De poëtische kant van de Duitse schrijver Frank Wedekind

Dat de veelzijdige Frank Wedekind in zijn poëzie al even expressief en veelzeggend was als in zijn drama’s, moge blijken uit de aan het einde van dit artikel over hem, zijn leven en werken — en de talrijke maatschappelijke verwikkelingen die daarvan het gevolg waren — opgenomen voorbeelden, welke beide terugslaan op de twee Lulu-tragedies. […]

Tragedies en gedichten
In een Terzijde van 4 juli heb ik gewezen op de presentatie, die dag, van de opera Lulu van Alban Berg, gebaseerd op twee tragedies van Frank Wedekind (1864-1918) Erdgeist (1895) en Die Büchse der Pandora (1904) [1]. Hoewel de uitvoering van dat muziekdrama op het moment dat deze bijdrage wordt gepubliceerd alweer verleden tijd is — doch zo’n registratie zal ongetwijfeld in de herfst of gedurende de aanstaande winter nogmaals worden gepresenteerd op één der andere radiozenders welke ons vergasten op dergelijke uitingen van cultuur —, kunnen we de verleiding niet weerstaan om u hier gedichten van Frank Wedekind voor te stellen met een heel directe link naar die tragedies: Erdgeist en Lulu.

De auteur
Frank Wedekind werd als zoon van een Oost-Friese arts en een Hongaars-Californische toneelspeelster in juli 1864 te Hannover geboren, maar hij groeide op in Zwitserland op het slot Lenzbourg in het kanton Aargau. Zijn studie rechten, die hij in 1883 was begonnen, heeft hij niet afgemaakt, en zo  ging hij aan de slag als journalist en bereisde hij Frankrijk en Engeland. Vanaf 1886 was hij eerst enige tijd werkzaam als chef van de reclameafdeling van de firma Maggi te Kempthal bij Zürich. In die periode onderield hij contacten met in die tijd bekende schrijvers, zoals John Henry Mackay (1864-1933) [2], en Carl Hauptmann (1858-1921) [3], alsmede met Karl Friedrich Henckell (1864-1929) [4].
In 1888 werd Frank Wedekind secretaris van Circus Herzog, maar al spoedig daarna ging hij verder als vrij werkend auteur in Zürich, Parijs, en vanaf 1890 vooral in de Beierse hoofdstad München. In 1896 werd hij medewerker van het befaamde satirische tijdschrift Simplicissumus. Zijn pennenvruchten aldaar zorgden ervoor dat hij in de jaren 1899 en 1900 enige tijd Festungshaft moest ondergaan vanwege belediging van de Majesteit. Dat was het gevolg van satirische kant van de dichter Wedekind met de talrijke aspecten van zijn persoonlijkheid. Maar juist dat element heeft gezorgd voor zijn eerste, redelijk ruim gespreide, roem in de periode rond de voorlaatste eeuwwisseling.

Dramaturg en acteur
Daarna kwam Wedekind in dienst van het Schauspielhaus te München en trad hij op als acteur in zijn eigen stukken. In de jaren 1901/02 fungeerde hij als regisseur, recitator en zanger in het cabaret Die elf Scharfrichter. In 1906 trad hij in het huwelijk met Mathilde Newes, die verder als Tilly Wedekind (1886-1970) [5] bekend zou blijven. In datzelfde jaar verhuisden de beiden naar Berlijn, waar manlief in het ensemble van het Deutsche Theater werd opgenomen. Toch vertrokken ze een tijd later weer naar München, waar Frank Wedekind zich meer toelegde op het schrijven. Samen zijn de beide echtelieden blijven optreden in zijn drama’s, tot in het jaar 1916. Juist toen hun optredens in alle opzichten vruchten begonnen te dragen, stierf Frank Wedekind in 1918 als gevolg van een operatie.

