// artikel

Algemeen

Exclusief!: van en over een interview met Neerlands grootste rond1900-verzamelaar.

Eerder deze maand werd op de veilingsite Catawiki het eerste deel van
‘een unieke privécollectie’ met boeken rond 1900 afgehamerd. De online ‘kijkdagen’ van het tweede en laatste deel zijn nu geopend en het geheel wordt aanstaande zondag afgehamerd. Het is een waanzinnige collectie met vrijwel enkel zeldzaamheden die ook nog eens inhoud hebben, want ze vormen een gans alternatieve literatuurgeschiedenis van de (Nederlandse) literatuur van rond 1900 waarin er meer is dan Couperus, de vrouwen en homoseksuelen gewoon zijn gerepresenteerd, er interessante wisselwerkingen tussen de letteren en de beeldende kunsten blijken te zijn en allerlei moderns als ‘fantastische literatuur’, symbolisme en decadentisme gewoon, in tegenstelling tot wat de laatste honderd jaar in het nu ingestorte literatuuronderwijs onderwezen werd, waargenomen kan worden. De collectie heeft aldus een grote parallel met de onderwerpen en invalshoeken die de laatste vijftien jaar op deze website geduldig aan de even onwetende als schaarse lezers werd onderwezen.
Ondanks toezeggingen in die richting waren de mainstream media zoals Tzum, De Volkskrant of het Reformatorisch Dagblad, veel te druk met het in stand houden van linkse grachtengordel-hobbies zoals Roetveegpiet, modern feminisme en nepnieuws betreffende de nieuwste streekroman van Tommy Wieringa, de prikkels in het hoofd van Erik Jan Harmens en de kinderboeken van Hanna Blootsvoets om hier aandacht aan te besteden.
Maar niet getreurd want wij van rond1900 hebben dankzij vlijtige speurzin een onzer redacteuren de mysterieuze anonieme verkoper van al dit moois weten te traceren en te overtuigen iets te vertellen over het hoe en wat van deze collectie. Het is tevens ook een stukje moderne antiquariaats/boek-geschiedenis.

Vertel eens wat over uzelf, wie bent u bijvoorbeeld?
Mijn naam is Peter van Uffelen, 72 jaar oud en ik woon in Hattemerbroek, een klein rustig plaatsje nabij Zwolle. Sinds 1966 ben ik getrouwd met José (meisjesnaam: Bennerbroek), de liefde van mijn leven. Zij is dertien jaar jonger dan ik en werkt dan ook nog twee dagen per week bij de Kruidvat. Zelf heb ik altijd gewerkt als Consumer Eniginering bij een groot verzekeringsbedrijf. We hebben een dochter maar die houd ik liever naamloos vanwege gedonder in de familie (zij is  in 1983 na een grote ruzie naar Australië geëmigreerd met een twintig jaar oudere Argentijnse loverboy [/man], red.) Op woensdagavond squash ik altijd, als mijn kater en rug het toestaat. Squash was een in de jaren tachtig en negentig behoorlijk populaire sport maar heeft tegenwoordig weinig aantrekkelijks meer voor jonge mensen, denk ik wel eens op mijn meer cynische momenten.

