Van en over het Haagse wereldje van Van Genderen Stort en De Nerée tot Babberich

Bij het doorlopen van de losse eindjes en dubbelchecken van de documentatie die hoort bij de naderende voltooiing van een biografie, in dit geval van een kunstenaar C(K)arel de Nerée genaamd (vertelde ik u daar wel eens over? Dacht het niet. Remind me dat ik dat nog eens uitvoerig doe hier) kwam ik onderstaand artikel tegen. Dat klinkt naïever en romantischer dan het is want ik ben nog niet zo dement dat ik dat zeven jaar later alweer vergeten zou zijn. Op een artikel lijkt het althans het meest, maar feitelijk is het een van de eerste paragrafen die ik voor het boek schreef. Beginnerswerk, want véél te uitvoerig natuurlijk. In de uiteindelijk versie zijn hier misschien twee paragrafen van overgebleven. Toch is het misschien aardig om van de achtergrond daarvan kennis te kunnen nemen. Ook eigenbelang, want dan kan ik in die tekst naar de publicatie hier verwijzen. Ik heb destijds ook wel geprobeerd het gepubliceerd te krijgen op ouderwets papier maar dat is gestrand. Aanvankelijk schreef (bewerkte) ik het voor een nooit verschenen boekhistorisch jaarboek en overwoog ook de Parelduiker, maar aangezien zij geloof ik niet willen weten waar rond 1900 ligt als niet ook Joseph Roth of Kurt Schwitters of andere socialistisch addergebroed er woont heb ik het maar gelaten.

Het rammelt behoorlijk in de taal en stijl, heb het wat bijgeschaafd maar geen tijd nu voor de perfectie die u terecht van me verwacht. De nadruk op dat decadenterige zou ik nu ook nooit meer leggen. In mijn grote boek schrijf ik dat concept zoveel mogelijk de achterdeur uit. Bij mij mag De Nerée met de modernisten met symbolistische wortels mee doen. Doet hem meer recht, zoals pas ook bleek.

 Dat verliteratuurde van De Nerée echter blijft bijzonder. Uiteraard las u met aandacht mijn artikel in Rode Haring over De Nerée als model voor René Richell in Pathologieën en verslond u de heruitgaves van Het Eerste Principe en Een Liefde in Spanje. In die context moet (ja, moet) u ook dit zien. Het is natuurlijk veel te lang voor een website maar geniet u nog maar even van dat lange. Idealiter is de voltooiing van het grote Nerée-boek ook de voltooiing van achttien (toch?) jaar rond1900 maar zoals u weet heb ik al zeker vier keer gedreigd met dat einde. Misschien gaat het nu wel lukken.

Reinier van Genderen Stort circa 1920

*

In het oeuvre van Reinier van Genderen Stort (1886-1942) wordt het Haagse De Nerée-esque wereldje verliteratuurd geëvoceerd. [n1] Van Genderen had grote affiniteit met de décadence litteraire. Zijn levensloop bevat enkele van de meest uitgekauwde clichés daaruit: hij werd geboren op een riant buiten in Buitenzorg en groeide op in een villa in de buurt van Arnhem en was als kind als van broze gezondheid (zoals de meeste kindjes in de negentiende eeuw trouwens). Of De Van Genderen Storts en de De Nerée tot Babberichs elkaar kenden uit de Gelders welgestelde kringen van de jaren 1890 is mogelijk maar vooralsnog niet documentair te verifiëren. Het gezin Van Genderen Stort woonde vanaf 1899 in Amsterdam waar Reinier samen met P.H. Ritter het Gymnasium bericht. In 1904-’06 studeerden ze samen Franse Letteren. De Franse literatuur was, gecombineerd met een nihilistisch begrepen Nietzsche, zijn grote inspiratie.

