// artikel

Buitenlandse literatuur

Scandinavische winter — Een epiloog en een proloog

‘Zeg mijnheer, hoe is het eigenlijk afgelopen met die ‘Scandinavische zomer‘ van u?’, vroeg de caissière van de ALDI in Amsterdam-Noord mij onlangs, toen ik de wekelijkse voordeelboodschappen deed. ‘Welnu, het leven is kort en de zomer al helemaal was daarop mijn antwoord. De boekenstapels daarentegen zijn erg hoog en daar is bijna niet tegenop te lezen.

Maar we zijn hier niet voor niks aangenomen, dus niet z**ken maar lezen. We zouden u, brave, leergierige, literaire lezers, immers van bij voorkeur obscuur en decadent leesadvies dienen op basis van mijn eigenste  Scandinavische leeservarinkjes. Bij dezen een tussenstand, en dan wel het antwoord op de vragen: wat lazen we niet, waar kwamen we niet doorheen of wat konden we niet vinden?

Na het meesterwerkje Boken om lille-bror van Gustaf af Geijerstam begon ik direct in diens Alleen (Becht, 1904). Van welke Geijerstam dit een vertaling is, daar ben ik niet achtergekomen, ondanks dat ik de laatste maanden meer steenkolen-Zweeds beheers dan ooit tevoren. In ieder geval strandde ik al snel in deze korte roman over een schoenmakersdochter. Het kon me niet boeien, dit vrij crue naturalisme. Als u echter een rond 1900 verschenen uitgave van deze roman tegenkomt, zou ik deze direct kopen en daar zeker eens in beginnen; mijn mening is immers ook maar een mening. Misschien was direct na het meesterwerkje wat anders van dezelfde schrijver lezen ook niet zo’n goed idee. Wat ik van Geijerstam nog immer zeer graag wil lezen is Medusas hufvud (1895),  een roman uit zijn decadente fase (wie heeft die niet gehad?), die in 1903 bij Slothouwer te Amersfoort verscheen als Medusa’s hoofd: een spookverschijning uit het leven. Klinkt goed! Hoewel Geijerstams Nederlandse vertalingen redelijk goed te vinden zijn, is deze decadente titel, weinig verbazingwekkend, zelfs voor uw toch redelijk boeksneupvaardige correspondent helaas niet te vinden. Mocht u nog het beduimelde exemplaar van oma hebben liggen, dan hoor ik dat graag. Bij voorbaat dank.

Wat betreft de Scandinavische decadenten (Herman Bang uitgezonderd): deze zitten ongeveer in een vergelijkbare hooiberg als de Nederlandse. Kleine, moeilijk te vinden speldjes dus. Of preciezer: vertalingen van deze literaire excentrieken uit het verder zo gezonde Noorden. Zo schreef  Ola Hansson de morbide schetsen Sensitiva Amorosa (1887) en het Nietzschiaanse Ung Ofegs visor (1892). Vooral de eerste titel maakt mij razend nieuwsgierig, maar vertalingen in het Nederlands heb ik niet kunnen vinden. Hansson schreef echter ook in het Duits, dus voor zijn Fatalistische geschichten uit 1890 houden wij nog even de ogen open. Zijn bij de welbekende decadente uitgever John Lane verschenen Young Ofeg’s Ditties is alvast, wanneer men eens 50 euro over heeft, met een druk op de knop binnen te halen.

Of we echter Hanssons vakbroeder Emil Kléen ooit kunnen lezen is daarentegen nog maar zeer de vraag; over deze door Huysmans, Baudelaire, Swinburne & co. beïnvloede Zweedse dichter is weinig Engelstalige info te vinden, laat staan gedrukte Nederlandse vertalingen. Maar als ik met m’n bibliografische neus kijk, dan hoor ik het graag.

Van Verner von Heidenstam had ik tot deze zomer nog nooit gehoord. Zo zie je maar weer dat het belang van de Nobelprijs voor de Literatuur overschat is (als mijn bescheiden literair-historische kennis enigszins representatief is natuurlijk). Zijn roman, of beter gezegd verzameling schetsen, Karolinerna uit 1898, over een excentrieke Zweedse koning, blijkt echter in 1936 in Nederlandse vertaling bij Die Poorte te zijn verschenen. En hoewel ik vanwege zomers tijdgebrek er niet helemaal doorheen kwam, is het wel een aanrader als u van Couperus, Van Schendel en fin-de-siècle-literatuur houdt.  Karolinerna sluit vanwege zijn onderwerp, zijn fragmentarische karakter, zijn voorkeur voor het kunstmatige en bovennatuurlijke, de obsessie met de schoonheid van de ondergang en zo verder, nauw aan bij de décadence litteraire.

Tot zover die malle decadenten. Volstrekt niet decadent is natuurlijk Selma Lagerlöf , wier bestsellers Gosta Berling en Jerusalem ook in mooie, rond 1900 verschenen uitgaven sinds jaar en dag in elke partij tweedehands boeken te vinden zijn. Ik nam mij voor om vanwege de Scandinavische zomer deze romans, zoals zovelen voor mij, te lezen. U weet, onder ooit populaire bestsellers bevinden zich soms de prachtigste werken. Zie bijvoobeeld Marie Corelli. Maar helaas, ik liet mij afschrikken door langdradige eerste zinnen en 500+ pagina’s van Lagerlöfs romans. Heb ik iets gemist?

