Vorstelijk-dichterlijke teksten van een lettergoochelende bosgeest

Onovertroffen Poëtica
Het is weliswaar alweer enige maanden geleden, maar we hebben u toen beloofd ooit weer aandacht te schenken aan de poëtisch-dichterlijke schitteringen in de vorm van onbedaarlijke pracht-poëmen, die alleen met pleonasmen, tautologieën en hyperbolen, en zelfs dan nog zeer vaag, te omschrijven zijn, in een halfhartige poging u te doordringen van de intense diepte der gevoelens en al die talrijke, daar weer uit voortvloeiende, kreetslakingen van de zodanig druk gepubliceerd hebbende vorstin die niet alleen de naam Sylva droeg (voor Bos of woud — in de vergrotende trap Wouter), maar ook nog eens met de voornaam van Carmen (voor lied — ach, zeg maar versje) was opgezadeld, hetgeen er eenvoudigweg wel toe heeft moeten leiden dat zij Bor de Wolf èn zonder twijfel de onnavolgbaar neurotische Juffrouw Mier in dat geheel eigen woud-gebeuren ooit zal zijn tegengekomen. Bien étonné(e)s de se trouver ensemble.

Immers, als dat bovengenoemde wolvendier eenmaal weer naar het Enge Bos was vertrokken, spatte onverhoeds, doch niet onverhoopt, zijn super-de-luxe dichtader weer open, en kon hij zelfs niet meer in gewone wolventaal zijn collega’s uit het Praathuis tegemoet treden.
“Wat wildet Gij?” luidde, eenmaal in een dergelijke vlaag, zijn vraag, welke ook passend is voor het letterlijk on-eindige dichtwerk van de Roemeense vorstin, die maar niet wist wanneer zij, de steeds opnieuw onovertroffen, vlaag van letterplaatsingen moest staken, doordat zij in zulk een hardhouten houdgreep van die extreme dichtkunst gevangen zat. Kortom, zij was reeds een ware verslaafde die, mede gezien haar vorstelijke status, nimmer in aanmerking is gekomen voor een, te dien dage nog waarachtig niet op gang gekomen, adequate verslavingszorg.

Jaarkroniek
Reeds eerder hadden wij u verklapt dat de bundel van deze mevrouw — welke de titel draagt Mijne Rust — een bewerking van de oorspronkelijke teksten vormt, door ene Fiore della Neve, in een in 1886 uitgegeven boek door H. Pijttersen Tz. te Sneek, wiens naam men ook wel aangekondigd ziet met een Y — maar ja, tegen het einde van de voor-vorige eeuw kwam men wel meer ‘wondervreemde geruchten’ tegen. Enfin, in de bewuste bundel heeft mevrouw de vorstin voor elke maand de nodige teksten laten opnemen, en wij van Rond1900 zijn reeds diverse malen zo ruimhartig geweest u daarin, zij het in relatief bescheiden mate, mede te laten delen. Soms werd echter de emotie zelfs ons te machtig en hebben wij wel eens een maandje overgeslagen. Bovendien heeft de auteur zelf de hele maand Augustus volkomen genegeerd, waarschijnlijk omdat zij met vakantie was, dan wel doordat zij intensief vampierenonderzoek in het Transsylvanische heeft gedaan, of zelfs zich heeft verlustigd aan ontspanning schenkende bezigheden. Gelukkig heeft ze dat in het hoofdstuk dat de maand September behelst, weer ruimschoots goedgemaakt, door daar meer dan dertig hele blazijden vol rijmkronieken te laten drukken.

Snikken en snuiten
Sommige daarvan vergen echter zoveel van onze, in de loop der tijden zo erg diep verzonken geraakte, snik- en snuitmechanismen dat we niet in staat zijn deze hier over te nemen zonder in ernstige geestelijke nood te geraken, en nu ook de bureauredacteur van dit, uw totaal eigen, cultuurmedium afwezig is en ons derhalve niet op gepaste wijze kan troosten, houden we het op vooreerst aanvaardbare teksten, welke na genietingen door de ongetwijfeld grote schare bewonderaars van Onze Tante Carmen, eventueel alsnog aan de peristaltiek kunnen worden prijsgegeven. Ergo, lees (en, eventueel, herlees) de daverende dichtwerken, welke wij voor u gewetensvol hebben geselecteerd, alvorens u zich overgeeft aan één of andere hapklare brok welke vergetelheid belooft.

