// artikel

Beeldende kunst

Kunstmenschen (1902): een vergeten roman over Johan Thorn Prikker

Zoals de trouwe lezer weet hebben wij hier een bijzondere interesse in bij voorkeur ‘vergeten’ sleutelromans over Nederlandse beeldend kunstenaars van rond 1900. Zo kwam Antoon Derkinderen versleuteld voorbij in een roman van P.H. Van Moerkerken, en bij diezelfde schrijver troffen we een geval van fictieve receptie van Isaac Israëls aan. Eerder dit jaar stuitten wij bij Cornélie Noordwal op een aardige Van Gogh-vernoeming.  Schilder Thomas Cool stond model voor de beste roman van Couperus’ makker Maurits Wagenvoort, en elders gedocumenteerd is dat Theo van Hoytema fictief figureert in een roman van Aeg. W. Timmerman. Minder geslaagd was een roman van Job Steynen, en welke schilderes model zou kunnen hebben gestaan voor de protagonist van Kinderen van hun tijd van ‘Esjee’ uit 1895 weten we nog steeds niet. We melden het direct wanneer dat wel het geval is.  Een van onze grootste kunstenaars van rond  1900, Jan Toorop, vinden we op diverse plekken in de letteren, zelfs tot over de grenzen: welbekend is dat Monsieur de Phocas (1901) van Jean Lorrain met Toorop dweept. Geadoreerd werd dezelfde kunstenaar ook door Ester Luzac, de hoofdfiguur in Willem Paaps Vincent Haman (1898). Voor deze Luzac stond op haar beurt beeldhouwster Saar de Swart model. Hoe kan je dit nu allemaal níet fascinerend vinden?

Deze maal voegen we aan deze immer uitdijende canon nog een vergeten fictief optreden toe van een,  en niet alleen in mijn optiek, heel grote en belangrijke beeldend kunstenaar van rond 1900:  Johan Thorn Prikker. De bruid uit 1892-’94 kent iedereen, en wordt dagelijks door velen aanschouwd in het Kröller-Muller Museum. Zijn grote overzichtstentoonstelling in Boijmans in 2010 was uitputtend en zeer indrukwekkend.

Wat mij al lang verwondert is dat — voor zover ik daar zicht op heb; misschien vergis ik me en kijk ik eens weer met mijn neus — er in alle moderne teksten over Thorn Prikker, van Polaks Het symbolisme in de Nederlandse schilderkunst tot de catalogus bij de Boijmans-expositie, nooit en te nimmer wordt gerept van een roman die nota bene door  zijn ‘eigenste’ broer werd geschreven en die we hier eindelijk eens ontstoffen: Kunstmenschen van Eduard Thorn Prikker, in 1902 in twee delen te Amsterdam verschenen.

Gelukkig konden wij recent van de hooggewaardeerde en weledelgeleerde mijnheer Dick van H. te A. weer eens zijn exemplaar lenen van dit ultra-zeldzame boekwerk. Het was namelijk diezelfde heer die Thorn Prikkers roman herondekte, naar ik meen tijdens zijn onderzoek voor het welbekende standaardwerk Te zoeken in deze angstige eeuw: sporen van décadence-voorstelling in de Nederlandse letterkunde aan het einde van de 19e eeuw (hierin opgenomen). Kunstmenschen komt daar weliswaar niet voorbij, maar Eduard Thorn Prikker wel. En hoewel broer Eduard niet bepaald beroemd is geworden, is hij niet volstrekt vergeten; ‘s-Gravesande memoreert hem in zijn Vergeten en gebleven. Literaire beschouwingen uit 1982. Kunstmenschen wordt daar enkel als titel aangestipt. Dat Eduard Thorn Prikker rond 1900 wél een vrij bekende figuur was, blijkt bijvoorbeeld uit zijn verhalende bijdragen voor het in vele keurige huishoudens gelezen De huisvriend. Geïllustreerd weekblad voor iedereen. En, hij deed dat níet zo maar voor iedereen, Jan Toorop ontwierp het omslag voor Thorn Prikkers De Arbeid, een tijdschrift dat nu waarschijnlijk nog voornamelijk bekendheid geniet wegens het daarin gepubliceerde jeugdgedicht van Willem Elsschot. Goed, over Eduard Thorn Prikker zou nog veel meer te schrijven zijn, maar to the point nu.

