// artikel

Muziek

Wagner versus Mendelssohn — een onverwerkt, narcistisch trauma

Gif voor hersenen en gevoel
In een Terzijde van zondag 14 juni laat Peter Hoffman weten dat Martin Geck in een essay uitlegt hoe het zat met die in tal van opzichten problematische, anti-collegiale en anti-Joodse houding van Richard Wagner (1813-1883), waar het gaat om, de vier jaar eerder dan de laatstgenoemde geboren, Felix Mendelssohn Bartholdy, die door zijn overlijden in 1847 tot de groep jong gestorven muziekmeesters behoort. Wagner heeft na hem nog zesendertig jaar geleefd en een deel van die tijd gebruikt om zich enorm af te zetten tegen ‘de kleine Joodse prins’, onder meer door zijn pathologische hetze in het pamflet Das Judentum in der Musik, dat inhoudelijk veel meer openbaart over de psyche van de auteur dan over degene die hij tot ‘lijdend voorwerp’ van zijn woede heeft gepromoveerd.

Erfelijke afwijkingen
De kleinzonen van Richard Wagner, Wolfgang (geboren 1919) en Wieland (1917-1966) — die beiden Onkel Wolf tegen het Moffenbeest Hitler mochten zeggen omdat hun moeder Winifred (1897-1980) was behept met een extreme fascistische fascinatie voor de kwalijke demon der dwangmatige destructie,  en welke geruime tijd de zaken in en om das Haus auf dem grünen Hügel te Bayreuth hebben geregeld omdat hun barbaarse moeder [1] zich na de oorlog niet meer met het beleid mocht bemoeien vanwege haar monsterlijkheid tijdens dat nazibewind — vonden het sterk anti-Joodse element in het wezen van hun grootvader kennelijk meer behoren bij de tijd waarin hij leefde dan dat ze het beschouwden als een kwalijk onderdeel van de persoon en, meer nog, de nadrukkelijk openbare figuur op de allereerste rang van het muziekleven in het Duitsland gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw. In een interview naar aanleiding van een Lohengrin-uitvoering te Bayreuth in 1978 kwalificeeerde de toen als enige overgebleven kleinzoon Wolfgang dat antisemitisme bij Wagner als een tijdverschijnsel. Zoiets noemt men, ook als niet-Jood, in ieder geval een gotspe. Je hoeft maar in een paar richtingen één stap verder te gaan en het nazidom inclusief kampbeulen was normaal omdat het in die tijd bestond en zich toen heeft gemanifesteerd. Het is en blijft begrijpelijk dat een specifiek deel van die Wagner-clan ook heden ten dage bij velen nog steeds opnieuw braakneigingen veroorzaakt.

Inferioriteitsgevoel
In het essay dat de collega-scribent in zijn Terzijde aanstipte, viel de mededeling dat Wagner zich een tijdlang de mindere zou hebben gevoeld van Mendelssohn, “hoe onwaarschijnlijk het mag klinken”. Maar is dat werkelijk zo onwaarschijnlijk, of juist — binnen het kader van een analytische denkwijze — eerder voor de hand liggend? Peter Hoffman meldt dat die Martin Geck uitlegt hoe volgens hem de vork in de steel zit. Aangezien ik niet wil wachten totdat we dat stuk van die auteur ergens kunnen lezen, om u vervolgens over zijn bevindingen verslag te doen, zal ik u hier en nu, in ieder geval voor een deel, uitleggen hoe zulke gevoelswoekeringen werken en tot welke gevolgen die (kunnen) leiden.