Ook van Jonas Lie en Björnstjerne Björson las ik nog geen letter. Ze zijn echter ruim vertaald in het Nederlands en liggen dan ook nog te geduldig te wachten: een erg spannende indruk maken ze niet op me, maar Kobolden. Fantastische vertellingen  van Jonas Lie (in 1895 bij Van Kampen verschenen) maakt toch wel nieuwsgierig, alleen al vanwege de ondertitel. ‘Fantastische vertellingen’ zijn immers, ook in vertaling, een interessante zeldzaamheid in de Nederlandse letteren, zeker voor 1900.

Al snel gestopt met lezen ben ik in Inga Heine van J. Blicher-Clausen. U. h. Deensch (Utrecht, 1903) of Grootmoeder Ursula van I.M. Sick (Utrecht, 1910):  niks aan. Alleen kopen vanwege de mooie boekbanden. Een beetje een tegenvaller die ik ook voortijdig heb weggelegd, was het hooggewaardeerde (Mann, Lawrence, Freud enzovoort, zouden allemaal aan hem schatplichtig zijn) Niels Lyhne van J.P. Jacobsen. Het verscheen in 1880; de eerste Nederlandse vertaling was er in 1916, van niemand minder dan Henri van Booven. Maar met alle respect voor Henri en zijn inspanningen; het leest gewoon niet lekker, de taal is te houterig. Ook de plot pakte me niet direct, maar ik wil en zal, alleen al voor het Van Booven- en De Nerée-onderzoek natuurlijk, zeker nog een poging wagen. Nu heb ik mij laten vertellen dat er elk moment een nieuwe vertaling kan verschijnen, dus we zijn benieuwd. Bibliografische details kan ik niet vinden, maar de dames en heren van Schwob (die gek genoeg geloof ik  nog nooit iets van Schwob hebben uitgegeven!) weten vast meer.

Goed, genoeg te lezen dus deze winter. En dan heb ik het nog niet eens over Strindberg en de rest van de oeuvres van Hamsun en Garborg gehad. Laat de Scandinavische winter maar komen. Skål!

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

4 reacties op “Scandinavische winter — Een epiloog en een proloog”

  1. Ik mis in uw bericht heel erg mijn favoriete Zweedse auteur van rond 1900 Hjalmar Söderberg (1869-1941). Dat zal wel komen doordat er pas in later jaren werk van hem in het Nederlands is vertaald. Meesterwerken zijn de romans ‘Dokter Glas’, ‘Het ernstige spel’ (door mij vertaald en uitg. bij de Wereldbibliotheek in 2004 en 2003), ‘De jeugd van Martin Birck’ (vert. Rolandt Tweehuysen, Meulenhoff 1986), en het toneelstuk ‘Gertrud’ (vertaald door Karst Woudstra in 1986). Helaas geen jugendstil of art deco boekbandjes, maar ik raad u sterk aan om ze te lezen. Komend jaar wil ik een bibliofiel uitgaafje maken van enkele van Söderbergs kortkorte verhalen (in mijn vertaling).
    Zie ook http://www.noordseliteratuur.nl/auteur/soderberg

    Door Bertie van der Meij | 16 december 2013, 13:16
  2. Ha, dank voor de aanvulling! De mogelijke reden noemt u al: ik ken bij nader inzien de naam wel, de uitgaven wel gezien, maar had hem in mijn hoofd niet rond 1900 gesitueerd. Maar hoort inderdaad op de lijst: hij gaat bij deze op de te lezen stapel! Succes met uw uitgave en houd ons op de hoogte!

    Door sander | 16 december 2013, 13:19
  3. De jonge W.F. Hermans dweepte met Jacobsen en diens Niels Lyhne. “ik herinnerde mij niet een boek gelezen te hebben, dat mij zo aangreep” (uit een brief van 1941). Hermans vertaalde een verhaal van hem, Zwei Welten, dat door het tijdschrift Astra kort na 31 juli 1942 werd aangenomen. Afleveringen van dat tijdschrift uit die tijd zijn in geen enkele bibliotheek te vinden. Wie heeft het betreffende nummer in huis? Die dient dat nummer aan mij, Hermans-bibliograaf, af te staan.

    Door Rob Delvigne | 16 december 2013, 16:43
  4. Helaas helaas. Ik ken dat blad wel, Edith Werkendam http://nl.wikipedia.org/wiki/Edith_Werkendam publiceerde er in en voor mijn onderzoek naar haar in UBA ingezien. Wist niet dat het in ’42 nog bestond. In bibliotheken vind je wel meer niet, ik zie heel soms nog wel eens liggen op markten en afvalcontainers maar nooit meegenomen. Als ik dit van WFH wist wellicht wel, ik houd de ogen open, maar je weet hoe t gaatm kom nu natuurlijk spontaan nooit meer tegen en dat ene nummer moet er maar net tussen zitten (waren doorgaans losse nummers die ik zag)

    Door Sander Bink | 17 december 2013, 22:00

Reageer

Foto van de dag