Hoe bent u begonnen met het verzamelen van zulke bijzondere rond1900-romans. Het betreft voornamelijk proza immers?
Ja, klopt. Poëzie heb ik nooit begrepen, ik denk dat ik daar gewoon altijd te lomp voor was. (Volgens zijn psychiater heeft Peter een geretardeerde persoonlijkheidstoornis, red.) Althans, voor het slapen gaan lees ik graag wat regels Borges, Shakespeare of Dante, maar dat is toch wat anders. Om nou voor je lol het geraaskal van, om bij ‘mijn’ periode, te blijven, van Willem Kloos, Perk of Dermouw te gaan lezen? Dank je de koekoek.
Hoewel ik amper onderwijs, laat staan Nederlandse literatuur-onderwijs, heb genoten kwam ik via het boek Romantic Agony op de negentiende-eeuwse literatuur. Aangezien ik toen een tegendraadse skatepunk was sprak me dat tegendraadse van het ‘decadentisme’ en ‘zwarte romantiek’ aan. Hoewel ik nu begrijp dat dat totale kolder is, er is niks tegendraads aan want een meer reactionaire, antisemitische vrouwonvriendelijke literaire stroming is er niet te vinden. Eveneens begreep ik later dat tegelijkertijd de stroming een enorme kitsch-appeal had voor homofielen (zoals dat in mijn tijd heette) en genderstudie-figuren, dingen die mij maar matig interesseren. Wat dat kitscherige betreft is het niet voor niets dat Susan Sontag de art nouveau, een soort beeldende pendant van de literatuur van rond 1900, ziet als de ultieme camp. Sowieso geldt voor veel van deze literatuur en kunst wat zij schrijft in haar bekende Notes on ‘camp’: ‘The hallmark of Camp is the spirit of extravagace.’ Merk ook op dat een groot deel van de  campdingen die zij opsomt van rond 1900 stammen: Zuleika Dobson, Tiffany lamps, Aubrey Beardsley drawings, Visconti’s direction of Salome, turn of the century postcards, the novels of Ronald Firbank, the androgyne (‘certainly one of the great images of camp sensibility’), pre-raphaelite painting and poetry, the thin, flowing, sexless bodies in art nouveau prints and posters, Walter Pater, Ruskin, Burne Jones.
Dat geeft natuurlijk niet, want júist dat extravagante en over the top spreekt je aan als je jong bent. Wat later wou ik gewoon mooie goede romans lezen en die zijn er in de negentiende eeuw, los van welke bovenstaande interpretatie dan ook, genoeg geschreven.
Couperus kende ik aanvankelijk niet maar na het lezen van vooral Franse en Engelse literatuur besloot ik hem te lezen en hij sloot vrij naadloos bij de lectuur aan. Wel vroeg ik mij direct af of er niet meer was dan Couperus, Van Eeden, Van Deyssel en Emants. De Tachtigers hebben mij eigenlijk nooit geïnteresseerd vanwege hun hoge volstrekt onleesbaarheidsfactor. Literair-historisch zijn zij ook niet interessant want ze liepen direct al vijfhonderd culturele meters achter de rest van Europa aan en, voor mij belangrijker, op Een liefde en Van de koele meren des doods na, hebben ze geen enkele roman geschreven die de tand des tijds doorstaan heeft of anderszins leesgenoegen geeft.
Gelukkig stuitte ik op een gegeven moment op een tweedehands exemplaar van Nederlandse literatuur in het fin de siècle van Jacqueline Bel en daaruit bleek dat er vanaf 1885 wél Nederlandse romans werden geschreven die mogelijk even boeiend waren als die door Praz genoemd werden. Ik zeg ‘mogelijk’ want geen van de boeken kende ik of kon ik 1-2-3 gaan kopen bij het antiquariaat om de hoek. Het noodlot, of het geluk, wil dat ik in deze tijd dakloos was en vooral in de winter veel in Universiteitsbibliotheken vertoefde om op te warmen en naar de wc te gaan. Daar hadden ze natuurlijk veel, maar lang niet alle!, van de door Bel genoemde romans. Punt was echter dat deze instituten boeken van voor 1900 niet uitleenden en daardoor, onbedoeld, ambitieuze briljante onderzoekers als ik de pas bij voorbaat afsneden. Ik weet niet hoe het met u zit, maar ík kan niet in de studiezaal van een bibliotheek een 400 pagina’s tellende roman aandachtig lezen en interpreteren. Ik moet dat thuis rustig doen omdat je dat moet laten bezinken, opnieuw ter hand moet kunnen nemen en niet bladerlezen om te duiden en te interpreteren. Precies ditzelfde geldt feitelijk voor van het scherm lezen. Kan ik niet, is zinloos want het blijft niet hangen en gezien het aantal kopers van het eerste deel van de veiling sta ik daar gelukkig niet alleen in.

