In de marge (7)

Ik wou net de wereld attenderen op een bescheiden geval van Gorter-epigonisme in het bundeltje Sonnetten en Verzen van G.H. Priem uit 1891, maar Van Deyssel was mij uiteraard al voor, bedacht ik, dus het volstaat om hem te citeren (altijd leuk natuurlijk):

‘Daar is b.v. het bundeltje “Sonnetten en zangen” van den schrijver G.H. Priem. Ziet u niet, waarde heer Winkler Prins, ziet u niet, dat alle persoonlijk talent daarin ontbreekt (talent = visie en accent gemengd), ziet u niet, dat men, gedichtje voor gedichtje, daarin kan aanwijzen wát eene imitatie is van Van Eeden, wat eene van Verwey; en als u dan aan dat gedichtje komt dat de schrijver, als om de zaak volkomen duidelijk te maken, ‘Mei’ heeft genoemd, ziet u dan niet, dat hij daarin voor de afwisseling Gorter imiteert? Ziet u daar allemaal niets van? Vindt u dat het, literair, goede-smaak is, vertalingen uit te geven, en nog wel mooye dingen vertaald in het dialekt van een ordinair schrijvertje, zonder er bij te zetten dat het vertalingen zijn?

Neen, u ziet het niet, u ziet talent voor buitensporigheid aan en vaardigheid voor talent, u ziet het even-min als u ziet dat u zelf b.v. – uw reëel dicht-talent niet te na gesproken – een heel gewoon en onbeduidend prozaschrijver is en een kritikus van ’t jaar nul.’ (De Nieuwe Gids, 1891, p.131-132.)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.