Polderdecadentisme (6)

Dat de ooit zeer veelgelezen Reinier van Genderen Stort wel van oververfijndheid werd beschuldigd was me bekend, doch heel lang heb ik daar nooit bij stilgestaan, tot de heer L.P. te A. mij onlangs op een recensie van diens roman De  Grijsaard en de Jongeling (Amsterdam, Querido 1919) in Den Gulden Winckel attendeerde: ‘Het ware onbillijk en onjuist om van dit ongetwijfeld decadente boekje – de levensbiecht die de grijsaard aan den jongeling doet en waarin die jongeling zijn eigen leven ziet weerspiegeld – uitsluitend te beweren dat het decadent is. Deze biecht is het levensverhaal van den hyperverfijnden mensch (…).’
Ik las het boek tot mijn verrassing ‘in één adem uit’ omdat ik het reuzevermakelijk en vaardig geschreven vond. Uitsluitend decadent is het inderdaad niet, want het is immers de poldervariant! Aardig is dat de auteur in dit geval ook, ongetwijfeld geheel tegen zijn zin, een beetje leuk decadent meedoet: Van Genderen Stort was immers zeer rijk en ongeneeslijk ziek. Het verhaal is boven al samengevat, maar hier ter illustratie enkele aardige citaten uit de roman.

Over Franse invloeden:
‘Le culte de Moi, bestendigd, leidt tot uitholling en ondermijning. Ken je Barrès, jongmensch?….
– Ja… antwoordde de jonge man nu levendiger, Barrès ken ik heel goed…
– O, ken je dien heel goed?….’ (p.34)

‘Bij geen barbaren, bij geen primitieven is ja ja geweest, of neen neen. Hoeveel minder bij ons decadenten, in wie de kloppingen des levens verzwakt, verdeeld, verdwaald zijn, zoodat alleen ternauwernood of vergeefs het alleraandachtigst onderzoek bepalen kan of het hart inderdaad slaat, waar harten plegen te slaan.’ (p.41)

Over de aard van de relatie van de grijsaard:
‘Zoo bleef ik in gebreke, smadelijk bleef ik in gebreke; een nerveuze, perverse onrust kwelde mij, een nerveuze, perverse onrust prikkelde haar.’ (p.50)

En ook hier de schim van Huysmans: ‘Jongmensch, je denkt aan Gilles de Rais en zijn singulieren levensbeschrijver, maar ik was geenzins sadist, dit was het neurasthenisch uitschot van een ongestilde en onstilbare passie (….).’  (p.115)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.