Waar haalde u uw boeken vandaan, het internet?
Dat bestond toen nog vrijwel niet. Wel herinner ik mij dat het opkwam en dat iedereen massaal online antiquarische boeken ging kopen waardoor tegelijkertijd in no time de lol eraf was en antiquariaten massaal ten onder gingen want heleboel dingen bleken totaal niet meer zeldzaam te zijn en gewoon te koop aan de andere kant van de wereld. Persoonlijk vond ik dat eigenlijk wel mooi om te zien, omdat ik als jonge antiquariaatsbezoeker altijd enorm afgestoten werd door de arrogante ‘wij hebben de boeken en dus nuffige kennis in huis en wie ben jij’-houding van veel ouderwetse antiquaren.
Wel kocht ik mijn eerste gekke zeldzaamheden bij antiquariaten: Van gene zijde van Frits Lapidoth bij de Friedesche Molen en De dromers van Maurits Wagenvoort bij Schuhmacher. Die eerste voor honderd gulden en die tweede voor honderdvijftig. Dat waren toen waanzinnige bedragen! Aangezien ik zoals gezegd vrijwel geen scholing heb, heb ik ook vrijwel nooit budget gehad om dure boeken te kopen. Daarnaast gaat het je geen hol aan waar ik alles koop en kocht en voor hoeveel: dat ga ik toch niet onthullen?

Dus het internet was het niet voor u?
Deels wel zeker natuurlijk maar het punt was dat, dat vergat ik nog te zeggen, in Nederland sinds jaar en dag vanwege voorgenoemde extravagantie gewoon betrekkelijk weinig tot nul interesse was voor wat ik zocht, symbolisme, mystiek, kunstenaarsromans, decadentisme, homoseksualiteit ed., dus de meeste handelaars hadden ook geen idee. Ik bedoel: die zetten zo’n boek dan niet op het internet. Exemplarisch is dat toen ik, via een herintegratieproject van het UWV, bij het toen nog gerenommeerde veilinghuis Beijers kwam te werken aan Lucienne (Habets, red.) vroeg ‘of ze wel eens iets van Frits Lapidoth hadden gehad?’ ze antwoordde dat ze dat ‘altijd in de prullenbak gooiden.’ Ik dacht natuurlijk aan zijn roman over het satanisme Goëtia (1893) waar ik twintig jaar naar heb moeten zoeken om een eigen exemplaar te vinden.

U zocht dus, noodgedwongen, buiten de gebaande canonieke paden. Had u geen ‘leermeesters’, voorgangers of anderen die u inspireerden?
Jazeker wel. In de eerste plaats Paul Snijders van antiquariaat Fokas Holthuis. Ik herinner mij een advertentie van Fokas in De Parelduiker waarin de namen ‘Maurits Wagenvoort’ en ‘Jean Lorrain’ werden genoemd, schrijvers wiens zeldzame werk ik natuurlijk naarstig zocht. Ik was erg eenzaam en ongelukkig toen maar dit was een lichtpuntje in dat droevig bestaan en het begin van een uitvoerig contact met, en kopen van, veel geks en mooi. Superaardige gast, die Paul, net als Fokas himself en Nick ter Wal die er toen nog werkte.
Met Marcel van den Boogert, oprichter van die Parelduiker, heb ik altijd zeer veel van gedachten gewisseld over mijn onderzoek en verzameling. Hoewel ook een beetje een rare excentriekeling, hij heeft, lijkt me exemplarisch, een enorme collectie Franse symbolisten en decadenten,  is het in de kern wel een goede gast.