  Financieel gesteund door zijn moeder zocht hij op zijn zestiende contact met Kloos, die aanmoedigend reageerde. Vanaf 1904 woonde hij in Scheveningen en lag net als De Nerée en Van Booven niet altijd op tijd in bed na een avond Kurhaus of Seinpost: ‘Mede door zijn ongezonde manier van leven leed Van Genderen Stort vanaf 1908 aan buien van melancholie. In 1910 werd bij hem syfilis geconstateerd, waardoor hij langzamerhand en in 1917 helemaal blind werd. Hierdoor werd zijn letterkundige arbeid zeer bemoeilijkt. Voortaan dicteerde hij zijn boeken en brieven en liet hij zich voorlezen, doorgaans door vriendinnen.’[n2]

 Klinkt een beetje à la De Nerée die rond zijn twintigste tbc kreeg waardoor de artistieke productie zeer bemoeilijkt werd evenals de vele vriendinnen. Art imitates life: De Nerée’s getekende universum is bepaald een somber universum. Dat komt niet omdat de maker ‘decadent’ was (een anno 2022 volstrekt betekenisloze term aangezien de negentiende-eeuwse morele connotatie nodig om dit etiket te kunnen plakken volstrekt vervlogen is) maar omdat hij ziek en somber was. Critici als Plasschaert en Stheeman hebben dat De Nerée’s ‘levensnegatie’ genoemd. Die levensnegatie is het hoofdthema van de sleutelroman Het Eerste Principe die Adriaan David van der Gon Netscher in 1903 publiceerde. ‘Het Eerste Principe’ is een soort Nietzschiaanse wille zur macht die bij de meeste mensen positief is. Bij de op De Nerée gebaseerde hoofdpersoon Van Welderen is deze echter volstrekt negatief:

‘Van Welderen is een vale gele Londense mist,’ hoorden we op een goede dag Rine bitter zeggen, ‘vertrouw hem maar nooit: koud, laaghartig, tot het einde toe gewetenloos, en tot in essentie rotstof. Het wezensbestaan, ons diepste ik, ons Eerste Principe, dat wat we bij ons positief en als een licht hebben, is bij hem negatieve duisternis.’[n3]

De Nerée in 1901

Deze levensnegatie is eveneens de grondtoon van vrijwel al Van Genderens literaire werk. Zijn ooit bekendste boek is de roman Kleine Inez, voor het eerst verschenen in 1925 en laatstelijk in 1984 als klassieker herdrukt in de Nimmer dralend-reeks. Curieus genoeg meldt de achterflap dat de roman, die eindigt met de eerste wereldoorlog, speelt in het Den Haag van rond 1920. Dat moet natuurlijk zijn: het Den Haag van rond 1900 en dan in het bijzonder het aristocratische Den Haag van De Nerée. Diens milieu vecu (Dresden) wordt op literaire wijze geëvoceerd en voor de goede lezer niet, zoals in de handboeken doorgaans staat, op naturalistische maar op decadente wijze.[n4] De tekst barst van het levensnegatie-discours. Er zijn nadrukkelijke verwijzingen naar een komende ondergang van de Europese beschaving, het niet kunnen krijgen van ‘zuivere kinderen’ en iemand is ‘lang en slank geworden en had de kwijnende distinctie, die aan laatste telgen van vermoeide geslachten eigen kan zijn.’ Dit alles literair gedecoreerd door verwijzingen naar schrijvers als Barbey d’Aurevilly en Wilde. Zo is een personage ‘behept met literaire zin en las Oscar Wilde in een Hollandse vertaling.’

Het fatalisme komt tot uiting in de gespiegelde lotsbestemmingen van de opeenvolgende generaties waar zij zich met een esthetisch genoegen bij neerleggen: ‘Hij zou het niet erg vinden als leraar in een kleine stad geplaatst te worden en, wonend aan een oude gracht, waarover hij elke herfst de gele bladeren kon zien vlinderen, een leven van studie en bespiegeling te slijten.’ Titelheldin Inez heeft veel weg van een femme fragile: de vrouw als fragiel ornament. Vanwege haar teer gestel ziet ook haar geliefde Peter af van de zinnelijke liefde: ‘De zin van het huwelijk, zo meende hij, was de dood van de zinnelijke liefde; pas wanneer de hartstochten het geestelijk leven niet telkens verstoorden, was het geluk mogelijk, waarvan de geliefden tot dusverre alleen de afglans hadden gekend.’ Achter dit geromantiseerde beeld van het afzien van seksualiteit zit wellicht ook hier het ontkennen/weigeren van de vrouwelijke seksualiteit en de eigen worsteling met (homo)seksualiteit dat de schrijvers uit het ‘decadentisme’ (vooral na het proces tegen Wilde de term voor homoseksualiteit) gemeen hadden.

