// artikel

Buitenlandse literatuur

Couperus’ Een lent van vaerzen (1884) en Orchideeën (1886)

Eens in de zoveel tijd (ongeveer eens per jaar) neem ik mij voor Couperus’ oeuvre integraal chronologisch te herlezen. Aangezien ik recentelijk voor spotprijzen vele delen van zijn Volledig Werk heb gescoord (en aan het scoren ben), zet ik mij ook nu weer eens aan deze taak, waarvan ik deze maal alhier verslag zal trachten te doen. In mijn geval zal dat, eerder dan op een persoonlijk leesverslag, neerkomen op een kleine bescheiden literair-historische contextualisering, vrees ik.

We beginnen aldus bij het begin en dat zijn bovengenoemde bundeltjes. Welnu, veel leesplezier valt hier (ik sta hier niet alleen in) niet te halen. Het zijn simpel gezegd wat oubollige, erg suf-negentiende-eeuwse versjes waar een enkele door zijn kitscherigheid uitspringt en aldus wel enigszins Couperiaans-humoristisch is, zoals het openingsgedicht van Een lent van vaerzen:

In dons van wolkjens glijdt ginds
De zilveren sikkel der maan;
Die schijnt een gondel, een bootjen,
Dat vaart op de blauwende baan.

De wolkjens schijnen de golven,
Witgekuifd, met luchtende tint,
En de starren zijn zoo schoone leliën
Als niemand op aarde vindt.

Was die gondel mijn levensbootjen,
Ik nam je, mijn lieve, er in meê,
En wij zwierven daar hoog in den hooge,
Alleen op de onmeetlijke zee.

En had ik genoeg van je zoentjens,
Genoeg woordjens van liefde gehoord,
Ik nam je, een, twee, drie, in mijn armen,
En… gooide je over boord!

Verder zijn beide bundels wat mij betreft bladerwerk. Hoopgevend lijken de verhalen in Orchideeën, maar ook die blijken niet echt uit te stijgen boven het werk van zijn land- en tijdgenoten. Het Europees niveau dat Couperus later zal behalen is nog verre te zoeken. Goede poëzie behoeft geen uitlegging, en het is tekenend dat Couperus’ vroege poëzie mijns inziens pas boeiend wordt als je er naast of na leest wat Frédéric Bastet er over heeft geschreven in zijn opstel ‘De dichter Louis Couperus en de schilderkunst’ (oorspronkelijk 1987, gebundeld in Al die verloren paradijzen, 2001). Daarin leest Bastet Couperus’ poëzie leest in de context van met name de, niet erg moderne maar wel vaak prachtige salon-schilderkunst van zijn tijd, wat deze poëzie een stuk beeldender maakt. Met woorden blijkt Couperus het werk van schilders als Alma-Tadema, Makart of Bouguereau ‘nageschilderd’ te hebben. Biografisch en cultuurhistorisch is dat interessant en verhelderend.

Ook blijkt Couperus zich sterk te hebben laten inspireren door de Franse dichters Theophile Gautier en Leconte de Lisle. Bastet verondersteld dat Couperus vermoedelijk ‘ook wel [in] Baudelaire zeer goed thuis was’. (p.157). Dat zou leuk zijn, maar het is niet meer dan een vage veronderstelling (zie over Baudelaire in Nederland: Dick van Halsema, ‘Wie heel goed kijkt, die kan hem bijna zien. Baudelaire bij de Tachtigers.’ In: M. van Buuren (red.), Jullie gaven mij modder, ik heb er goud van gemaakt, 1995).
Van de moderniteit van Baudelaire en zijn navolgers, is bij Couperus namelijk weinig tot niets te merken. En als Couperus Baudelaire kende, kende hij allicht ook zijn meer moderne navolgers. Met andere woorden: wat verscheen er in de jaren 1884 en 1886 aan moderne poëzie, in welke context Couperus bundeltjes gezien kunnen worden, waarmee ze vergeleken zouden kunnen worden? Met de natte vinger hieronder een klein inventarislijstje van met name de Franse poëzie waar Couperus volgens Bastet zo goed vertrouwd mee was:

– Couperus heeft later in zijn leven in ieder geval tweemaal zijn bewondering voor Jean Lorrain uitgesproken. Mogelijk kende hij zijn werk ook al in de vroege jaren 1880, toen Lorrain een viertal bundels gedichten publiceerde: Le Sang des dieux (1882), La Fôret blue (1882), Modernités (1885) en Les Griseries (1887). Ik weet niet hoe Couperus aan zijn Franse boeken kwam en welke tijdschriften hij las om hier van op de hoogte te blijven, maar in het hypothetische geval dat hij geen Franse bladen las, dan kan en zal hij zeer waarschijnlijk op Lorrain geattendeerd zijn door het stuk ‘Een nieuwe dichter [Le Sang des dieux]’ door M.G.L. van Lochem in De Portefeuille van 8 juli 1882 en in dezelfde tijd door Van Deyssel in De Amsterdammer. Dat Couperus in die tijd in ieder geval De Amsterdammer las, blijkt uit het feit dat hij een van zijn vroege versjes naar Van Lochem gestuurd heeft, die toen ook redacteur van dit blad was.

Het is wellicht aardig, bedenk ik me al schrijvende, indien dat nog niet gedaan is (ik heb bijvoorbeeld Louis Couperus en het Decadentisme van Luc Dirikx hier niet bij de hand), Couperus’ poëzie naast die van Lorrain te leggen. En als men toch bezig is, kan men ook de volgende, literair(-historisch) belangrijke teksten in het onderzoek betrekken om Couperus’ plaats in de Europese letteren van zijn tijd beter te duiden:

Maurice Rollinat, Les Névroses (1883) en L’Abîme (1886). Van Rollinats decadente sensibiliteit lijkt geen spoor te zijn in Couperus’ gedichten, maar mogelijk kende hij zijn werk via Frans Erens, die Rollinat kende en over hem in het Leidse studentenblad Minerva (1883) schreef. Mogelijk kreeg Couperus dit blad eens onder ogen. Leiden ligt immers vlak naast Den Haag. Zouden Erens en Couperus elkaar trouwens wel eens ontmoet of gesproken hebben? Die zouden dan vast boeiende gesprekken over Franse literatuur hebben gehad.

– Een vriend van Rollinat was Edmond de Haraucourt,over wie Erens meen ik ook geschreven heeft. Zou Couperus diens La Légende des sexes, poèmes hystériques et profanes (1882) en L’Ame nue (1885) gekend en gewaardeerd hebben? Ik denk het niet eigenlijk.
– En ‘what about’ de literaire cultheld en door de Tachtigers zo gewaarde Jules Laforgue? Zou de jonge Couperus op zijn Haagse kamertje de koortsige verzen van diens Les Complaintes (1885) gelezen hebben? We zouden het graag willen weten. En Verlaine? En Mallarmé? Ik weet het niet, maar wie weet wat ik nog voor volledig speculatiefs verzin op een volgende regenachtige zondag.

Wordt mogelijk vervolgd…

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

5 reacties op “Couperus’ Een lent van vaerzen (1884) en Orchideeën (1886)”

  1. “wat verscheen er in de jaren 1884 en 1886 aan moderne poëzie, in welke context Couperus bundeltjes gezien kunnen worden, waarmee ze vergeleken zouden kunnen worden?”

    Vergeet niet dat de destijds dominante poëzie niet per se nu nog als interessant te boek staat. (Kan hetzelfde niet eigenlijk worden gesteld over alle terreinen van kunst?) De grote namen in de poëzie waren Hugo en Gautier (beiden in 1884 al wel overleden), De Musset, Leconte de Lisle, De Banville,Catulle Mendès, Sully Prudhomme.

    En vergeet niet dat Rimbaud vind je zelfs in A Rebours nog niet terug.

    De toon werd aangegeven door les Parnassiens, de beweging die in de jaren 1860 langzaamaan met classicistische, ietwat kille verzen de romantische hoofdstroom begon te verdringen. Hierbij wierp de heersende censuur nogal wat obstakels op (men denke hierbij ook aan Madame Bovary en Les Fleurs du Mal).

    Zelfs Paul Verlaine en Stéphane Mallarmé hebben eigenlijk gedebuteerd in de eerste publieke manifestatie van deze groep, Le Parnasse contemporain (zie http://fr.wikipedia.org/wiki/Le_Parnasse_contemporain voor een nuttig startpunt). Baudelaire schijnt er min of meer tegen wil en dank in te zijn opgenomen.

    Meer details in Yan Mortelette, “L’Histoire du Parnasse” (laat je niet afschrikken door de sociologische terminololalie aan het begin).

    Door A.H. Simons | 19 januari 2009, 12:11
  2. “Vergeet niet dat de destijds dominante poëzie niet per se nu nog als interessant te boek staat”

    Dank voor je reactie. Uiteraard, maar bv Lorrain was en toen en nu niet dominant, en daarom allicht vergeten in in dit geval de Couperus-forschung. Dat de Parnassiens de toon aangaven is/was bekend en daarom zocht allicht Bastet het ook direct bij hen. Mijn punt is dat het allicht vruchtbaar kan zijn om ‘het hele veld’ (dat ik hier niet geheel weergeef, toegegeven) te betrekken dus ook, net als Lorrain ook toen geen dominante figuren als Rollinat en Harancourt. Vergeef de wat slordige reactie, maar je begrijpt hoop ik wat ik bedoel.
    Hartelijk
    s.

    Door sander | 19 januari 2009, 22:01
  3. Het hele veld erbij betrekken is misschien ook wat overdone voor de wat magere poëzie die Couperus ons hier voorschotelt.

    Het zal toch niet als pastiche zijn bedoeld, à la Julia?

    De parnassiens zijn misschien ook niet het juiste vergelijkingsmateriaal, gezien de erg lichte toon. Bij dat laatste ga je van de weeromstuit alweer denken aan Verlaine’s Fêtes galantes, die juist vanwege die lichtheid niet lang werd getolereerd binnen de gestrenge parnassiens.

    Door A.H. Simons | 20 januari 2009, 10:55
  4. […] ‘Een lent van vaerzen’ (een land van verzen), dat ook in huidige recensies (1, 2) de toets der kritiek slecht kan […]

    Door Haagse Arabesken nr. 68 (2): Een Lent van Vaerzen - DenHaagDirect | 10 juni 2013, 10:00
  5. Eerlijk gezegd is alles wat we weten over Couperus’ poëtische bronnen of voorbeelden speculatief. Afgezien van wat hij daarover schrijft in het in dit opzicht dubieuze Metamorfoze, heeft hij zich hierover nauwelijks uitgelaten. In het interview, dat André de Ridder hem in 1916 afnam, beweert Couperus dat zijn gedichten door Potgieters taal zijn beïnvloed.Over buitenlanders heeft hij het niet. Hij meent zelfs ( heel stoer) dat hij verder niet beïnvloed is!
    Het artikel van Bastet is natuurlijk een verrassende eyeopener. Toch, ook dat wemelt van niet bewijsbare aannames. Bastet geeft grif toe dat er een overstelpende hoeveelheid schilderkunstige voorstellingen is waaraan Couperus zich zou kunnen hebben gelaafd.
    Ik probeer de gedichten van Couperus te ‘closereaden’, dus afstand te nemen van concrete aanleidingen of invloeden.
    Dat Couperus veel Franse literatuur las ligt natuurlijk voor de hand. Zo noemt hij Flaubert en Zola in datzelfde interview. Maar zegt dat veel over invloed op zijn eigen werk? Ook in dit opzicht toont hij zich zeer bewust van eigen kunnen.

    Door Frans van der Linden | 9 januari 2015, 12:36

Reageer

Foto van de dag