Er waren voor de goede orde ook uitzonderingen op de nare antiquaren-regel. Bij Schuhmacher waar ik werkte raakte ik wat ik toch wel bevriend zou willen noemen met de legendarische Louis Putman die, dat weet geloof ik niemand, een grote interesse had in symbolisme en decadentisme. Punt was wel dat hij dus precies hetzelfde mooi vond als ik dus het vrijwel onmogelijk iets van hem los te krijgen als hij iets had wat ik wou. Ik herinner mij bijvoorbeeld dat hij een gesigneerd exemplaar had van Zwarte vlinders van Kitty Snijder van Wissenkerke uit 1895. Dat wordt doorgaans verzameld voor de band van Jan Toorop maar ik wou deze door Maeterlinck beïnvloedde neomystieke schetsen gewoon lezen maar aan mij verkopen, ho maar! Daarna heb ik het nooit meer gezien, ook niet in zijn nalatenschap die via Boek en Glas en Jos van het Waterlooplein verspreid werd (en deels alsnog bij mij kwam).
Ook had hij een exemplaar van Astrale liefde (1916) van Johan Hora Adema met een opdracht  aan Kloos. Nu kan Kloos mij dus gestolen worden maar zoals iedereen weet is Astrale liefde de tweede, omgewerkte, druk van de occulte roman  Thea uit 1893 waarin de titelheldin haar ‘astrale lichaam’ naar haar geliefde stuurt. Dat wou ik natuurlijk lezen! Voor de gekkigheid maar ook in verband met mijn lopende onderzoek naar zogenaamd niet in de het Nederlandse culturele discours aanwezige substromingen als symbolisme en decadentisme. Het occultisme, en satanisme, is daar een uiting, een onderdeel,  van, even kort door de bocht gezegd. Dit boek dook echter pas weer op in Nick ter Wals eigen nieuwe boekentoko.
Een geestigheid terzijde is dat Louis en ik bij partijen die bij Schuhmacher binnen komen nadat Max en Wilma uiteraard eerste keus hadden gehad en de dure dingen en gedrukte boeken eruit hadden gehaald tussen de rommelige rest nog vaak gekke marginala haalden dat anders wegging. Zo vond ik nog wel Toorops geëtste frontispiece van de schrijfster van Zwarte vlinders dat ik natuurlijk direct aan de muur hing. Achteraf gezien was dat het begin van mijn bescheiden verzameling modernistische grafiek en tekeningen van rond 1900.

En andere contacten met antiquaren had u niet?
Jawel. Met de helaas onlangs overleden Hein van Stekelenburg van De Friedesche Molen heb ik vele gesprekken gehad over ‘verdwenen’ 19e-eeuwse schrijvers en schrijfsters. Kopen deed ik meestal niet bij hem, in de eerste plaats omdat hij véél te duur was en ook niet zoveel had maar er dus wel in geïnteresseerd was.
Datzelfde geldt voor Max Schuhmacher bij wie het zoals bekend nog veel duurder en zelfs onmogelijk was iets te kopen maar wel enorm veel opgestoken van gesprekken met hem en het rondneuzen in de kelder. Daar staan overigens nog steeds superzeldzame 1900romans die echter waarschijnlijk nooit meer die kelder uit gaan komen. Zelfs als werknemer kocht ik daar gek genoeg eigenlijk nooit iets en de Schuhmachers waren er zoals bekend ook niet de mensen naar om iets weg te geven. Hoewel ik wel, dat moet ter hunner faveure wel genoemd worden, voor mijn verjaardag eens van hen een briefje van Henri Borel aan zijn uitgever en twee ansichtkaarten van D’Annunzio aan J.K. Rensburg heb gekregen.
Bij Peter en Conchita van Boek en Glas kocht ik wel best veel, die hadden normale prijzen en zijn onwijs aardig en persoonlijk ook geïnteresseerd in de literaire materie.

U had geen contacten met andere verzamelaars?
In de eerste plaats zie ik mij eigenlijk niet als verzamelaar want was en ben een lezer en, ahum, ‘onderzoeker’ en ik heb nooit systematisch verzameld om het verzamelen. Dat is ook waarom de boeken nu weg kunnen en mogen: ze liggen waarschijnlijk veiliger in de K.B. en bij serieuzer verzamelaars dan hier waar mijn hangbuikzwijntje Bob nog wel eens zijn behoefte wil doen nabij of in het slechtste geval in de boekenkast.
Mijn gebied overlapt wel deels met verzamelaars van Nieuwe Kunst-boeken en – grafiek maar die kopen een boek om naar te kijken en de rug te strelen en niet om in de eerste plaats te lezen. Veel boeken die ik kocht zagen er ook helemaal niet uit, betreft soms zelfs exbibliotheek-exemplaren, een gruwel voor de bibliofiel!, maar hoewel een mooie band of goede conditie natuurlijk mooi is ging het mij om de inhoud.
Dat geldt ook voor de verzamelaars van het werk van Louis Couperus die het voornamelijk om bandvarianten ging en gaat. Dat is reuze leuk, maar dat heeft er mijns inziens wel voor gezorgd dat Couperus’ werk, net als dat van Reve, Hermans en Mulisch, antiquarisch vrijwel niks meer waard is want als je een auteur niet leest sterft hij postuum als snel nog een keer.