De Nerée Idée sur la Fête de Narcisse Aquarel, Montreux, voorjaar 1904. Part. coll.

Dat decadenterige zit in vrijwel al Van Genderen Storts proza. Zijn Grijsaard en de jongeling (1919) bevat nadrukkelijke referenties naar Huysmans en Barrès en was volgens Den Gulden Winckel dan ook een ‘ongetwijfeld decadente boekje – de levensbiecht die de grijsaard aan de jongeling doet en waarin die jongeling zijn eigen leven ziet weerspiegeld’ en hoewel het niet ‘uitsluitend decadent is’ is de ‘het levensverhaal van den hyperverfijnde mens’.[n5]

Die hyperverfijnde mens is ook te vinden in het verhaal ‘Een nachtwake van Lambert Brodeck’ uit Van Genderen Storts tweede bundel Paul Hooz & Lambert Brodeck (1913). In dit verhaal pleegt het Haagse aristocratische heerschap Brodeck op cerebrale wijze, want weloverwogen, ongestraft een moord op een stroper. Een volstrekt vergeten Nederlandse variant op Camus’ Meursault (L’Etranger, 1942) en Dostojevski’s Rasknolikov (Misdaad en straf, 1866) die beide eveneens een absurde, filosofisch gemotiveerde misdaad plegen. In een bespreking van de bundel in De Hofstad van dit ‘wel heel precieus-decadente’ werk legt Anton Zelling een direct verband met De Nerée. Hij doet dit met een opvallende vanzelfsprekendheid, zo voldoet enkel de achternaam. Zelling was in 1890 geboren en zal de kunstenaar niet zelf gekend hebben maar in 1910-’14 was in elke grote Nederlandse stad de postume overzichtstentoonstellingen te zien en een beetje kunstliefhebber kende De Nerée’s werk ondertussen:

Hij [Van Genderen] doet het voorkomen, of zijn schrijverschap meer berust op literaire eruditie dan op vrije dichterlijke kracht. Op dàt plan moet men dan ook de schetsen bezien en kan men ze ook eerst waarderen. Knap is ‘Een nachtwake van Lambert Brodeck’. De Nerée zou zulk een schets cerebro-sensueel genoemd hebben. Ze is met het intellect geschreven, doorspekt met cynische gespreksrepen, koel-voornaam en strak van contour, onbegrijpelijk vreemd, onaf als een fantasie van Poe, waarmee deze schrijver zekere trekken gemeen heeft.[n6]

Het ‘onaffe’, ‘cynische gesprek-reepen’ roepen associaties op met De Nerée’s kunst van het onvoltooide en zijn welbekende welbespraaktheid. Poe werd bewonderd door De Nerée en zijn makker Henri van Booven, die in 1910 de inleiding bij de Wereldbibliotheek-uitgave van Poe’s verhalen schreef. In 1907 had Van Booven het Poe-eske bundeltje Sproken geschreven.

Het ‘cerebro-sensuele’ komt uit Van Boovens In Memoriam voor De Nerée in Elsevier’s in oktober 1911:

‘Heel de voorkeur van de kunstenaar voor de zwoelte van bedacht-zinnelijke, wellustige, zondige buitensporigheid, De Nerée zelf noemde zijn kunst een ‘cerebro-sensuele, had hij er [de tekening Le jardin des supplices, 1899, Rijksmuseum, Amsterdam] alreeds in tot uitdrukking gebracht, hoewel de opzet minder was geslaagd.’

Portretstudie (Therese von Bernuth). Potlood en pastelkrijt, Arosa, najaar 1903.