September
Al dadelijk pakt de schrijfster in de maand September indrukwekkend-visionair uit met het prachtgedicht Noordsche Liefde waarin

. . . ’t geldt de Edda te redden

Dat niet der Christenen vlam haar vertere
Dat niet der Christenen kruis haar bezoed’le

Nou weet ieder, die het wil weten dat men aan de heidenen is overgeleverd, indien men zo dom is zich met — weliswaar niet alle, maar toch hele scharen van — christenen in te laten, en zulk een diep-doorwrochte tekst van de pausin onder de vorstelijke scribenten toont dat ook zij zeker eveneens heeft ingezien dat een speciale eenheid van de zedenpolitie in dat Noordsche daar eigenlijk wel enige hand- en spandiensten had kunnen verrichten. Doch zulks is, zoals gebruikelijk, wijsheid achteraf, waaronder wij allen, ook heden ten dage, dikwijls heel zwaar gebukt gaan. Maar gelukkig behoort Carmen Sylva tot de optimisten onder alle niet klein te krijgen dichtervorstinnen, en dat merken we enkele regels later, als zij ons verklapt:

Floki schonk vleuglen der vluchtende vloot,
Beelden van blijdschap deed hij haar blinken,
IJlend naar IJslands ijzige schoonheid . . .

Zegt u nu eens zelf: is er een ware dichter, meer nog een dichteres, anno nu denkbaar die dergelijk fraaie stafrijm-strofen nog zou kunnen creëren? Na vier, voor poëzie wel zeer dicht bedrukte, pagina’s te worden onderhouden over hoe het met die specifieke liefde van onder meer Ragnar en Harald was gesteld, daar in het verre Scandinavische, gaat de pennenvoerster weer over in kwatrijnen met als overkoepelende titel Roxandra, waaruit wij slechts één der 37 kwatrijnen, verspreid over zeven bladzijden — die maand schiet dus zo wel lekker op — zullen citeren, om u een beeld te schetsen en tevens in de hoop dat u goede moed houdt. Mede daarom hebben wij niet de dreigendste geselecteerd:

Lees ook:  'Herfst'

Ginds in het boschje wacht mijn hengst,
Hij brengt de beek u door;
In duizend gouddukaten ’t loon,
O, red uw hoofd ervoor.

U moet het mij maar niet kwalijk nemen, doch even schoten de namen van Wouter Bos en Jan Pronk mij door het hoofd, maar dat zal wel een direct gevolg van de actualiteit zijn, die zich in mijn bosje heeft genesteld. Maar die vele kronkelwegen in mijn hoofd waren geen lang leven beschoren toen ik de laatste vier regels tot mij liet komen; ik was weer snel genezen!

Zij echter sprak: “Mijn dank, gij hebt:
Mij thans aan hem gegeven!
Ik kus hem gaarn’; k behoor hem thans
Voor ’t gansche lange leven!”

Maar Carmen Sylva zou niet de doorzettende lettertoveres zijn, welke zij waarlijk is geweest, als zij niet haar bonte scala aan weidse veelzijdigheid eveneens in deze maand voorwaar had tentoongespreid. Zo leren wij in acht kwatrijnen één en ander over Een zoon voor ’t vaderland, en maakt zij ons deelgenoot wat zich er Op het Bal tussen twee rivales afspeelt: de éne vrouw heeft hem, de andere had hem. En dus hoef ik verder niks uit te leggen. Zeker niet als u thans verneemt dat een ruim drie pagina’s lang poëem over De Schikgodinnen volgt. En alsof dat dan nog niet genoeg is voor een hele maand — mevrouw heeft heel wat meer geschreven, en als we blijven steken in haar poëzie, hebben we geen gelegenheid meer om kennis te nemen van haar eventuele andere meesterwerken —, komt er nog een bijdrage over de Walkyre, een andere over Louis Napoleon — ze kende in haar vorstelijke hoedanigheid alle gekroonde hoofden van heel deez’ aard’ — en dan, Zonder Klacht belandt zij Aan het Meer, waar een gedegenereerde schutter

“Getroffen!” juicht
. . .
“Vlug in de boot, mijn schone bruid!