Amalgaam van stijlen
Wedekind verenigde in zijn manier van schrijven tal van elementen en richtingen en stijlen tot een zeer persoonlijk, nadrukkelijk getint geheel, waarin de geestige satiricus even goed profiel kreeg als de excentrieke dramaschrijver. Stilistisch bevond hij zich in dat opzicht ergens tussen het naturalisme en het expressionisme in. Een moralist bleef hij, evenals een tegen het burgerdom strijdende bohémien, hetgeen vooral beslag kreeg in zijn cynisme en niet te vergeten de fraai vormgegeven ironie. Dat hij daarin de pijnlijk-burgerlijke dubbele moraal aan de kaak stelde en daarmee bij die laag van de bevolking niet op groot enthousiasme kon rekenen, ligt voor de hand, mede doordat hij de maatschappelijke conflictstof zonder omwegen — en zeer letterlijk — voor het voetlicht wist te brengen, met veelal niet mis te verstane elementen van de burleske en de karikatuur, waarin de discrepantie tussen (een) gewillige geest en daartegenover het zo zwakke vlees, breed werd uitgemeten. Dat provocerende kreeg meer en meer nadruk door datgene wat de schrijver zelf aan symptomen van degeneratie waarnam in het maatschappelijk alledaagse tijdens het fin de siècle, waar de nazaten van het victorianisme steeds verder verstard raakten in hun vijandige houding jegens erotiek — en dientegengevolge jegens het Leven zelf — en die hij blijvend aan de kaak wenste te stellen door in zijn stukken een tegenwereld te creëren waarin de elementen van zinnelijkheid en levensvreugde door middel van schoonheid, vrijheid, lichamelijkheid en de avontuurlijke emancipatie van de vleselijke lusten.

Problemen met de overheid
Die voorwaarden voor een rijker en in alle opzichten positievere levensvorm meent Wedekind vooralsnog aan te treffen bij figuren in de maatschappelijke marge: bij vooruitstrevende kunstenaars en andere bohémiens, bij circusartiesten, maar tevens bij degenen die zich, op het scherp van de snede, dansend op de rand van de vulkaan bewegen: snolletjes en oplichters, maar tevens volleerde misdadigers. Dat gevoelen leidde tot de dikwijls zo nadrukkelijk zwart/wit uitgebeelde problematiek, zonder grijstinten, zonder compromissen: pijnlijke burgerlijheid en daar tegenover de anti-burgerlijk ingestelden. Dat, bij alle kwaliteiten van de stukken, ook in de praktijk eenzijdige wereldbeeld heeft er — hoe kon het ook anders — onder meer voor gezorgd dat Wedekind veelvuldig in strijd kwam met de overheden die censuur wilden uitoefenen vanwege vermeende immorele scènes in zijn drama’s.

Lees ook:  München - Die große Zeit um 1900

Terugkijken en vooruitzien
In het oeuvre van Frank Wedekind vinden we niet alleen de boven reeds genoemde stijlelementen, maar tevens afsplitsingen uit de periode van de Sturm und Drang, tot en met de dramatiek van Georg Büchner (1813-1837). Dat alles tezamen heeft ervoor gezorgd dat Wedekind een unieke positie als schrijver van drama’s, verhalen en tevens als lyricus heeft weten te behouden, die in zijn dagen reeds vooruitliep op een enkele van degenen die na hem zouden komen en de elementen met een ‘eeuwigheidswaarde’ in tal van opzichten zou vasthouden: Bertolt Brecht (1896-1956), die nog even hard streed — als lyricus en als dramaschrijver — voor de emancipatie van achtergestelden en voor een andere moraal. Veel van wat Wedekind in zijn chansons en andersoortige Bühnelieder voorstelde, komen we later weer tegen in de gedichten van degene die als grootste Duitstalige lyrisch dichter van de twintigste eeuw zou gaan gelden, ook als we op die tijd terugkijken: Brecht. Van tal van diens gedichten zijn zangstukken gemaakt, die decennia na Wedekinds overlijden hetzelfde doel nastreven en dat ‘op de planken’ nog nadrukkelijker doen dan als lyriek op papier.

Erdgeist

Greife wacker nach der Sünde;
Aus der Sünde wächst Genuß.
Ach, du gleichest einem Kinde,
Dem man alles zeigen muß.

Meide nicht die ird’schen Schätze;
Wo sie liegen, nimm sie mit.
Hat die Welt doch nur Gesetze,
Daß man sie mit Füßen tritt.

Glücklich, wer geschickt und heiter
Über frische Gräber hopst.
Tanzend auf der Galgenleiter
Hat sich keiner noch gemopst.

*     *     *     *     *     *     *     *     *

Lulu

Ich liebe nicht den Hundetrab
Alltäglichen Verkehres;
Ich liebe das wogende Auf und Ab
Des tosenden Weltenmeeres.

