naakt, maar met een zacht roos-kleurige, doorzichtige sluier over het lichaam geplooid, een zijden kussen onder het hoofd, de armen omhoog en de handen ineen, de zwarte haren los, het gelaat bepoeierd, glimlachend met lichtende ogen een der Romeinse vrouwen van Alma Tadema. En op een nog lagere stoel, geheel bedekt met een tijgervel, zat advocaat Bouwkamp, als betoverend starend naar dat wondermooi gelaat, nog verleidelijker gemaakt door de kunst der handige kamenier… De zware geur hier drukte zijn hoofd, belette hem te denken, wekte zijn zinnen maar doofde zijn weerstreven. (…)
Er zou een tableau vivant gegeven worden ten huize van mevrouw Laval, morgennacht. Werkelijk naar een voorstelling van Tadema. En zij zelf zou de liggende vrouwenfiguur zijn, de anderen zouden meer zitten en minder naakt zijn.’ (p. 114-115)

Ondertussen is doktersmevrouw Kromer niet lekker geworden en in het ziekenhuis beland waar haar minnaar dokter Bouwkamp haar probeert te troosten:

‘Ze lachte hem toe, hechtte zich vaster aan hem, nestelde zich in zijn forse armen. Maar ondertussen voelde hij het trillen van haar lichaam, het schokken van haar leden. Een tijdlang liet hij haar ongestoord zo liggen, tot hij dacht dat het genoeg was, en toen, als vroeger nog eens, verlegde hij haar languit, nam haar op, droeg haar weg naar de slaapkamer, lei haar in bed. Hij maakte haar japon, daarna haar onderkleding los, dat hals en boezem bloot kwamen, schoof hoog het raam open, ging bij haar zitten. Heftige sidderingen schokten haar lijf, hij greep haar polsen en klemde die vast tussen zijn handen. Dat hielp al. Na een poos nam hij haar zachte borsten, en onder die warme aanraking glimlachte ze met nog natte ogen.’ (p. 175)

All is well that ends well: mevrouw Kromer geneest, dat gedegenereerde sujet Laval wordt neergeschoten door ‘een bruine’, haar bediende die er mee wegkomt want ze zou toch maar meer dood en verderf zaaien.
Ik loop ook meestal maar mijn ganzenveer achterna, nadenken is niet mijn sterkte kant, ben zonder plan gaan tikken, wat leidde tot dit spektakelstuk maar, dames en heren, beste reizigers, toch hulde voor Bram van Dam dat hij dit allemaal op durfde te tikken. Mocht u ooit Mooie vrouwen of welke roman van Van Dam dan ook, vinden, absoluut direct kopen en lezen. Het is goed en mooi en rauw-menselijk en heeft doorgaans beter eindes dan dit stuk.

Afbeelding: Alma-Tadema In the Tepidarium, 1881.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

één reactie op “Over literaire abortus en Mooie vrouwen, gans naakt en gesluierd op een sofa.”

  1. Als immer weer een erudiet stuk van je Sander. Een kleine correctie: genoemde roman Mademoiselle Céline is niet uit de pen van Bram van Dam gevloeid, maar van die andere Bram, Bram van Dort. De twee waren elkaars eeuwige concollega’s en worden nog steeds vaak verward. Van Dam was de schuilnaam van de journalist en auteur W.C. Tengeler, en Van Dort was de schuilnaam van de acteur en schrijver Mari J. Ternooy Apèl.

    Door Wim Meulenkamp | 3 september 2018, 17:52

Reageer

Foto van de dag