Kunstmenschen is een roman over de beroemde schilder Johan Thorn Prikker. De hoofdpersoon Willem Beijers is op hem gebaseerd. Dat was destijds ook bij sommige ingewijden bekend, maar dat werd al snel weer vergeten. Dankzij de huidige digitale beschikbaarheid van vele kranten en tijdschriften beschikken wij over op zijn minst één directe en wetenschappelijk verantwoorde bron voor dit vergeten maar aardige kunst-en literairhistorische feit. In de Sumatra Post van 9 oktober 1903 schrijft ene Willem van Bergen een uitvoerige bespreking van Kunstmenschen; zowel de auteur als het model voor Beijers blijkt hij goed te kennen en hij constateert dan ook direct de parallellen. Het is tevens een mooie typering van Johan Torn Prikkers persoonlijkheid en manier van werken:

En voor wien den schilder Johan kent, is het duidelijk, dat broer Eduard veel van wat den eersten karakteriseert, gebruikt heeft voor den hoofdpersoon van het boek Kunstmenschen voor den schilder Beyers. Innerlijk is deze Beyers à peu prés gelijk aan Johan Thorn Prikker; uiterlijk niet, want Beyers wordt beschreven als een groote, sterke lobbes van kerel, een goeie olifant, terwijl de bestaande broer Johan is: eer klein dan groot, mager, spierig, met bijna al te levendige oogen en vlugge bewegingen, toch ook weer begaafd met een soort woedend geduld, een grimmig nooit-opgeven van het eenmaal begonnene, zooals ook Beyers vertoont. Nog zie ik hem, Johan, op den karpetloozen houtvloer van zijn atelier rondknoeien met potjes en pannetjes, vloeibare en vaste verven, aniline-en andere kleuren, combinaties zoeken als een alchimist uit de middeleeuwen; mengsels en combinaties die het geheim moesten brengen van kleur te brengen op ’t stugge fluweel of de soepele zijde, zonder dat zij vervloeiden of verschoten. En als hij dan na weken van zoeken, denken en probeeren het dacht gevonden te hebben, en de proef op de som ging nemen — dan bleek alles dikwijls weer totaal mislukt, ‘gesjochten’ zooals hij ‘t, schilderachtig ! placht uit te drukken.

Maar er was geen teleurstelling in zijn blik, geen spijt in zijn stem. Onverstoorbaar — blijmoedig ging hij opnieuw aan ’t zoeken, lezen, denken en combineeren met het ‘geduld van het genie’ zooals Goethe ’t uitdrukte. Nu is het procédé van kleurenmenging enz. reeds lang gevonden, de groote bent nam klakkeloos over van wat hem jaren van studie heeft gekost, anderen gingen met den roem strijken van wat hij uitvond. .. maar Thorn geeft geen kik, beklaagt zich niet, verzet zich niet. Hoogstens zegt hij met z’n eigenaardigen glimlach, goedig-meelijdend: ‘och, laat ze. . . ’t zijn maar koekebakkers.

Thorn! wat een sympathiek orang ben je ! en wat wordt je weinig begrepen en weinig gewaardeerd — nèt als Beyers uit ’t boek van je broer. Uit Kunstmenschen  kunnen leeken zien hoe schilders voelen; allerlei soorten van schilders: de echten en de talentloozen, de eerzuchtigen en de eenvoudig-zoekenden, de gearriveerde ouden en de baanbrekende jongeren, de eenzelvige werkers en de vroolijke Bohémiens, maar vooral, — waarschijnlijk omdat dit soort overal het meest vertegenwoordigd is — herkent men de ‘koekebakkers’, geliefd woord der Thorn Prikkers beiden.

Terzijde: uit de combinatie ‘bohémien’ plus ‘koekebakker’ blijkt wederom dat Nescio echt niet de enige was die deze termen gebruikte, laat staan dat hij ze verzonnen zou hebben. En over Nescio’s woordkeuze gesproken: in genoemd periodiek De huisvriend kon men vanaf 6 oktober 1900 in een verhaal van Th. A. Quanjer lezen ‘Hoe Jacqueline Jaepie werd’!

Een mooiere typering dan die van Van Bergen is haast niet te geven. Wel kunnen we nog enkele details toevoegen in de vorm van enkele aardige citaten, die een indruk geven van het boek dat niet iedereen direct voorhanden heeft. De roman speelt overigens  in 1900; Beijers is 32, Thorn Prikker is van 1868.