Hoogmoed
Dat uitersten elkaar kunnen raken, maar evenzeer kunnen afstoten, is binnen het kader van interactie tussen mensen en groeperingen een bekend verschijnsel. Dat een oprecht gevoel, dan wel een verstandelijk bepaalde houding, ook binnen één persoon  totaal kan omslaan, is een eveneens veel voorkomend fenomeen. In het tegendeel verkeren, noemen we zoiets, en je signaleert het niet zelden binnen geloofsgemeenschappen: mensen, die devoot katholiek waren en plotseling beseffen dat ze iets klakkeloos zijn gevolgd, worden heel dikwijls felle bestrijders van de kongsi waarvan ze lang — soms zelfs fanatiek — deel van hebben uitgemaakt.
Richard Wagner was een klein mannetje en dat gegeven leidde ertoe dat hij ‘met rechte rug’ iemand tegemoet trad, hetgeen vaak als hooghartig zal zijn overgekomen. Dat zo’n houding hem, zijn persoonlijkheid in aanmerking genomen, niet moeilijk zal zijn gevallen, ligt, in dat kader, nogal voor de hand.

Gevoelsmens
Ondanks al die elementen in de persoonlijkheid van Richard Wagner — die eveneens te kampen had met traumata uit de dagen van weleer — was die man gevoelsmatig wel zeer ontwikkeld [2], al blijft het een vraag of hij in persoonlijke aangelegenheden wel altijd even goed naar zijn gevoel heeft geluisterd.
In ieder geval beschikte Wagner over zoveel muzikaal gevoel en inzicht dat hij het genie van Felix Mendelssohn Bartholdy wel moest (h)erkennen. En dat hij zich, als vier jaar jongere, een tijdlang de mindere heeft gevoeld van die andere musicus — met een voornaam welke diens levenssituatie reeds van tevoren schetste: Felix, het Latijnse adjectief voor gelukkig, en substantief gebruikt als naam; nomen est omen, zeker in dit specifieke geval — mag evenmin verbazing wekken. [3]
Hoezeer Wagner in latere jaren ook was omgeven door luxe en bij tijd en wijle grote sommen gelds, welke hem werden verstrekt door de niet altijd even goed bij de les zijnde Beierse monarch Ludwig II [4], de man heeft toch somtijds nadrukkelijk moeten bedelen en was daarbij niet altijd even succesvol.

Afgunst
Dat er ten opzichte van Joden in het tweede millennium van onze jaartelling steeds meer weerstand ontstond — behalve als men ze nodig had — vindt mede zijn oorsprong in het feit dat de vertegenwoordigers van deze geloofsrichting veelal geldzaken deden, bankier waren geworden en/of op andere wijze in de maatschappij functies vervulden die hebben geleid tot hier en daar groot geld. Men wilde nog wel eens vergeten dat die positie van de Joden mede was ontstaan doordat ongeveer een millennium geleden Rome had besloten dat men geen geld mocht uitlenen tegen rente omdat dit zondig zou zijn — althans voor katholieken. En geld uitlenen zonder daarvoor een tegenprestatie te kunnen ontvangen — in de aloude vorm van rente — wilde ook niet elke aanhanger van God en aanbidder van de Heilige Moeder, al had haar Zoon anno ooit de tollenaars de tempel uit gezweept.
Sluipend had bij Wagner de afgunst [5] op de niet-artistieke mogelijkheden die Mendelssohn had, zijn werk gedaan en in de krochten van diens ziel de nodige haken en ogen aangebracht, die vervolgens hebben gefunctioneerd als struikelblok in de verdere ontwikkeling van de persoon die ze niet (meer) herkent.