Ich liebe die Liebe, die ernste Kunst,
Urewige Wissenschaft ist,
Die liebe, die heilige Himmelsgunst,
Die irdische Riesenkraft ist.

Mein ganzes Innre erfülle der Mann
Mit Wucht und mit seelischer Größe,
Aufjauchzend vor Stolz enthüll’ ich ihm dann,
Aufjauchzend vor Glück meine Blöße.

__________

[1] In het officieel deze week verschenen boek van Richard Fasten, Das Lexikon des verbotenen Wissens, wordt een lemma gewijd aan de Büchse der Pandora; hetgeen geheel past bij de thematiek van de twee Lulu-drama’s van Frank Wedekind: over dat wat we niet mogen weten, omdat anderen niet willen dat we het weten, en over al hetgeen er kan gebeuren als je deuren opent die wellicht meer verborgen houden dan een mens kan verwachten. Anderzijds waarom het goed, wenselijk en hier en daar noodzakelijk is om — in ieder geval delen van— die verboden kennis te absorberen en het eigen bestaan ermee te verrijken.
Aangezien dat magnifieke boek meer thema’s bevat die ’terugslaan op’ het fin de siècle — alleen al de titel verwijst naar een ongeschreven werk van Friedrich Nietzsche — komen we er dezer dagen nog wel even op terug. (Knaur Taschenbuch 78231, juli 2009; ISBN 978-3-426-78231-6.)

[2] Zoals de naam reeds doet vermoeden, stamt John Henry Mackay uit Schotland, waar hij in februari 1864 te Greenock werd geboren. Als tweejarige kwam hij naar Duitsland. In zijn leven als volwassene was hij eerst boekhandelaar, en pas daarna ging hij literatuur en kunstgeschiedenis studeren. Hij reisde veel en vestigde zich steeds voor korte tijd op diverse plekken in Europese landen. Hij was een linkse intellectueel met een socialistisch-naturalistisch wereldbeeld. Hij schreef boeiende verhalen, lyriek en biografieën. Op grond van de door Bismarck uitgevaardigde Sozialistengesetze werden zijn boeken in het toenmalige Duitsland verboden. (Als het ons ook maar even lukt, komen we op dit net separaat op deze interessante en veelzijdige figuur terug.)

[3] Carl Hautpmann was de ruim vier jaar oudere broer van de vermaarde dramaschrijver en Literatuur-Nobelprijswinnaar (1912) Gerhart Hauptmann (1862-1946). Carl Hauptmann werd geboren in de plaats Schreiberhau in het Riesengebirge — in zijn context, achteraf te kwalificeren als nomen est omen.

[4] Voor de meeste liefhebbers van Duitse literatuur in onze dagen is de naam van Karl Friedrich Henckell het minst bekend gebleven. Hij werd, net als Frank Wedekind, in Hannover geboren, bracht ook geruime tijd door in Zürich en andere Europese steden, maar vestigde zich vanaf 1895 opnieuw in die Zwitserse stad als uitgever/boekhandelaar. Ook hij was een sociale revolutionair en voorvechter van het naturalisme. (Ook hij komt, als de omstandigheden in heel ruime en zeer beperkte zin het toelaten, nog wel eens wat nader aan bod in deze breed uitgemeten kolom.)

[5] In 1969 is haar boek Lulu — die Rolle meines Lebens bij Scherz verschenen.

____________
Afbeeldingen

1. Voorzijde van de paperbackeditie in de reeks Goldmann Klassiker met de twee Lulu-drama’s Erdgeist en Die Büchse der Pandora. Voorop zien we een scènefoto uit 1909  waarop zijn afgebeeld de beide echtelieden Wedekind: Tilly als Lulu en Frank Wedekind als Jack the Ripper.
2. De auteur Frank Wedekind. (Foto genomen omstreeks 1917.)
3. Karikatuur van de schrijver Frank Wedekind.
4. Voorzijde van de paperbackeditie in de reeks Goldmann Klassiker mit Erläuterungen van Frank Wedekind: Gedichte und Chansons, verschenen in oktober 1979.|
5. Voorzijde van Das Lexikon des Verbotenen Wissens, officieel verschenen in juli 2009.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.