Beijers schilderde. ‘Geen pure kleuren! Die hebben ze maar, omdat ze niet weten wat toon is, omdat ze geen sentiment in der donder hebben…’ En even mengend op zijn palet, bracht hij wat vastgevoelde, veelzeggende diepte in een hoekje van den achtergrond van zijn schilderij, zooals er al meer te bespeuren was. ‘Sentiment en toon’; dat is eigenlijk precies ’t zelfde. Als je sentiment eruit komt, komt de toon vanzelf in je doek.’  En weer maakte hij wat ruimte van gevoel in dien achtergrond, als geheel nog rauw en koud, omdat hij voor het grootste deel nog maar aangezet was. (dl. I, p.1)

Beijers verdomde ze, die kwezels, die schoolmeesters, die met ’n stomme opmerking  je je ochtend kwamen bederven. Soms liepen ze bij hem op, enkele brutalen, die kwamen om voor een schijntje een schilderijtje van hem te zien te koopen, als bescheiden speculatie op den naam, die hij nog zou kunnen maken. Maar nooit liet hij na, om het dezen duidelijk te maken: twee en dertig jaar was hij geworden en hij zou de vijf en zestig ook nog wel halen, – zonder naam. Ze zakten dan ook altijd af, de ambtenaartjes in ruste, die in schilderijtjes- en teekeningen-koopen voor een peu een goede geldbelegging zagen: de derde-rangskunstkopertjes, die omdat de Israels en Marissen te duur waren, maar in moderne kunst waren gaan doen, en de verwaten rijkgeworden kruideniers, die om een hij-doet-veel-voor-de-kunst-man te worden  wel een tientje uit de portemonnaie wilden halen voor een doekje, waarvan ze de feitelijk  waarde niet hooger schatten dan een half ons koffie. (dl. I, p.9)

De 65 haalde Johan Thorn Prikker net niet; hij werd 64 en had toen zeker wél een naam opgebouwd.

Thorn Prikkers/Beijers schilderkunstige moderniteit wordt benadrukt door aanhalingen van enkele typisch-moderne collega-artisten:

’t Heeft anders wel wat van Puvis de Chavannes — en ze radbraakte die naam schrikkelijk — die smid daar op den voorgrond. Vindt je niet…?

Met ‘die smid daar op den voorgrond’ wordt ongetwijfeld gerefereerd naar Thorn Prikkers Le Forgeron (‘De smid’) uit 1895. Verder worden onder anderen nog genoemd Fernand Knhopff (I, p.33), Meunier (I, p.11)  en Millet (I, p.3 en II, p.10). En er wordt gerefereerd naar de Salomé-figuur, waarbij ondergetekende direct aan Aubrey Beardsley denkt. Ook wordt er gesproken over anarchisme  en komt ook hier Là-Bas van J.K. Huysmans voorbij:

‘Ils se vidangeront l’âme dans le bas-ventre,’ beweerde Huysmans, al meende hij het niet in toepassing op zijn vrienden, de artiesten’, zei Beijers. (II, p.200).

Ook heeft Beijers een vriendin, de kunstenares Helene Starch en een vriend, een journalist genaamd Erdbrink. Hiervoor zullen, zo durven we aan te nemen, Johan Thorn Prikkers real life- intimi Sanne Bruinier en Henri Borel model hebben gestaan. Nogmaals: fascinerend als je het mij vraagt.

Met  deze ‘officiële’ toevoeging van Thorn Prikker aan de fin de siècle-canon van kunstenaarsromans en aanverwante gevallen van fictieve receptie van beeldend kunstenaars begint deze lijst toch wel redelijk ‘compleet’ te worden, althans qua grote namen. ‘Maar mijnheer Bink,’ hoor ik u denken, ‘Carel de Nerée, over wie u zo vaak schreef, komt die niet ergens voorbij in onze schoone letteren van rond 1900?’ Ja zeker wel, waarde lezer, maar daarover in de nabije toekomst meer. Mocht u in de tussentijd een exemplaar van Kunstmenschen tegenkomen, meteen kopen!

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

één reactie op “ Kunstmenschen (1902): een vergeten roman over Johan Thorn Prikker”

  1. Leuk dat er eens uitgebreid aandacht wordt geschonken aan dit inderdaad uiterst zeldzaam geworden boek. Het geeft een aardig – zij het wat zwartgallig, zoals alle boeken van Ed. Thorn Prikker/ Ed. Verburgh – inkijkje in het 1900-kunstenaarswereldje. De auteur heeft overigens nog meer romans geschreven over de kunstwereld van zijn tijd.
    Alleen blijkt Ed. niet de ‘eigenste broer’ van Johan Thorn Prikker te zijn maar diens neef (heb ik gehoord van Christiane Heiser, die op Th.Pr. is gepromoveerd).

    Door Lieske Tibbe | 15 oktober 2013, 18:53

Reageer

Foto van de dag