Van Genderen Stort zet met Brodeck een type neer à la De Nerée. Brodeck is ‘het type van een aparte en superieure menselijkheid’ met een ‘hoge achting voor zijn eigen persoonlijkheid.’[n7] Let op het woordje ‘superieur’. De Nerée’s lijfspreuk was ‘Een superieure geest laat zich niet beledigen.’ De ondertitel van Het Eerste Principe is: ‘Een superieure roman’, waarin we lezen:

‘Van Welderen is in elk geval toch een bijzonder superieure geest.’ (…) Juist omdat hij zo eminent is, is hij zo gevaarlijk. Hij fascineert je als een Egyptische basiliek; onbewust doorsijpelt zijn geest je met negativiteit, met leegte. Voor je het weet eet hij je ziel op.’Maar wij hielden Van Welderens ‘negativiteit’ nooit voor anders dan artistiek.[n8]

Andere personages hebben ook De Nerée’-esque trekken, zoals Brodecks vriend Olivier: welbespraakt, ziekelijk, ijdel, vrouwenmagneet, cerebraal. En Oliviers ‘organisme’, gezondheid en zenuwgestel worden overvallen door een vreselijke ‘kwaal’ en hij heeft ‘voortdurende vrouwenaffaires’ die hem doen verwarreen in ‘psychische verwikkelingen, die weer lichamelijke complicaties ten gevolge hebben.’[n9] Zijn zinnen zijn ‘verfijnder, verhitter’ dan wanneer hij ‘normaal’ is en hij vraagt zich af:

Is ‘r misschien in de glans van mijn ogen, in de klank van m’n stem, in m’n gang, m’n gebaar, ja, in m’n hele intellectualiteit ik weet niet welke onbestemde, onbepaalbare verleidelijkheid, gelijk immers, zegt men, ook teringlijders, met name door zekere, bijzondere ogengloed ’n zo opmerkelijke invloed over vrouwen kunnen hebben? Dan is ’t bevreemdende dit: M’n gevoelsbetrekkingen tot die vrouwen zijn, welbeschouwd, van ’n inferieure orde, wat vulgaire sentimentaliteit, gekruid door cerebrale uitwerkselen van ’n psychologische fijnproever… Van ’n dolle hartstocht kan ook geen sprake zijn; er zijn altijd andere vrouwen, die ‘k veel heftiger begeer… Wanneer ‘k gezond was, zou ‘k los van ze zijn, maar omdat ik nevropaat ben, voel ‘k me, om ’n onverkwikkelijk, maar overigens overdrachtelijk bedoeld beeld te gebruiken, aan ze vastgekleefd…’t Enige, wat ‘k heel positief voel te midden deze wonderlijkheden is m’n ijdelheid, zo zot, zo dom, dat die tenslotte ook niet anders dan pathologisch is.[n10]

Lambert Brodeck is van allen de meest esthetische aristocraat:

Vroeg reeds rijpte in hem de overtuiging, dat het esthetische zich tot het ethische verhield gelijk de oorzaak tot het gevolg. Het dacht hem buiten twijfel, dat elke esthetische geest een zekere ethische waarde vertegenwoordigde en dat dus, strikt genomen, het wezenlijk ethische door het wezenlijk esthetische werd bepaald.[n11]

Brodeck is als De Nerée van jongs af aan onafhankelijk en voornaam:

Hij behield, zo in de kleinere als in de grotere verhoudingen des levens eenzelfde, voorname houding. Maar deze houding was niet het uitwerksel van verstandelijke overwegingen; zij had zich, integendeel, als natuurlijk voorrecht van een gerijpte en verfijnde aristocratie kenbaar gemaakt reeds in de eerste kinderjaren.[n12]

Nacht-idée (serie Nocturnes) O.i. inkt en zilververf, Den Haag 1901/Montreux voorjaar 1904.

Als in Pathologieën en Het eerste principe wordt het literaire alter ego van De Nerée geassocieerd met ‘demonische’ zaken.’[n13]  Een demonie die als een pars pro toto voor De Nerée’s kunst kan worden gezien waarin beredeneerd en op rationele wijze de ‘duistere’, (lees: erotische) kanten van de mens worden getoond. Dat wordt al snel ‘immoreel’ gevonden. Typerend is wat Van Eeden onder het begrip verstond: ‘Ik noem die verschijnselen demonisch, die bij ons den indruk wekken dat zij zijn uitgevonden of tevoorschijn geroepen door intelligente wezens van een laagzedelijke orde.’[n14] Deze demonie leidt net als in genoemde romans tot directe of indirecte dood door schuld.