De nevel helpt ons vluchten!”

Dan volgt Het Standbeeld, een gedicht ter ere van de Schotse poëet Robert Burns, die ooit Hooglands roem was en onder tranen ’t graf was ingedragen. Genoeg! Niet meer huilen, beste mensen. En wat denkt u, is Carmen dan voor de maand met de naam, die de onze thans ook draagt, gereed met haar Scrabble avant la lettre? Nee hoor, ze is een vasthoudend tantetje geweest, die verzen wrochtende adelsvrouwe. Wij moeten nog een Executie bijwonen, en dan nog lezen over die vreselijke man uit de Genesis-Oudheid — u weet wel, over wie een bakker in het Drentsche van een eeuw geleden reeds adverteerde met:

Kaïn die sloeg Abel dood en hier verkoopt men roggebrood.

Als je die talrijke diepten der zielen aan je voorbij laat trekken, kun je ook wel begrijpen waarom Sigmund Freud toen zo populair, en eveneens omstreden, werd en bleef. Na die ezelskinnebak mededragende broedermoorder volgt een mooi stuk over Vrouwenhanden waarover de vorst net nog heeft gezegd dat de houdster daarvan onverbiddelijk zal worden ontslagen indien zij iets duurs/moois/onmisbaars breekt. . .

“Toch is ’t gebeurd . . . Haast rooft mij
De ontzetting het verstand . . .
De suikerschaal . . . daareven
Ontglipte ze aan mijn hand!

Hoewel het allemaal driftig verder gaat, weigeren hier de vingers die moeten kiezen op het toetsenbord, hun dienst, omdat de “vorst geen straf geschonken heeft”. En daarom rest ons weinig anders dan u in-en-in vertrouwd te maken met de inhoud van dat éne dichtwerk voor September, dat wij hier in zijn geheel zouden durven opnemen, doch aangezien dit om een Moordenaar gaat en wij bang zijn dat de bureauredacteur, straks met nieuw gevulde (bal)pen eenmaal teruggekeerd, ons bestraffend gaat aanschrijven, als een soort Wouter Bos van dit cultuurtijdschrift, en wij dat willen vermijden, laten wij die Moordenaar voor wie en wat hij is. Daarom eindigen wij hier en nu met twee strofen uit Godenkinderen. (U schrijft ons wel als u de rest ook afgedrukt wenst te zien.)

De zon zinkt weg in majesteit;
Haar rode vuurgloed kleurt
Het venster, waar een koningin
In stillen weemoed treurt.

Zij zucht “Hoe eenzaam is ’t paleis,
Geen kind speelt om mij heen,
Op ’t oorlogsveld is mijn gemaal
En ik ben gansch alleen! . . . “

Wij gunnen u al die resterende twaalf kwatrijnen maar wat graag, doch menen dat u hier eerst wel voldoende materiaal heeft om zowel psychologisch alsook poëtologisch, en eveneens adellijk-maatschappelijk, te analyseren. Veel, heel veel sterkte daarbij!
___________
Afbeeldingen
Net als dat in de drie bijdragen over Charles Ives en zijn muziek het geval zal zijn, zal al het bijbehorende, overige illustratiemateriaal in dit artikel worden geplaatst na de hergeboorte van de positie van bureauredacteur, welke echter alleen kan worden gerealiseerd als de vroegere functionaris eenmaal in de tweede helft van deze maand als compleet herboren zijn stiel, in het kader van dit onnavolgbare tijdschrift, weer zal oppakken.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.