Twee gedichten

Ooit waren we jong in onschuldige wolken, / in een zwembroek aan zee, ons van geen tijd bewust. / Nieuwsgierig naar morgen, naar het avontuur, / we leefden maar raak, we hadden wind mee. […]

Tadzio
Ooit waren we jong in onschuldige wolken,
in een zwembroek aan zee, ons van geen tijd bewust.
Nieuwsgierig naar morgen, naar het avontuur,
we leefden maar raak, we hadden wind mee.

Hoe snel het ging, wisten we eigenlijk niet.
Elk jaar schoot voorbij met geknetter en vuur.
En nu zijn we oud, vol verlangen naar toen.
De hemel is donker. De ochtend een hel.

Een heldenleven
Von Aschenbach wacht in de schaduw. Het strand
is bevolkt door potsierlijke mensen. Hij zoekt
het jochie van veertien, net vijftien misschien,
waarbij alles verbleekt in de stad van de Dogen.

En Tadzio wentelt, hij draait in het rond.
Pak hem beet, trek die broek van zijn welvende billen.
Wees een man, toon jezelf wat je zo graag wilt zien
voor je eindelijk sterft met zijn schoonheid voor ogen.

Lees ook:  Hugo von Hofmannsthal — Weltgeheimnis

Nico Weber

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.