Levensgeluk
In tegenstelling tot vele collega-musici — die extreem hard hebben moeten werken voor hun brood en bij tijd en wijle zelfs hebben moeten bedelen bij beter gesitueerden zoals uitgevers, edellieden of een mecenas, om een gewenste, en voor de ontwikkeling van hun mogelijkheden noodzakelijke, reis te kunnen ondernemen — lag de wereld aan de voeten van Felix Mendelssohn. Hij had alles ter beschikking wat hij maar kon wensen, en ook financieel was hij onafhankelijk, waardoor hij zoveel meer tijd ‘overhield’ om zich te bekommeren om zaken die er binnen het creatieve spectrum waarlijk toe doen. Dat niet iedere collega, en zeker niet als deze zich — al dan niet terecht — de mindere voelde, hem die status in dank heeft afgenomen, moge duidelijk zijn voor een ieder die enige levenservaring heeft opgedaan en deze niet Terzijde heeft geplaatst, maar daaruit lering heeft getrokken.
En buiten dat complete ontbreken van een financieel-economische crisis heeft die Felix Mendelssohn Bartholdy per definitie een bijzonder plaats bekleed. Immers, hij stond als een gelukkig mens in het leven, en hoeveel van de componisten — letterlijk en figuurlijk om en nabij hem — waren dat in die tijd, geplaagd als zij werden door ziekte(s), liefdesverdriet en andere ongelukkig makende toestanden en gebeurtenissen. Als we ons beperken tot de bekendste componisten wier leven — in ieder geval enige tijd — parallel liep aan dat van Mendelssohn, komen we Carl Maria von Weber (1786-1826) tegen, die aan vliegende tering ten onder gegaan is, en ook Ludwig van Beethoven (1770-1827), die zo hardhorend was geworden dat hij het ovationele applaus voor zijn Negende Symfonie niet eens meer kon waarnemen; Franz Schubert (1797-1828) leed niet alleen psychisch heel ernstig als gevolg van liefdesverdriet, maar ook nog eens aan aids van anno dazumal: het hevig voortwoekerende trauma dat in die tijd  veelvuldig werd aangeduid met het eufemisme Franse ziekte — syfilis.  Hun collega Fryderyk Chopin, die een jaar later dan Felix Mendelssohn was geboren, stierf in 1849 aan de gevolgen van tuberculose. Net als Mozart in de voorafgaande eeuw en Weber ongeveer een kwart eeuw voor Chopin, hebben ook zij, net als Mendelssohn, de vier decennia leven op dit ondermaanse niet vol kunnen maken. En dan was er ook nog Robert Schumann (1810-1856) — uit wiens oeuvre Mendelssohn wel premières had gedirigeerd — die weliswaar de vier decennia ruimschoots heeft gehaald, maar hoe . . . . .  Hij was volslagen kierewiet geworden, als gevolg van een conglomeraat van oorzaken, en realiseerde een zelf verkozen einde in de Rijn.

Tegenpolen
En als we die twee uitersten tegen elkaar afzetten: aan de ene kant al die ongelukkigen, waarmee Wagner vanzelfsprekend bekend was, en de geïncarneerde levensblijheid daartegenover: Felix Mendelssohn die een door en door gelukkig leven leidde, en die tegelijkertijd een artistiek fenomeen was: met diens kwaliteiten moest men wel degelijk rekening houden.
Een enkeling slechts — althans relatief bezien — slaagt erin om over haar of zijn schaduw te springen en aan zelfonderzoek te doen, waarna de te trekken conclusies de weg naar een meer onbekommerd bestaan openen.
Hoe dikwijls heb ik niet zelf — als toeschouwer aan de zijlijn, dan wel betrokken wordende in dergelijke aberraties met soms desastreuze gevolgen — kunnen constateren dat afgunst een monster is dat destructie tot gevolg heeft, en niet alleen maar van degenen, die als het obscure object van dat onvervulde verlangen — want dat is het in wezen — de klappen moet opvangen: zo niet letterlijk, dan wel figuurlijk, ook al is dat in de vorm van een liederlijk pamflet. Dergelijke ‘kruistochten’ slaan — hoe dan ook en in welke mate dan ook — altijd op enigerlei wijze terug op degene, die ze initieert. Dat heeft Richard Wagner  in zijn blinde ambitie — althans in de bewuste lagen van zijn persoonlijkheid — niet kunnen beseffen.
Je hoeft eigenlijk alleen maar (delen van) de brieven te lezen die de beide muziekmeesters hebben geschreven, en al snel besef je dat de persoonlijkheden elkanders tegenpolen waren. Wagner was en bleef een acteur in datgene wat hij schreef, gezwollen pathos of niet; Mendelssohn daarentegen was een oprecht wezen dat zijn diep doorleefde gevoelens vertolkte, en niet ad hoc opstekende extraverte emotionaliteit.
__________