 Ondanks Brodecks klinisch-cynische houding tegenover de vrouw is er één vrouw die wel voldoet. De getrouwde mevrouw Stavenaer is de enige vrouw voor wie Brodeck ‘zo zacht’ is omdat: ‘t ’n ongemeen en superieur aristocratische natuur was….’t Is misschien de enige vrouw, die me nooit heeft geïrriteerd.’[n15]

Dit roept associaties op met De Nerée’s vriendin Hermine Schuylenburg, zijn ‘vaste stek’ waarbij hij steeds weer terugkwam na de zoveelste affaire met al dan niet getrouwde vrouwen. De grote Haagse roddel dat De Nerée tegen betaling een kind bij haar zou hebben verwekt is waarschijnlijk de aanleiding geweest voor Het Eerste Principe. De Nerée ontmoette Schuylenburg op een bal bij Myosotis in de winter van 1901. Mysosotis was een dansclub in de Wassenaarse duinen waar welgestelde Haagse jongeheren en -dames huwelijkspartners zochten. In van Genderens verliteratuurde spiegel van dat Haagse wereldje heet het:

Brodeck had haar de vorige winter op een festijn ontmoet. Op twee en twintig jaar was hij door zijn grote naam en de roep zijner grote gaven omstraald door de roem, die de natuurlijke verleidelijkheid van helden, in de ogen van de tot liefdevolle verering geneigde vrouw op het kostbaarst verfijnt. Hij was de mooiste man op het bal. Zij zag hem gemerkt met het teken der grote persoonlijkheden. Hij werd de grote passie van haar leven en haar liefde verinnigde en versterkte zich, naarmate zij besefte, dat zij hem toch eigenlijk nooit zou winnen, dat hij in waarheid los van haar bleef, meester over zijn harstocht, gelijk hij meester was over haar, en dat, wanneer het moest of slechts wanneer het hem lustte, hij haar aanstonds verlaten zou zonder smart.[n17]

Ik ben me als immer bewust van de biografische hineininterpretierung waaraan ik me honderd jaar later deels schuldig maak maar in 1916 werd de parallel tussen de literaire wereld van Van Genderen en de werkelijke van De Nerée ook al getrokken. Dat werd De Gulden Winkel naar aanleiding van Van Genderens roman Hélène Marveil.  De genoemde Coenraads is Eduard Coenraads (pseud. Pieter Endt, 1883-1936): schrijver van de kunstenaarsroman Eiland van geluk (1920) en goed ingevoerd in de moderne letteren en kunst. Zo had hij in 1908 een van de weinige genuanceerde en positieve besprekingen van De Haans Pathologieen geschreven. De Gulden Winkel:

R. van Genderen Stort vervolgt zijn roman Hélène Marveil, waarvan – aldus schreef de redactie van De Hofstad – ‘de figuren Brodeck, Egbert Rivalen, Olivier Morgan en andere uitheemsnamige personages stof zouden kunnen leveren voor Ed. Coenraads’ beschouwing over ‘de gestalte van den Übermensch in de moderne literatuur’. De schrijver noemt vaak de karakteristieke term ‘cerebro-sensueel’ voor zijn experimenterende levenskunstenaars – een term, van Henri van Booven herkomstig uit diens artikel over Karel de Nerée, een artist die het niet onaangenaam gevonden zou hebben een tijd onder deze spichtig-intellectuele dandies te toeven, en dat ook wel gedaan zal hebben.[n18]

De personages Brodeck en Rivalen komen Hélène Marveil weer voorbij. De roman speelt zich af in sjieke kringen in Den Haag en Scheveningen (Seinpost) en de bekende topoi worden ook hier genoemd: er wordt gerefereerd naar Maurice Barrès, personages zijn ‘demonisch’, Hélène heeft een ‘perverse natuur’ voor wie de man een slaaf is. De schoonheidscultus wordt vooral door Rivalen beleden. Rivalen heeft daarbij een ‘voorliefde voor stoïsche negatie’.[n19] Marveil is een ‘ vreemd meisje’ dat bevangen wordt door ‘een vreemde hartstocht’ voor de fatale man Brodeck die uiteindelijk (indirect) de schuld is van haar zelfmoord.

