Een boek met achttien verhalen uit 1894, tussen veel afgeschreven drukwerk

Tijdens mijn bijkans werkdagelijkse strooptochten op zoek naar het goede en goedkope boek — dat lang niet in alle gevallen van uitgeverij Wereldbiblotheek stamt — trof ik het gisteren meer dan goed voor me is: zo’n twintig titels uit verschillende perioden over tal van onderwerpen: twee daarvan behoren tot de cultuur van het fin de siècle.

Familie en kennissen
Hoewel hij Een groot man en een goed man was, is het mij niet vergund om te spreken over De Pastorie van mijn Grootvader, alwaar deze of één van zijn naasten Het verhaal van Oom Jan zou vertellen, eventueel bij een knappend vuur in de open haard, omdat zoiets in Mijn Ouders huis onmogelijk was door het ontbreken van zo’n installatie voor de betere standen. Wel is het in de wat eenvoudiger woonst, dan men zich bij een pastorie voorstelt, gebeurd dat één van de oudere leden binnen het gezin van hetwelk ik deel uitmaakte — en dat was niet zo’n moeilijke constellatie, aangezien ik de jongste was, en dan ook wel eens van het epitheton ornans in de vorm van de persoonsnaam Benjamin werd voorzien — de heugelijke mededeling deed We gaan den heelen dag uit rijden. En dan kon het zelfs wel eens gebeuren dat we op zo’n dag één persoon uit het duo Tante Mien en Tante Bet tegenkwamen, dan wel dat één hunner ter sprake kwam. Tante Mien was in meer dan één opzicht diacones, tante Bet — meer dan een benaming voor de vriendin van Mien was deze niet, al stond zij niet model voor haar, via een diminutief van haar voornaam in de historie der Nederlandse taal(kunde) een vaste plek veroverd hebbend symbolische wezen — hing er een beetje bij aan.
Nu het noodzakelijk is gebleken dat ik mij, voor een afspraak, spoorslags in verbinding stel met De Tandmeester, kan ik niet anders dan een verhaal over Mijn broertje over te slaan, aangezien ik alleen een Grote Broer had, aan wie ik al snel een broertje dood had, en die zich geruime tijd geleden in de totale eeuwigheid heeft teruggetrokken.
Die laatste mededelingen vormen niet bepaald de aanzet tot Een Kerstvertelling, tenzij in de ontwikkeling van het thema binnen het verhaal zodanige veranderingen zouden optreden die mij in enigerlei vorm als bekeerling zouden profileren, dan wel dat ik daarin zou vertellen Hoe de Koning bij ons in de stad kwam, al zou het onderwerp een miniem borelingske zijn dat binnen dat kader al tekenen zou gaan vertonen van zijn latere functie als koning der Joden. Waarschijnlijker zou het zijn dat ik op enig moment op de proppen zou komen met een geschiedenis over Hoe er oproer was bij ons, aangezien daartoe met grote regelmaat aanleiding heeft bestaan, en al helemaal als we even de moeite nemen om terug te kijken. Dat dergelijke, van de dagelijkse sleur afwijkende, gebeurtenissen niet perse Op een Donderdagavond hebben plaatsgevonden, hoef ik waarschijnlijk niet omstandig uit te leggen. Conflicten bleven niet tot de zes uren van dat gedeelte van de week beperkt, al was er ook wel eens rust. Een Mijntje hadden wij niet direct in de familie, al viel die naam wel eens bij familie: verwanten elders, maar dan diende men die naam met een kippenproduct te spellen. Een gebeurtenis van belang was dat echter niet, en evenmin toen wij eenmaal lid van de Nuts Leesbibliotheek waren geworden en aldaar, op speciaal daarvoor aangebrachte borden, veelvuldig andere gebeurtenissen zagen aangekondigd: van een voorstelling van ‘Rooie Sien’ tot en met drie uitvoeringen van Bachs Matthaeus Passion, doch de aankondiging van een Een Nutsbijdrage van Oom Jan zijn wij er, zelfs nadat wij het argusoog met adelaarskwaliteiten waren gaan gebruiken, nimmer tegengekomen.
Op een bepaald moment, na de eerste week van december, heel lang geleden — toen er nog ijsbloemen op de ramen stonden en je getrappel van paardenhoeven in de avondmist kon horen — sprak een zogenoemde tante van mij de historische,  want waarachtige, doch ook voor een zevenjarige geenszins spectaculaire, woorden — ’t Was Sinterklaas, mij tijdens die mededeling een klein muntstukje overhandigend. Hoewel relatief veel kinderen — die rotsvast in het bestaan van een goedheiligman bleven geloven, ook nadat deze weer naar zuidelijker streken was vertrokken met veel, om diverse redenen niet uitgereikt, snoepgoed dat inmiddels, eventueel met een vette knipoog  door Pieterman als Bedorven was ingeschaald — na de pret van het consumeren, dat lekkers zeker niet met bovengenoemd participium zouden hebben bedacht, moeten al die spannende dagen, voorafgaand aan, tijdens en na het feest van die paapse pedofiel Nicolaas, ook sommigen van hen toch wel eens zo buitengemeen zijn voorgekomen dat zij, met volle overtuiging, hadden kunnen zeggen: Ik heb een wonderlijken droom gehad.