En de ‘literaire wereld’, is daar een verband mee?
Nee. Zoals ieder antiquarisch weldenkend mens weet hebben die literaire figuren nul gevoel voor mooie of zeldzame boeken, hoewel ze dat zelf echter wel denken maar steevast het begrip ‘bibliofilie’ verwarren met het kopen en lezen van dure moderne romannetjes. Als dezen, al dan niet in de ‘Boekenbijlage’ het woord ‘boeken’ schrijven bedoelen zij dat ook terwijl iedereen weet dat er ook boeken zijn die geen romans zijn en bijvoorbeeld over schildpadden gaan. Perkamentus van het gelijknamige weblog heeft hier  mooi over geschreven.
Ik had wel altijd wat contact met mensen als Gerrit Komrij, Menno Wigman, Frédèric Bastet en Harry Prick die goed thuis waren in de negentiende eeuw. Tegenwoordig correspondeer ik enkel wel eens met Jan Siebelink en Geerten Meijsing vanwege hun interesse in J.K.-Huysmans en de negentiende eeuw. En hoewel het aardige jongens zijn, zijn het bij mijn weten niet van die maniakaal-obsessieve verzamelaars als Komrij was. Sowieso een uitstervend genre hoewel ik met dat soort doemdenken voorzichtig ben. Gezien de goede opbrengensten van het eerste deel en het feit dat een en ander gekocht werd door mij onbekende, (jonge?), lezers is er zeker hoop. Kijk ook naar iemand als Simon Mulder van Het Feest der Poëzie: die zou zo in de voetsporen van uw Sander Bink kunnen treden, die, als ik zijn stukken goed lees, als over een of twee jaar zijn grote De Nerée-biografie af is waar zijn langdurige onderzoek in culmineert, volgens mij heel wat anders gaat doen. Hopelijk lukt het hem wel om een grote tentoonstelling over De Nerée te organiseren hoewel hij mij pas schreef dat het ene Nederlandse museum nog onwilliger is dan het andere. Waarschijnlijk weten zij niet dat werk van Carel de Nerée, en Rene Gockinga, in maart op de grote Aubrey Beardsley-tentoonstelling in Londen te zien zal zijn, waardoor de internationale interesse weer hopelijk wat aangezwengeld wordt.

Er is,terug naar het verzamelen van malle 19e-eeuwse literatuur, dus hoop?
Wat mij betreft wel. Zo herinner ik me dat ik bij Beijers werkte en de kans kreeg Nederlandse literaire boeken in de veiling te brengen die normaal dus nooit onder de hamer kwamen.  Eduard Thorn Prikker, Bram van Dam, ‘E.S’,  en nog zo wat brachten onwijs goede bedragen op en sterkten mij in mijn idee dat, hoewel Nederlandse literatuur antiquarisch vrijwel dood is, je gewoon gekke en unieke dingen moet hebben.

Ontbreken er boeken in de catawiki-veiling die het nog completer hadden gemaakt?
Ik denk dat compleetheid in dit geval niet haalbaar is maar ik had graag nog eigen exemplaren willen hebben van boeken die ik in al die jaren nooit heb kunnen vinden zoals: Henri Louis Rigail Certon Aan den vijver der sphinx (1900), Aristides de Jonge Moderne adel (1885), Josephine Giese Gevloekt (1890) en Sphinx (1890), Frits Lapidoth Moderne problemen (1890), het bovengenoemde Thea, Reynvaen Zuster Clara (1891), J. Hora Adema Wormstekigen (1897) of Esjee Levenswijding (1897).
Gezochte cultboeken als Wagenvoorts Het koffiehuis met de rode buisjes of Hofstad van Johan Broedelet bezat ik.