Van Genderen Stort laat Rivalen De Nerée-esque alleenspraken houden incluis wederom de termen cerebrosensueel en superieur:

-Zie je, ’t vermakelijkste misschien van die wat je zoudt kunnen noemen cerebro-sensueele snakerijen, waarin jij nu weer rondslaat, is misschien ’t ontstellend quantum phraseologie, dat je ten koste legt om ten slotte je eigen figuur te redden… Je gedraagt  je bijna bij voortduring als ’n imbeciel, je slaat keer op keer ’n karikaturaal figuur en je weet toch overtuigd te houden, dat je je superioriteit op voorbeeldige wijze realiseert.[n20]

Zijn al even bijdehante gesprekspartner antwoord op deze boutade:

Ik heb dergelijke geneugten moeten prijs geven. Ze vergden te veel van m’n zenuwkracht, ze verlamden m’n werkvermogen, en, aldus gehandicapt, bleef ik telkens in gebreke ze te bepalen, te beperken in hun cerebro-sensuele verhoudingen zonder meer.[n21]

‘En dat ook wel gedaan zou hebben’, schreef De Gulden Winkel.  Dat kan natuurlijk niet, mingelen met romanpersonages maar de recensent bedoelt wellicht dat er in Van Genderens proza een flinke vleug Haagse werkelijkheid zit. Er zijn geen documenten waaruit contact tussen Van Genderen en De Nerée blijkt. Dat Van Genderen minstens van De Nerée’s bestaan wist is waarschijnlijk. Het zou eerder vreemd zijn als het niet zo was, want heel het kleine stadje Den Haag kende hem. Zo herinnerde een journalist zich in 1912: ‘De meisjes dorsten nauwelijks meer uit te gaan, uit angst Kareltje de Nerée te ontmoeten’, want ‘die ving je op elk woord. [ … ] Hij moest schitteren, verafgood worden op avondjes. Iedereen moest over Kareltje de Nerée spreken.’[n22] En uit het In Memoriam van zijn danspartner in het Kurhaus, de dichteres Jeanne C. van Leyden, lezen we dat hij opzien baarde ‘door zijn uitzonderlijke kleding en de verhalen, die over zijn literaire werken verteld werden’.[n23]

Het gaat hier dus niet om de kúnstenaar De Nerée. Stel dát Van Genderen hem kende dan kende hij de socialite De Nerée die zijn tekeningen alleen aan vrienden en enkele bekenden liet zien of schonk. Dat Van Genderen daartoe behoorde lijkt mij onwaarschijnlijk. Het kan natuurlijk wel dat nog niet blinde Van Genderen een van die tekeningen heeft gezien. Haagse kunstenaars en bohemiens als Gerard Gratama, Claartje Rijnbende, Gustaaf van der Does of Hermine Schuylenburg bezaten De Nerée’s werk al tijdens diens leven. Rond 1916 kwam Van Genderen Stort samen met Van Eeden, Rie Cramer en Couperus regelmatig samen bij kunsthandelaar d’Audretsch op de Hogewal, vlak naast Louis’ huis. D’Audretsch had een enorme collectie De Nerée die hij regelmatig exposeerde en verkocht maar tegen die tijd was Van Genderen geheel blind dus hij heeft alleen beschrijvingen door anderen kunnen ‘zien’.

Het is wel te documenteren dat hun netwerk althans deels overlapte waarschijnlijk want Van Genderen had een in Scheveningen wonende zus die in de Haagse muzikale wereld actief was. Deze A.P. (voornamen mij onbekend) was vanaf augustus 1906 gediplomeerd lerares piano Lager Onderwijs.[n24] Wellicht verkeerde zij in de zelfde sociale kringen als Jeanne van Leyden die in 1906 aan het Haagse conservatorium haar examen aflegde voor solozang.[n25] Daarnaast hadden zowel Van Leyden als Reinier van Genderen Stort in 190 in De Arbeid gepubliceerd: Van Leyden verzen en de pas zestienjarige schrijver twee boekbeoordelingen en de schets Berusting. Die overigens met een motto uit Extaze van de door hen allen bewonderde Couperus.[n26] Bij dit alles moet wel gevoegd worden dat vanaf september 1901 tot aan zijn dood in oktober 1909 De Nerée meer tijd doorbracht in kuuroorden in Zwitserland en elders. Wel bracht hij de zomers en soms enkele andere maanden van het jaar door in Den Haag. En tevens: als Van Genderen nooit een seconde van De Nerée heeft gehoord heeft hij nog steeds De Nerée-esque types beschreven die het beeld van de echte De Nerée op literaire wijze iets uitdiepen.

