// artikel

Buitenlandse literatuur

De duivel als literair agent in een decadente bestseller uit 1895

En wederom een naadloze aansluiting op de actualiteit: het onlangs verschenen laatste nummer van het fraaie tijdschrift De Boekenwereld is gewijd aan het tot nog toe, althans in Nederland, vrijwel onbestudeerd gebleven verschijnsel van de literaire agent. In het inleidend artikel schrijft Nico Laan over de geschiedenis van dit verschijnsel:

‘Het idee kwam uit Engeland. Daar was de term “literary agent” gangbaar vanaf de jaren 1870, maar het is moeilijk te zeggen wie de primeur had. Telefoongidsen vermeldden tussen 1874 en 1894 in totaal negentien agenten. Van de meesten weten we zo goed als niets.’

In datzelfde Engeland nu verscheen in 1895 de roman The Sorrows of Satan; Or, the Strange Experience of One Geoffrey Tempest, Millionaire van Marie Corelli, al kort na verschijnen door Marie Wansink in het Nederlands vertaald als De smarten van Satan of de zonderlinge lotgevallen van den millionnair Geoffrey Tempest. Deze vertaling, voor één euro bij de lokale uitdragerij gekocht, las ik onlangs en — man oh man! — wat een absoluut fenomenaal boek! Marie Corelli is alleen door deze roman een van mijn lievelingsschrijvers geworden. Dit boek is essentiële lectuur voor alle bezoekers van dit verfijnde blog. Het is een wilde combinatie van gothic horror als Melmoth the Wanderer of Frankenstein gemengd met een flinke dosis Picture of Dorian Gray en het leest als een geweldige speelfilm. Geen wonder dat D.H. Griffith het in 1926 verfilmde. De roman ís ook trouwens al door, voorzichtig uitgedrukt, velen gelezen; hoewel zij heden ten dage ‘vergeten’ is en verguisd wordt en haar boeken tot niet lang geleden antiquarische winkeldochters behoorden, verkocht Corelli miljoenen boeken. The sorrows of Satan was zelfs een van de allereerste bestsellers!

Wat heeft dit nu met het literair agentschap te maken? Welnu, de zonderlinge lotgevallen van Geoffrey Tempest zijn namelijk die van een armoedig en onsuccesvol schrijver die door de literaire bemiddeling, het literaire agentschap dus, van niemand minder dan Satan zelve, op aarde gekomen in de vorm van een ietwat homoseksueel aandoende Italiaanse fatale man, niet alleen steenrijk wordt, maar ook literair succesvol. Althans, zijn geld overschaduwt uiteraard al spoedig zijn literaire werk. Het boek staat vol bittere wijsheden over de moderne literaire praktijk. De plot is te geweldig om prijs te geven; u dient de roman echt zelf te lezen. Engelstalige exemplaren zijn met een beetje geluk betrekkelijk makkelijk te vinden.

Maar nu hoor ik u denken: ‘u, heer Bink, houdt toch enkel van verfijnde decadente werken en hoe kan een lievelingschrijfster van Koningin Victoria en Winston Churchill  u nu ook behagen?’ Welnu, dat is eenvoudig. Corelli’s bestseller past namelijk gek genoeg naadloos in die traditie van de decadènce litteraire. Als zodanig is de Nederlandse vertaling overigens interessant voor de Nederlandse receptie van dat verschijnsel. Decadente literatuur sloeg hier niet echt aan, maar ontelbare Nederlandse lezers, onder wie overigens ook het vertalersduo Louis en Elisabeth Couperus (zie Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie, p. 421), lazen Corelli’s – decadente – werk.

Waar bestaat nu dit decadente uit? Het is vrij eenvoudig: de roman is naar de vorm en de pre- en intentie niet decadent, maar beschrijft zodanig uitvoerig en verlustigend de — vermeende — decadentie dat het daardoor decadent wordt. Illustratief is in deze context de typering die Mario Praz in The Romantic Agony geeft van de decadente klassieker Le Vice Suprême (1884) van Péladan. Praz vindt de lectuur van het hoofdpersonage Mérodack typerend, ‘de tovenaar die “alle literatuur des vlezes – van Martialis tot Meursius en Sade” heeft gelezen’. Vermoedelijk heeft Praz, niet helemaal onbegrijpelijk, Le Vice Suprême slechts doorgebladerd, want deze Mérodack leest dit alles juist om zich tegen deze decadentie te harden:

‘Mérodack vit des femmes nues et il ne fut point tenté; il s’ingénia pour contempler des déshabillés, des toilettes, des levers, des couchers, des bains, des sommeils. Il lut toute la littérature de la chair – de Martial à Meursius et à de Sade. Il considéra toute l’obscénité de l’art, depuis les Phallus, les Linghams, les Baphomets jusqu’aux albums sans nom de Belgique et d’Espagne. Il remplit sa lumière astrale de reflets lubriques et subit douloureusement l’obsession de tout cet immonde qui bourdonnait à ses oreilles, qui papillotait à ses yex, qui hantait sa pensée. Le vice brutal contient une nausée qui en eloigne; il se tourna vers l’erotisme prestigieux du grand monde. Il résista à l’impudeur, cette magie des reins.’(p. 151-152, ed. 1979)

In De smarten van Satan staan vele van deze, mijns inziens zeer geestige voorbeelden van dit soort ‘show, don’t tell’-principe. Een ruime, illustratieve greep uit de Nederlandse vertaling:

