‘Merkwaardig proza’ van De Haan en Couperus

Pas bien étonnés de se trouver ensemble: Jacob Israël de Haan en Louis Couperus. Hoewel Neerlands twee meest decadente schrijvers tegenwoordig vaak min of meer in een adem genoemd worden, was dat in de tijd zij hun meest decadente en fraaiste werken publiceerden niet het geval. Mij waren tot voor kort althans geen contemporaine beschouwingen bekend waarin de twee nerveuze letterheren naast elkander gelegd werden. […]

Pas bien étonnés de se trouver ensemble: Jacob Israël de Haan en Louis Couperus. Hoewel Neerlands twee meest decadente schrijvers tegenwoordig vaak min of  meer in een adem genoemd worden, was dat bij mijn beste weten toen zij hun meest decadente en fraaiste werken publiceerden niet het geval. Mij waren tot voor kort althans geen contemporaine beschouwingen bekend waarin de twee nerveuze letterheren naast elkander gelegd werden. Onlangs stuitte ik echter in de tijdschriftenrubriek van het ‘Maandschrift voor de huiskamer’ Op de hoogte — redacteur: J.C. de Waal — op een opvallende beschouwing door ene W. van Ree (5e jrg, 1908, p. 274). Hierin vergelijkt hij de voorpublicaties in De Nieuwe Gids en Groot Nederland van respectievelijk De Haans roman Pathologieën en Couperus’ verhaal ‘De hoogere onbewustheid’ (pas veel later gebundeld in Proza, 1923). In deze voor zover ik weet dus onopgemerkt gebleven tekst komt opvallend genoeg Couperus ‘slechter’ uit de morele strijd dan De Haan, en wordt het zo omstreden Pathologieën vanuit literair oogpunt eigenlijk wel gewaardeerd. Ik laat de tekst hier in zijn geheel volgen:

Merkwaardig proza is er van Jacob Israël de Haan, bizonder van fijnheid, vreemd-broos, suggestief van stijl, met ’t benauwend gegeven van “Pathologieën”. Het abnormale van zijn held geeft de auteur als bij dezen normaal, als iets, waarover hij zich geenszins verwondert of behoeft te verwonderen en zoo sterk suggestief is zijn beelding, dat ook de lezer, geimponeerd, ’t verhaalde als iets natuurlijks voelt bij deze gedegenereerde, al is ’t natuurlijk dan ook afschuwelijk. Van de “ergerlijke dingen die de held zegt met dezelfde kalme beleefdheid, waarmee een ander behoorlijke dingen zegt”, volgen er hier een tweetal: “Ik ben altijd blij, als er iemand dood gaat, van wien ik veel houd, want dan word ik verlost van mijn voortdurende doodsangst, dat zoo iemand sterven zal”. “Ik vind iederen moordenaar een sympathiek mensch. Ik zou zelf ook heel graag eens een moord doen, want dat is een geheel nieuwe gewaarwording voor mij … en het is heel moeilijk een nieuwe gewaarwording te vinden … maar ik durf het niet goed … ik ben bang voor de straf, hoewel ik geloof, dat men mij wel ontoerekenbaar zou willen verklaren … ik heb zooveel verdachte dwaasheden in mijn leven gedaan … daar achter ben ik veilig, naar ik meen … ik zal er bij gelegenheid een rechtskundige en een geneeskundige over raadplegen, en als die vinden, dat ik het veilig doen kan, doe ik het”.
Wat geaardheid aangaat, is er analogie tusschen De Haan’s “Pathologieën” en den pathologischen toestand, dien in snijdige, bewonderenswaardige, direct-aandoende taal Louis Couperus beeldt in “De Hoogere onbewustheid” (Groot Nederland). Alleen: ’t zeggen is hier brutaler, zonder de intimiteit van uiterst ziekelijke verfijning, en wat inwerking op den lezer betreft, daardoor te gevaarlijker. In de “ikheid” die hier heet te spreken, is iets satanisch pervers, een afschuwelijk-opene brutaliteit, een zich vermeien in ’t plomp-verloren uitzeggen van eigen dierlijke instincten, afwezigheid van àlle moraal, een als vanzelfsprekend aanvaarden van ’t gevoel der anti-moraal in elk opzicht, zoodat met een zelfde vrijmoedigheid, als waarmee een sigaar wordt aangestoken, een moord zal gepleegd worden of diefstal en inbraak; er is absolute afwezigheid van àlle geweten, niet de minste schroom bestaat er om te leven van ’t door prostituée’s verdiende. De “ik”die zich hier uit, eischt voor zich “een grenzelooze vrijheid”; deze “ik” haat het “kleine strakke fatsoen van kleine burgerzielen”, voelt juist voor “grootheid van zonde, een immens satanisme”, nièt de “laffe bange ontucht van onzen tijd”, maar de “Orgie der Ouden”. Ik geef “mijn ziel voor één uur van antieke bandeloosheid” – ziedaar ’t wezenlijke gevoel dezer “ikheid”.
Bij beide genoemde auteurs een verhalen van absoluut egoïsme, dat àllen band tusschen individu en gemeenschap wegdenkt en à tout prix bevrediging zoekt, in woorden of daden, der aandriften, hoe verkeerd deze ook zijn. Van altruïsme, van ethische beginselen geen sprake. Door de afwezigheid van alle altruïsme van zelf géen teekening van den strijd tusschen gezonde zelfzucht en gezonden naastenliefde, zooals elk mensch in eigen gemoed heeft te voeren.

2 gedachten aan “‘Merkwaardig proza’ van De Haan en Couperus”

  1. Overigens kan nog worden opgemerkt dat Van Ree op p. 275 stil staat bij een dramatische bijdrage in “Nederland” van Donaert van Elten, namelijk ‘De groote ontdekking’. Van Elten is een pseudoniem van Herman Roelvink, later bevriend met Couperus en die aan Couperus ook verschillende opdrachten gaf in zijn functie van artistiek leider van Het Nederlandsch Tooneel, vaste bespeler van de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.