Jan Toorop, bandontwerp voor Ed. Thorn Prikker (red.) De Arbeid.

Tenslotte: De Nerée was natuurlijk helemaal niet duivelse of demonisch of ubernegatief of wat ook. Feit is wel dat uit zijn toch aanzienlijke hoeveelheid verliteratuurde optreden steevast dat beeld komt. Ook iemand als Van Booven die hem goed gekend heeft vond dat, zoals blijkt in een brief aan Herman Robbers van eind 1910 wanneer hij zijn herdenkingsartikel voorbereid: ‘Het is mij onmogelijk zijn allerwonderlijkste samengestelde persoonlijkheid hier met een paar woorden aan te duiden. Alleen dit: hij was een man die totaal zonder affectie leven kon, hij wist dat er veel mensen zich voor hem interesseerden, hoe onsympathiek en ondoorgrondelijk hij zich ook aan eenieder voordeed.’

Interessant natuurlijk en in de grote biografie zal ik dat alles nog veel gedocumenteerder en genuanceerder dan hier grondig analyseren op een even belangwekkende als leesbare wijze. Ook mij is het hier onmogelijk zijn allerwonderlijkste samengestelde persoonlijkheid met een paar woorden aan te duiden, hoewel dit artikel meer dan drieduizend woorden telt waarin de persoonlijkheid zélf nog amper aan bod kwam. Dat leest u loop volgend jaar wanneer deo volente de handelseditie verschijnt maar in mijn grote biografie. Met héél veel kunstplaten, want daar gaat het uiteindelijk toch om (in het leven en elders).

Noten

1.Biografische bron: H.W. Hilberdink, ‘Genderen Stort, Reinier Johannes Willem van (1886-1942)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/genderen [12-11-2013]

2.Hilberdink, Van Genderen

3.Steengracht 1903/heruitgave 2021, p. 8.

4.Zie ‘Reinier van Genderen Stort – Kleine Inez’ https://rond1900.nl/?p=13473.

5.Bron ‘Polderdecadentisme (6)’ https://rond1900.nl/?p=311 (4 januari 2007).

6. A.[nton] Z.[elling] ‘Boekaankondiging’, in: De Hofstad 28 juni 1913.

7. Paul Hooz & Lambert Brodeck. Rotterdam, Brusse, 1913, p. 108.

8. Steengracht 1903 p. 8.

9.Paul Hooz & Lambert Brodeck. Rotterdam, Brusse, 1913, p. 109.

10.Paul Hooz & Lambert Brodeck, p. 110.

11. Paul Hooz & Lambert Brodeck., p. 128

12. Paul Hooz & Lambert Brodeck, p. 129.

13. Cf. p. 137, 143-144.

14. F. Van Eeden ‘Over dromen’, geciteerd naar Fontijn 2015, p. 193.

15. Paul Hooz & Lambert Brodeck., p. 144

16. Paul Hooz & Lambert Brodeck. p. 143.

17. http://www.dbnl.org/tekst/_gul001191601_01/_gul001191601_01_0017.php?q=

18. Helene Merveil 1917, p. 102.

19.Van Genderen Stort 1917 p. 99

20.Van Genderen Stort 1917 p. 101-102.

21.Capet, ‘Uit Holland’, Bataviaasch Nieuwsblad 17 oktober 1912.

22.Anon., ‘Jeanne C. van Leyden †’, Het Vaderland 14 februari 1939 Av.

23. Cf. ‘Examen Nederlandsche Toonkunstenaars Vereniging’, Algemeen Handelsblad, 2 augustus 1906.

24. Zie Caecilia. Algemeen muzikaal tijdschrift voor Nederland, jrg. 63, 1906, nr. 2.

25. De Arbeid, 4e jrg. 1901, p. 428 ff. & 234ff.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *