Franstalige Canadese dichters rond 1900 — 1. Pamphile Le May

Befaamd in literair Canada
Leon-Pamphile Le May werd in 1837 te Lotbinière, in Lower Canada, geboren als vijfde kind in een reeks van veertien. Zijn ouders dreven een herberg en een algemene winkel. Hoewel hij aanvankelijk voor het priesterschap had gekozen en dienovereenkomstige gedeeltelijke studies had gevolgd, trad hij te Quebec in 1863 in het huwelijk met Marie-Honorine-Sélima Robataille. Ook dit huwelijk werd gezegend met veertien kinderen. Nadat hij als twintigjarige het seminarie had verlaten als gevolg van een zeer slechte gezondheid, nam hij eerst een jaar rust, waarna hij naar de Verenigde Staten vertrok en in Portland, Maine, naar geschikt werk ging zoeken. Na zijn terugkeer naar het ouderlijk huis ging hij eerst een jaar thuis studeren: filosofie, ter voorbereiding op het priesterschap. In 1860 ging hij in Ottawa theologie studeren, maar ook daar speelde zijn slechte fysieke situatie hem zodanig parten dat hij binnen twee jaar moest stoppen.

LES COLONSLeon-Pamphile Le May

Entendez-vous chanter les bois où nous allons?
Sur les pins droitset hauts comme des colonnades,
Les oiseaux amoureux donnent des sérénades,
Que troubleront, demain, les vigoureux colons.

Entendez-vous gémir les bois? Dans ces vallons
Qui nous offraient, hier, leurs calmes promenades,
Les coups de haches, drus comme des canonnades,
Renversent bien des nids avec les arbres longs.

Mais dans lesdéfrichés où tombe la lumière,
L’été fera mûrir, autour d’une chaumière,
Le blé de la famille et le loin du troupeau.

L’âme de la forêt fat place à l’âme humaine,
Et l’humble défricheur taille ici son domaine,
Comme dans une étoffe on taille un fier drapeau.

*****

ULTIMA VERBA

Mon rêve a ployé l’aile. En l’ombre qui s’étend,
Il est comme un oiseau que le lacet captive.
Malgré des jours nombreux ma fin semble hâtive;
Je dis l’adieu suprême à tout ce qui m’entend.

Je suis content de vivre et je mourrais content.
La mort n’est-elle pas une peine fictive?
J’ai mieux aimé chante que jeter l’invective.
J’ai souffert, je pardonne, et le pardon m’attend.

Que le souffle d’hiver emporte, avec la feuille,
Mes chants et mes sanglots d’un jour! Je me recueille
Et je ferme mon coeur aux voix qui l’ont ravi.

Ai-je compli le bien que toute vie impose?
Je ne sais. Mais l’espoir en mon âme repose,
Car je sais les bontés de Dieu que j’ai servi.

Uit: Les Gouttelettes (1904)
Pamphile Le May (1837-1918)

(wordt vervolgd)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.