Gecursiveerd
Hoewel het hierboven beschreven gebeuren een mengeling is van feiten, toestanden en gebeurtenissen, enige decennia na het fin de siècle, want direct na de Tweede Wereldoorlog, moet hier worden gewezen op op het feit dat alle zinnetjes, dan wel zinsdelen, welke cursief zijn afgedrukt, bestaande titels zijn, van de verhalen — eveneens in die volgorde opgenomen — in het boek Familie en kennissen, geschreven door François Haverschmidt (1835-1894), en voor de eerste keer verschenen in 1876 bij Roelants te Schiedam. Dat is een uitgeversnaam die ik in mijn jeugd alleen ben tegengekomen op de achterzijde, of heel klein gedrukt onderaan de voorzijde,  van bus-, trolley- en/of tramkaartjes. Pas later leerde ik dat deze firma ook het culturele vak van boekenuitgever heeft uitgeoefend.

Lees ook:  Onbekend reisverslag Piet Paaltjens gevonden

Een dag van
Gisteren bleek dat laatste direct twee keer. Van de door de medewerkers van een antiquariaat in mijn woonplaats afgeschreven boeken, welke nog niet bij die afdeling waren geplaatst, doch waaruit ik reeds kon kiezen, bevonden zich twee boeken van François Haverschmidt, waarvan het hierbij afgedrukte in de vierde, ongeïllustreerde, uitgave, uit het sterfjaar van de auteur: 1894. Inhoudelijk — zo meldt de uitgever in het voorwoord van November 1894 — is deze gelijk aan de derde, geïllustreerde editie van Augustus 1894, maar is gekozen voor “dezen goedkopen vorm” opdat het boek “in nog uitgebreideren kring zou kunnen gelezen worden.” De auteur heeft noch het heugelijke gebeuren van de derde, geïllustreerde, noch dat van de goedkope, vierde editie beleefd: hij was reeds in januari van datzelfde jaar overleden.
Die twee Paaltjens-Haverschmidt boeken — beide gebonden in een vorm die door onze generatie, in ons tijdsgewricht, zeker niet meer als “een goedkopen druk” kan worden ervaren — hebben mij samen één euro gekost. Daarbij moet worden vermeld dat het binnenwerk van het ene boek ergens los in een doos is teruggevonden en dat de katernen van het Paaltjens-boek loszaten. De reparatie van beide boeken samen heb ik toen maar, luisterend naar een interessante discussie via de beeldbuis, in goed een half uur — voor een kleine knoeier vakbekwaam — gerepareerd.
In het kader van dit culturele weblog, zou collega Sander Bink deze, zonder blikken of blozen, in de titel van zijn bijdrage op dit web met het begrip  Aanwinsten ornamenteren, en dat is zeker verdiend.
Nog een ‘geluk’ dat de kleine twintig andere aanwinsten uit die twee antiquariaatsdozen van gisteren voor het grootste deel buiten de sfeer van het fin de siècle vallen, anders zou ik u nog van veel meer verslag moeten doen.
Over het andere fin de siècle boek dat zich tussen die stapel aanwinsten bevond — de zevende druk, uit 1895, van de Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens — heb ik verslag gedaan op de cultuursite Tempel van het fin de siècle.
____________
Afbeeldingen

1. Voorplat van de vierde druk van Familie en kennissen, verschenen in 1894 bij H.A.M. Roelants te Schiedam.
2. Portretfoto van François Haverschmidt uit zijn studietijd te Leiden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.