Heeft u persoonlijke favorieten bij deze veiling?
In de eerste plaats de Duitse vertaling van het waanzinnige Goëtia natuurlijk. In Nederland is daar zoals gezegd weinig tot geen animo maar ik krijg as we speak vanuit het buitenland, bijvoorbeeld net nog van Tobias Churton, auteur van het meesterlijke Occult Paris, mooie reacties. Of men ook koopt is twee maar zoals iedere verzamelaar weet is dat secundair, het gaat erom dat het goed beschreven is en goed terecht komt.
Een groot zwak heb ik voor de boeken van Hubert Crackanthorpe en George Egerton. Onwijs zeldzaam maar eerst en vooral prachtschrijvers en die laatste vooral ook interessant vanwege haar feministisch belang. Een stichting als Schwob die altijd heel dom loopt te jengelen over ‘vergeten klassiekers’ en dan doodleuk bijvoorbeeld Faulkner noemt (exemplarisch voor het totale Nederlandse gebrek aan kennis van literatuurgeschiedenis over de grenzen) zou zoiets eens moeten heruitgeven maar het moet allemaal braaf binnen de lijntjes blijven.
Over feminisme gesproken: hoewel ik door het verzamelen aan inhoudelijk werk amper toekom heb ik een hele bloemlezing samen gesteld van verhalen van ‘vergeten vrouwen rond 1900’. En hoewel men de mond vol heeft van literair-historische rectificatie van vermeend beschimpte vrouwen heb ik nog geen uitgever kunnen vinden die haar genagellakte vingertjes er aan durft te branden.
Dat brengt me meteen bij een van de allerzeldzaamste items dat ook geschreven is door een volstrekt vergeten vrouw: Olga Wadima van ‘Tragtick’ uit 1903. Van alle boeken, op zijn minst hun schrijvers, had ik voor dat ik ze kocht en ze zocht op zijn minst gehoord maar in 45 jaar sneupen had ik hier nog nooit van gehoord of het gezien tot vorig jaar totdat ik er, bizar toeval, vrijwel gelijktijdig met Niels Bokhove een exemplaar van vond die er het genoemde artikel over schreef.

Zijn er tenslotte ook boeken die u niet verkoopt?
Natuurlijk.  Het eerste principe van ‘Hans Steengracht’  uit 1903 bijvoorbeeld. Dat is een sleutelroman over (de kringen rond) Carel de Nerée en kent niemand en is volstrekt onvindbaar. Er is nooit over geschreven, ik ken alleen heel korte vermeldingen in aantekeningen van Albert Plasschaert en Henri van Booven. De grote Nieuwe Kunst-verzamelaar en De Nerée expert Dick Veeze, met wie ik goed bevriend ben, had ook nog nooit een exemplaar gezien.
Ik zoek trouwens nog, the misery never stops, nog het ingenaaide exemplaar van dit boek dat een toepasselijk geïllustreerd zwarwit omslag zou hebben. Mocht een van uw lezers dit hebben hoor ik dit graag.

FacebooktwitterFacebooktwitter

Reacties

3 reacties op “Exclusief!: van en over een interview met Neerlands grootste rond1900-verzamelaar.”

  1. Maar Sander, wat is dit nu toch:

    “Tzum, De Volkskrant of het Reformatorisch Dagblad, veel te druk met het in stand houden van linkse grachtengordel-hobbies”

    Wat heeft De Volkskrant in vredesnaam te maken met het R-dagblad? Of ben je een volgeling van de christen Kees van der S.?

    Pas daar een beetje mee op.

    Hartelijks, Nico Weber

    Door nico | 27 november 2019, 14:54
  2. Was er niet een soort cartoon waar Couperus de naam Poepjes of iets dergelijks kreeg? Uffelen > van Puffelen > Poepjes. Deze van Uffelen toont een opvallende gelijkenis met jou. Wellicht is het toeval, voor zover er in de schepping sprake is van toeval.
    Goeds, Nico

    Door nico weber | 27 november 2019, 15:50
  3. eQtVYmFRArxq

    Door tACYEkuwG | 3 december 2019, 14:43

Reageer

Foto van de dag