[1] Hoezeer Winifred Wagner tot de ‘ewig Gestrigen’ behoorde, en  geen lering uit het — vooral persoonlijke — verleden had getrokken, bewees ze in een film anno 1975, met daarin 302 minuten uit de  interviews met Hans-Jürgen Syberberg (geboren 1935): Winifried Wagner und die Geschichte des Hauses Wahnfried von 1914-1975. Daarin postuleerde ze nogmaals haar afkeer van Joodse componisten, zoals Mahler, die sowieso in Bayreuth niet gewenst waren. Verder liet ze op verbijsterende wijze zien dat ze de trouw aan haar geliefde Wolf evenmin had afgezworen door te melden dat hij welkom zou zijn om op dat moment binnen te treden. De Duitse taal heeft voor zo’n houding twee begrippen — die men maar moest onthouden, want er zijn nu politici in Berlijn, die met hetzelfde epitheton kunnen worden beplakt — : lernunfähig en lernunwillig. In het geval van Winifred Wagner had dat uitsluitend met haar gedegenereerde persoonlijkheid te maken, die vanzelfsprekend door oud-nazi’s werd vereerd en mede daardoor doof en blind was en bleef voor de werkelijkheid van de Hitler-tijd en voor de feitelijkheden van de naoorlogse periode.

[2] Die gevoelsmens Richard Wagner kon zich inleven in een oedipale situatie avant la lettre door de Wandelende Jood Kundry in Parsifal dingen te laten zeggen, die later in wetenschappelijk-analytische geschriften van Sigmund Freud (1856-1939) flink nader zouden worden uitgewerkt. De rol van de homo-erotiek in diezelfde opera — een ‘gecastreerde Amfortas’ die alleen kan worden genezen door een jongeling — en niet te vergeten de gevoelens van Siegfried in het gelijknamige derde deel van de Ring-tetralogie: dat alles heeft Wagner kunnen aanvoelen, anders zou hij niet in staat zijn geweest deze te verwerken in zijn muziekdrama’s, en al helemaal niet op die manier. Uit de vakliteratuur kon hij het immers niet hebben, die was er weliswaar reeds, maar bleef voorbehouden aan medische vaklui van vooral de Sorbonne. Pas tijdens het in tal van opzichten woelige Weense fin de siècle leek de tijd eveneens rijp voor veranderingen, aanpassingen en vooral meer openheid ten opzichte van alle kwesties van het leven, die de mens, bewust of in andere lagen, bezighielden en die, juist toen, hun weerslag hebben gevonden in alle bestaande en eventueel toegevoegde vormen van kunst.

[3] Felicissimus — de overtreffende trap van Felix — noemde Heinrich Eduard Jacob (1889-1967) Mendelssohn in zijn, in 1959 voor het eerst verschenen, biografie over deze muziekmeester.

[4] Binnenkort meer in deze elektronische mededelingen over die in juni 1886 overleden vorst.

[5] Men hoede zich in een dergelijke context voor het gebruik van het begrip jaloezie. Dat is een ander fenomeen. Geïnteresseerden zij in dat verband gewezen op de turf, die Nancy Friday (geboren 1933) daarover heeft gepubliceerd: Jealousy, 1985.
____________
Afbeeldingen
1. Felix Mendelssohn Bartholdy. Tekening van Jarko Aikens, Groningen 1984. (Archief Heinz Wallisch, tevens ©.)
2. Richard Wagner. Portret van circa 1862, geschilderd door Caesar Willich (1825-1886).
3. Robert Schumann, collega en vriend van Mendelssohn. Tekening uit 1839 door Josef Kriehuber (1800-1876).
4. Siegfried Wagner (1869-1930) en diens wederhelft Winifred, geboren Williams — zoon en schoondochter van Richard Wagner. (1916)

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

(Nog) geen reacties op “Wagner versus Mendelssohn — een onverwerkt, narcistisch trauma”

Reageer

Foto van de dag