‘”Hoogstwaarschijnlijk,” zeide hij, terwijl hij mij door eene wolk van rook met gesloten oogen aanzag, “Londen praat graag, en voornamelijk over onsmakelijke en dubbelzinnige onderwerpen. Daarom, zooals ik u reeds gezegd heb, als uw boek een oordeelkundig mengsel was van Zola, Huysmans en Baudelaire, of tot heldin een ‘zedig’ meisje had, dat een eerbaar huwelijk een vernedering vindt, dan zou het in deze dagen van Sodom en Gomorra zonder twijfel opgang maken.” Toen sprong hij plotseling op, en zijne sigaar wegwerpende ging hij vlak tegenover mij staan. “Waarom laat de hemel geen vuurregen op die vervloekte stad neerdalen! Haar straftijd is gekomen, want zij is vol afschuwelijke schepsels, die de pijnen der hel waartoe, zooals men zegt, leugenaars en huichelaars veroordeeld worden, niet eens waard zijn! Tempest, als er één menschelijk wezen is, dat ik meer dan eenig ander verafschuw, dan is het dat algemeene type van den mensch in en tegenwoordigen tijd, den mensch, die zijne eigen walgelijke ondeugden onder een mantel van geveinsde onbekrompendheid en deugd bedekt.”‘ (p.55)

‘Ik vraag u, denkt gij dat een meisje de boeken kan lezen, die tegenwoordig vrij uitgegeven worden, en die hare dwaze vriendinnen aanraden te lezen omdat zij zoo vreeselijk ‘vreemd’ zijn, en toch onbedorven en onschuldig blijven kan? Boeken, die u al de levensbijzonderheden van het uitvaagsel der maatschappij verhalen? die de geheime ondeugden der menschen aan het licht brengen en ontleden? die bijna als een heiligen plicht ‘vrije liefde’ en algemeene veelwijverij aanbevelen? (…) Ik heb al deze boeken gelezen [!, SB]: wat kunt ge dus van mij verwachten? Geen onschuld voorwaar!’ (p.171)

‘Hare schoonheid leek mij toe als die van eene giftbloem, die, schitterend van kleur en volmaakt van vorm, den dood uitademt voor al diegenen, die haar van den stengel plukken. Dien nacht, toen ik haar in mijne armen hield, en haar hart in de duisternis tegen het mijne voelde kloppen, overviel mij eene verschrikkelijke vrees: eene vrees dat ik haar den een of anderen tijd, als zij aan mijne borst lag, zou worgen – worgen zooals men een vampier worgt, die iemand bloed en kracht uitzuigt!'(p.267)

Nu zou ik gaarne, als ik het kon, de uitwerking, die deze satirische zanger [Algernon Swinburne] op mijn geest had, willen verklaren; want ik geloof dat er vele vrouwen zijn, voor wie zijne werken doodelijker geweest zijn, dan het zwaarste vergift, en veel verderfelijker voor de ziel van menig boek van Zola of van de verderfelijkste moderne Fransche schrijvers. Aanvankelijk las ik de gedichten vluchtig, met een zeker genot door de zangerigheid van toon en maat, en zonder veel aandacht te schenken aan den inhoud van het vers; maar plotseling, alsof een hevige bliksemstraal een schoonen boom van zijn bladerendos had beroofd, bemerkte ik opeens de wreedheid en zinnelijkheid, die onder die sierlijke taal en bekoorlijke versmaat verborgen lagen, en voor een oogenblik staakte ik mijn lectuur en sloot de oogen, daar ik sidderde en mij ziek gevoelde. Was de menschelijke natuur zoo laag en losbandig als deze schrijver verklaarde? Was er geen God maar wellust! Waren mannen en vrouwen lager en slechter in hunne hartstochten en lusten dan zelfs de beesten? Ik peinsde en droomde, ik verdiepte mij in de ‘Laus Veneris’, ‘Faustine’ en ‘Anactoria’, totdat ik voelde, dat mijn geest zich tot zulk een trap verlaagd had, dat ik op ééne lijn stond met den man, die de betamelijkheid aldus beleedigde; ik zwelgde ’s dichters duivelachtige verachting van God met gretige teugen in (…) Ik haal ze hier aan, uit bittere herinnering, opdat ik niet beschuldig worde overdreven te hebben.'(Volgt de integrale Engelse tekst van een gedicht van Swinburne, gevolgd door de Nederlandse vertaling, waarschijnlijk de eerste Nederlandse vertaling overigens, SB) (p.348-349)

Het schijnt dat menig dominee destijds in de preek uit het werk van Corelli citeerde. Ik vermoed dat menig kerkganger zich maandagochtend geïnspireerd en gezwind naar de boekhandel heeft begeven om het werk van Swinburne, Zola of Huysmans in huis te halen.

Afsluitend nog een voor zover ik weet onopgemerkt Oscar Wilde-detail: de dame in kwestie die de ontboezemingen doet is een goedkoop en ordinair actrice, genaamd Lady Sibyl, die Geoffrey Tempest uit een achteraf theatertje oppikt. Dit lijkt me een referentie naar Sibyl Vane uit The Picture of Dorian Gray.

FacebooktwitterFacebooktwitter

Reacties

(Nog) geen reacties op “De duivel als literair agent in een decadente bestseller uit 1895”

Reageer

Foto van de dag